ECLI:NL:RBAMS:2026:4951
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 11647485 CV EXPL 25-5867 vonnis van: 22 mei 2026 fno.: 94 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiser] wonende te [woonplaats] eiser in conventie, verweerder in reconventie nader te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. R.P. Groot t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RCI Financial Services B.V. gevestigd te Amsterdam gedaagde in conventie, eiseres in reconventie nader te noemen: RCI gemachtigde: mr. H.H.M. Meijroos VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE Op 13 maart 2026 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis hebben beide partijen een akte in het geding gebracht.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING Beoordeling In bovengenoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat RCI zich voor de bevoegdheid om de auto in te nemen beroept op artikel 7, 8 en 9 van de algemene voorwaarden. Daarbij heeft zij geoordeeld dat het beding in artikel 7.2 ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling, omdat daarin is bepaald dat RCI de kredietovereenkomst per direct kan ontbinden bij een betalingsachterstand. Dit is in strijd met artikel 7:82 BW, waarin dwingendrechtelijk is bepaald dat ontbinding van een kredietovereenkomst op grond dat de consument is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen slechts kan geschieden door de rechter behoudens artikel 7:90 BW. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat artikel 9.2 ten nadele van [eiser] afwijkt van de dwingendrechtelijke wettelijke regeling.
In artikel 7:95 BW is immers bepaald dat indien de kredietnemer binnen veertien dagen nadat hij de zaak heeft afgegeven het totale uit hoofde van de kredietovereenkomst op het moment van inlossing opeisbare, achterstallige bedrag (inclusief vertragingsschade) voldoet, de zaak door de kredietgever wordt teruggegeven. Door te bedingen dat de kredietnemer ook alle bijkomende kosten (bijvoorbeeld eventuele beslagkosten, revindicatiekosten en stallingskosten) dient te betalen, handelt RCI in strijd met de wet. Nu artikel 7.2 en 9.2 in strijd zijn met dwingend recht zijn deze bedingen oneerlijk. Gevolg daarvan is dat deze bedingen buiten toepassing zullen worden gelaten en RCI daarop geen beroep kan doen.
Omdat de hiervoor genoemde bedingen in de algemene voorwaarden niet ter zitting zijn besproken heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich over de oneerlijkheid en de gevolgen van het buiten toepassing laten uit te laten. [eiser] heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.
RCI heeft aangevoerd dat [eiser] mondeling in de gelegenheid is gesteld om de auto bij het sleepbedrijf Delta op te halen. Zij herhaalt het door haar hiertoe gedane bewijsaanbod. Doordat [eiser] de auto niet meteen heeft opgehaald, zijn de kosten opgelopen. Volgens RCI is de richtlijn niet van toepassing indien de kosten onnodig of moedwillig zijn ontstaan. Daarvan is volgens haar in deze zaak sprake. [eiser] kan daarom volgens RCI geen aanspraak maken op een schadevergoeding.
Beoordeling 5. Nu partijen geen verweer hebben gevoerd tegen het voornemen het beding in artikel 7.2 van de algemene voorwaarden oneerlijk te verklaren, zal dit beding buiten toepassing worden gelaten omdat dit ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling, omdat daarin is bepaald dat RCI de kredietovereenkomst per direct kan ontbinden bij een betalingsachterstand, hetgeen in strijd is met dwingend recht.
BESLISSING De kantonrechter:
In conventie: veroordeelt RCI tot betaling aan [eiser] van:
In reconventie wijst de vorderingen af; veroordeelt RCI in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] gevallen, tot heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.