Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2026:4458
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 23/4538 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 op het verzet van [opposant] , uit [plaats] , opposant, en uitspraak in de beroepszaak tussen [opposant] , uit [plaats] , betrokkene, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. D. Brandt-van Es).
Inleiding Opposant heeft op 23 juli 2023 beroep ingesteld tegen het besluit van 1 juni 2023 van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, waarin aan opposant een IVA-uitkering is toegekend met ingang van 8 december 2021.
In de uitspraak van 23 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep niet verschoonbaar te laat is ingediend.
Opposant heeft tegen deze uitspraak op 20 februari 2025 verzet ingesteld. Daarbij heeft opposant in eerste instantie ook gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Nadat opposant na het plannen van een zittingsdatum heeft laten weten niet aanwezig te kunnen zijn en akkoord te zijn met schriftelijke afdoening van de zaak, heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat hun aanwezigheid niet vereist is.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Partijen waren niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet 1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 23 mei 2024 terecht is geoordeeld dat het buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
De ontvankelijkheid van het verzet 3. Op 21 maart 2026 heeft opposant de rechtbank per e-mail verzocht de zaak schriftelijk af te doen. In haar brief van 27 maart 2026 heeft de rechtbank voorlopig met dit verzoek ingestemd, inhoudende dat het verzet – en, als daaraan wordt toegekomen, het inhoudelijke beroep – schriftelijk zal worden behandeld. Daarbij heeft de rechtbank partijen laten weten dat zij eerst zal beoordelen of het verzet van opposant ontvankelijk is, en heeft zij partijen de gelegenheid geboden om zich schriftelijk uit te laten over dit punt, en ook over de ontvankelijkheid van het beroep en het inhoudelijke beroep.
Dat verdient in algemene zin bewondering. Het getuigt van betrokkenheid en doorzettingsvermogen dat opposant, waar mogelijk, diens stem laat horen en voor zichzelf opkomt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat deze omstandigheden wel een grote rol hebben gespeeld bij het niet tijdig instellen van verzet. Daarnaast heeft opposant in deze periode een ingrijpende tijd doorgemaakt, nu ook diens moeder is overleden. De rechtbank heeft er begrip voor dat opposant ook daardoor niet steeds aandacht aan deze procedure heeft kunnen besteden. Verweerder heeft de rechtbank laten weten de beoordeling van de termijnoverschrijding aan de rechtbank over te laten. Er is dus geen uitdrukkelijk standpunt van verweerder ingenomen.
De rechtbank betrekt tot slot bij haar oordeel de inhoud van de buitenzittingsuitspraak. Zij is van oordeel dat deze uitspraak geen stand kan houden en komt tot een ander oordeel. Dit wordt in het vervolg van deze uitspraak nader gemotiveerd. Daarmee is echter ook de situatie ontstaan dat verzet niet aan de orde zou zijn geweest, als er direct op juiste wijze op de verschoonbaarheid van het beroep was beslist. Hierdoor weegt de termijnoverschrijding van het verzet voor de rechtbank minder zwaar en legt zij de drempel voor de verschoonbaarheid daarvan lager. Alles afwegend komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de termijnoverschrijding in verzet verschoonbaar is.
De ontvankelijkheid van het beroep 7. De rechtbank stelt vast dat ook het beroepsschrift van opposant te laat is ingediend. Het bestreden besluit is volgens verweerder verzonden op 1 juni 2023. De laatste dag van de beroepstermijn was in dat geval 13 juli 2023. Opposant heeft op 23 juli 2023 een beroepschrift ingediend. Het beroepsschrift is dan te laat ingediend.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep 10. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene op dit moment volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In geschil is uitsluitend de vraag of betrokkene al vóór 8 december 2021 recht had op een IVA-uitkering. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de langdurige en ernstige problematiek, de IVA-uitkering met ingang van 6 juli 2018 dient te worden toegekend. Volgens betrokkene heeft verweerder onvoldoende overtuigend gemotiveerd waarom geen eerdere ingangsdatum mogelijk is.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat ACT een wetenschappelijk onderbouwde therapievorm is die effectief kan zijn bij uiteenlopende problematiek, waaronder angst- en stemmingsklachten, lichamelijke klachten, stoppen met roken, psychotische problematiek en persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast kan ACT ook worden ingezet ter bevordering van de kwaliteit van leven en het vergroten van psychologische flexibiliteit en veerkracht. Dat de ACT-behandeling achteraf bezien geen of minder verbetering heeft opgeleverd dan destijds werd verwacht, maakt de situatie extra wrang, maar kan niet afdoen aan de destijds gemaakte prognostische beoordeling. Dit vormt geen grond om met terugwerkende kracht te concluderen dat al vóór 8 december 2021 sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid, noch om alsnog een IVA-uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen.
Conclusie en gevolgen 13. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de buitenzittingsuitspraak laat vervallen en alsnog een inhoudelijk oordeel geeft op het beroep van betrokkene.
Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet gegrond; verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Met betrokkene wordt bedoeld de indiener van het beroepsschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In artikel 8:55, tweede lid van de Awb over het verzet staat dat onder andere de artikelen 6:5 tot en met 6:9 van de Awb ook van toepassing zijn in verzetzaken.
Dit staat in artikel 6:7 en 6:8 van de Awb.
Dit staat in artikel 6:9 van de Awb.
Dit staat in artikel 6:11 van de Awb.
Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.