Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2026:3871
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/2879 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. L. Veenman), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college) (gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring om voorrang te krijgen op een woning in Amsterdam . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen op basis van het alsnog uitgevoerde medische advies. Uit het advies blijkt dat sprake is van een grote woning van vijf kamers waarbij een eigen kamer voor eiseres om zich van prikkels af te sluiten te realiseren is. De rechtbank kan dit volgen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2024 (het bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op 18 december 2025, onder intrekking van het bestreden besluit 1, een herzien besluit op bezwaar genomen (het bestreden besluit 2).
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank Beroep tegen het bestreden besluit 1 3. De rechtbank stelt vast dat het college het besteden besluit 1 heeft vervangen met het bestreden besluit 2 en dat het vervangende besluit niet tegemoetkomt aan het beroep van eiseres. Daarom wordt het beroep op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede gericht te zijn tegen het bestreden besluit 2. Omdat het college het bestreden besluit 1 heeft vervangen, heeft eiseres geen belang meer bij de beoordeling van dit besluit, zodat het beroep voor zover het gericht is tegen dat besluit, niet-ontvankelijk wordt verklaard. Wel heeft eiseres recht op een vergoeding van de proceskosten. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 12.
Beroep tegen het bestreden besluit 1I 4. Eiseres is een alleenstaande vrouw geboren op [geboortedag] 1994. Zij woont met haar moeder en vier jongere zussen, waarvan drie meerderjarig zijn, op het adres [adres] . Dit betreft een huurwoning van 110 m2 met vijf kamers. Eiseres heeft urgentie aangevraagd wegens psychische en lichamelijke klachten die op negatieve wijze worden beïnvloed door de huidige woonsituatie.
Het oordeel van de rechtbank 7. Het GGD-advies is een deskundigenadvies. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het college moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit omdat het college hangende het beroep een nieuw besluit heeft genomen. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft beroep ingesteld (1 punt) en is op zitting verschenen (1 punt). Gemachtigde heeft ook op verzoek van de rechtbank gereageerd op het bestreden besluit 2 (0,5 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b: sociaal-medische urgentiecategorie Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (HVV) in samenhang met artikel 11 van de Nadere regels (Aanvullende voorwaarden bij artikel 10.1 van de Nadere regels (urgentiecategorie medische redenen).