← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2026:424

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.371284.24 Datum uitspraak: 8 januari 2026 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007, wonende op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Ang en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Z. Moezel, waarneemster voor mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de moeder van verdachte naar voren is gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partij [benadeelde partij] en mr. S.M. Diekstra namens haar, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat [naam 2] en/of [naam 3] op of omstreeks 2 september 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die [naam 2] en/of [naam 3] en/of zijn/hun mededader(

  1. s)voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde partij] - op de grond heeft/hebben getrokken en/of heeft/hebben gegooid en/of - ( vervolgens) een of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of lichaam heeft/hebben getrapt en/of - een of meermalen (met kracht) met zijn/hun vuisten, althans met zijn/hun handen, tegen het hoofd en/of lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 augustus 2024 tot en met 2 september 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door: - die [naam 2] en/of die [naam 3] op Snapchat te benaderen en/of hierop de opdracht tot het mishandelen van voornoemde [benadeelde partij] uit te zetten en/of - die [naam 2] en/of die [naam 3] geld te bieden om [benadeelde partij] te mishandelen en/of - die [naam 2] opdracht te geven om nog een mededader te regelen, te weten voornoemde [naam 3] en/of - zich naar de Stadionkade te begeven en zich daar in de buurt van de woning van voornoemde [benadeelde partij] op te houden (in de bosjes) om te kijken of voornoemde [benadeelde partij] hier woonachtig was en/of - die [naam 2] en/of die [naam 3] te voorzien van identificerende informatie van [benadeelde partij] (foto's, adresgegevens, auto's die zij rijdt) en/of - die [naam 2] en/of die [naam 3] te voorzien van instructies m.b.t. hoe en/of hoe laat hij en/of zijn mededader [benadeelde partij] moeten mishandelen en/of - die [naam 2] en/of die [naam 3] een hoeveelheid geld te overhandigen en/of in het vooruitzicht te stellen; (art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Vrijspraak Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de ten laste gelegde medeplichtigheid aan het medeplegen van een poging zware mishandeling met voorbedachte rade van [benadeelde partij] wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier heeft geconcludeerd dat deze medeplichtigheid bestond uit : “zich naar de Stadionkade te begeven en zich daar in de buurt van de woning van voornoemde [benadeelde partij] op te houden (in de bosjes) om te kijken of voornoemde [benadeelde partij] hier woonachtig was” en “die [naam 2] en/of die [naam 3] te voorzien van identificerende informatie van [benadeelde partij] (foto’s, adresgegevens, auto’s die zij rijdt) ” zoals onder het vierde en vijfde gedachtestreepje van de tenlastelegging opgenomen. Volgens de officier van justitie volgt de medeplichtigheid van verdachte uit de aangifte, het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] en de whatsappgesprekken en de snapchatgesprekken aangetroffen in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] . De verklaring van verdachte, dat hij op die plek stond te wachten op een vriend die zijn telefoon zou brengen, vindt de officier van justitie ongeloofwaardig. Deze verklaring vindt geen steun in de bewijsmiddelen. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Het oordeel van de rechtbank Op 2 september 2024 op de Stadionkade te Amsterdam is [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ) in de buurt van haar woning aangevallen en is er geweld tegen haar gebruikt. Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] blijkt dat, ongeveer een week hiervoor, te weten op 25 augustus 2024 omstreeks 22.34 uur, twee mannen door de politie zijn gecontroleerd op de Stadionkade. Deze mannen stonden tussen de waterzijde (kade) en de struiken. De reden van deze controle was gelegen in een eerdere waarneming van een verbalisant in burger die het gedrag ‘vreemd’ vond omdat de mannen zich in de struiken zouden ophouden en schichtig om zich heen keken. Een van deze twee mannen betrof – zo bleek na de controle – verdachte te zijn, de andere man was medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Verbalisanten zien dat verdachte en [medeverdachte] beiden een capuchon en een helm droegen. Verdachte zou ook een sjaal hebben gedragen. [medeverdachte] had een bromfiets bij zich. Verdachte heeft aan de verbalisanten ter plaatse verklaard dat hij op een vriend wachtte. Deze vriend zou zijn telefoon komen brengen, omdat hij die bij hem thuis was vergeten. De verbalisanten zijn vervolgens vertrokken. [medeverdachte] heeft hierover bij de politie verklaard dat zij moesten kijken of die mevrouw daar woonde, bij de rechter-commissaris heeft hij uitdrukkelijk verklaard dat verdachte er niets vanaf wist. Uit onderzoek van de telefoon van verdachte, welke op 20 november 2024 in beslag is genomen, blijkt dat verdachte de medeverdachte [medeverdachte] als contactpersoon heeft opgeslagen. De namen van andere medeverdachten staan niet in zijn telefoon en ook anderszins blijkt niet van enige relatie tussen verdachte en hen. Met de telefoon van verdachte is gezocht naar het Instagram account van [benadeelde partij] , onduidelijk op welke datum, en [benadeelde partij] staat tussen de Instagramcontacten van verdachte. Er zijn verder geen zaakrelevante gesprekken, afbeeldingen of video’s aangetroffen op de telefoon van verdachte. De vraag die moet worden beantwoord, is of bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is geweest aan de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade van [benadeelde partij] . Voor een bewezenverklaring moet vast komen te staan dat het opzet van verdachte zowel was gericht op de ten laste gelegde medeplichtigheidshandelingen, als ook – al dan niet in voorwaardelijke zin –op het door de dader(
  2. s)gepleegde misdrijf dat verdachte met zijn handelingen heeft bevorderd of vergemakkelijkt (dubbel opzet). Naar het oordeel van de rechtbank zijn enkel de vaststellingen zoals door verbalisanten gedaan op 25 augustus 2024 en de bevindingen uit het onderzoek van de telefoon van verdachte onvoldoende om aan te nemen dat verdachte op dat moment bezig was met een voorverkenning ten behoeve van het later, op 2 september 2024, gepleegde geweld tegen [benadeelde partij] . Ook anderszins blijkt uit het dossier niet dat verdachte op enigerlei wijze betrokken was bij het tenlastegelegde. De rechtbank oordeelt daarom dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan het tenlastegelegde feit, zodat verdachte zal worden vrijgesproken. 5Vordering van de benadeelde partij Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft – kort gezegd – schade gevorderd. Nu verdachte is vrijgesproken van het ten laste gelegde, wordt de vordering van voornoemde benadeelde partij afgewezen. 6Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af. Dit vonnis is gewezen door mr. K. Duker, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. C.M. Berkhout en M.J. van Aalderen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Bien, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 januari 2026.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.