Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2026:3710
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/1394 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. S. Wetsema), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.J.W. van den Kieboom).
Samenvatting 1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van verzoekers aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat onvoldoende is gebleken van een spoedeisend belang. Bovendien is het besluit niet evident onrechtmatig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop 2.1.
Verzoeker heeft op 15 november 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG voor een chauffeurskaart (taxi) bij KIWA Register B.V. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 januari 2026 afgewezen.
2.2.
Verzoeker heeft hiertegen op 12 maart 2026 bezwaar gemaakt en op diezelfde dag de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3.2.
Verzoeker heeft in dat kader aangevoerd dat zijn chauffeurskaart op 9 januari 2026 is ingetrokken omdat hij geen VOG kan overleggen. Hij mag daardoor niet werken als taxichauffeur en heeft dus geen inkomen. Inmiddels heeft hij zijn spaargeld opgemaakt. Zijn vaste lasten zowel zakelijk als privé lopen echter door. Verzoeker heeft geen diploma’s en hij stelt dat hij niet in aanmerking komt voor ander werk, althans niet voor werk waarmee hij al zijn lasten kan voldoen. Hierdoor dreigt zijn bedrijf failliet te gaan.
3.3.
Verweerder heeft het spoedeisend belang betwist.
3.4.
De voorzieningenrechter is – met verweerder – van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van een acute financiële noodsituatie. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij de bezwaarprocedure afwacht. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verzoeker al drie maanden zijn werkzaamheden niet kan verrichten. Hij heeft niet onderbouwd wat zijn vaste lasten zijn en wat zijn vermogen nog is. Bovendien is het dreigende faillissement op geen enkele wijze onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van inzage in financiële gegevens. Verzoeker heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij geen ander werk kan verrichten om geld te verdienen totdat op het bezwaar is beslist. Hoewel hij meent geen werk te kunnen vinden omdat hij niet over diploma’s beschikt, heeft hij desgevraagd op de zitting verklaard nog niet te hebben gezocht naar ander werk. Voor zover verzoeker stelt dat het lang duurt voordat verweerder een beslissing op bezwaar neemt, wijst de voorzieningenrechter er op dat daarvoor een ander rechtsmiddel beschikbaar is, te weten het indienen van een beroep niet tijdig. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat er geen spoedeisend belang is.
4.1.
Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan zij alleen een voorlopige voorziening treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet juist is. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of wettelijke bepalingen van de zaak.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Hoewel verzoeker na het bestreden besluit is vrijgesproken van het meest recente strafbare feit op zijn justitiële documentatie, blijven er nog andere strafbare feiten over binnen de terugkijktermijn van vijf jaar. Verweerder zal in de beslissing op bezwaar moeten overwegen welke invloed de vrijspraak heeft op de beoordeling van de VOG aanvraag van verzoeker.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht.