RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/146352-25 Datum uitspraak: 21 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 10 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 mei 2025 door het Stadsparket Sofia, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] (Bulgarije), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol en (telefonisch) door een tolk in de Bulgaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Bulgaarse en Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis nr. 184 van 22 november 2023 in strafzaak van algemene aard /H.O.X.Д/ nr. 5 484/23 van de Strafkamer van de Rechtbank van Sofia, 22e samenstelling. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 23 december 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de zaak in drie instanties behandeld is: in hoger beroep door het Hof van Beroep van Sofia (uitspraak van 2 juli 2024) en vervolgens in cassatie door het Hooggerechtshof van Cassatie (beslissing van 11 maart 2025). Ook volgt hieruit dat met de beslissing nr. 122/11.03.2025 in de strafzaak /N./D./ nr. 70/25 van het Hooggerechtshof van Cassatie, Derde Strafkamer van 11 maart 2025 de zaak definitief ten gronde is beslist. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De opgeëiste persoon heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat, in het geval de rechtbank op grond van artikel 6a OLW de overlevering weigert en beveelt dat de straf in Nederland moet worden tenuitvoergelegd, zij geen beroep doet op artikel 12 OLW en daarmee afstand doet van een beroep op schending van haar verdedigingsrechten. De rechtbank toets daarom, gelet op hetgeen hierna onder 5 ten aanzien van de weigeringsgrond van 6a OLW wordt overwogen, beslissing nr. 122/11.03.2025 in de strafzaak /N./D./ nr. 70/25 van het Hooggerechtshof van Cassatie, Derde Strafkamer (ook ambtshalve) niet aan artikel 12 OLW. 4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a/tweede lid, onderdeel b, van deze wet. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Zowel de raadsman als de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, zodat de overlevering kan worden geweigerd en de straf kan worden overgenomen. De rechtbank overweegt als volgt. Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een haar bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.