← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2026:912

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11590863 \ CV EXPL 25-4275 Vonnis van 20 januari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats] ,

  1. [eiser 2], wonende te [woonplaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in voorwaardelijke reconventie, hierna samen te noemen: [eisers] , gemachtigde: K&B Finance B.V., tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IB KREDIET B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen: IB Krediet, gemachtigde: mr. G.J.L. Bergervoet. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 27 februari 2025,- de conclusie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties, - het instructievonnis van 3 juni 2025, - de rolmededeling van 24 juni 2025,- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie,- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie. 1.
  3. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [eisers] geen conclusie van dupliek in reconventie genomen. 1.
  4. Op 8 oktober 2025 heeft IB Krediet verzocht om een mondelinge behandeling. Bij rolmededeling van 21 oktober 2025 is kenbaar gemaakt dat dit verzoek zal worden ingewilligd, waarna de zaak is verwezen voor dagbepaling mondelinge behandeling. De mondelinge behandeling is bepaald op 6 januari
  5. 1.
  6. Vervolgens heeft IB Krediet kenbaar gemaakt dat zij het niet langer noodzakelijk acht dat een mondelinge behandeling plaatsvindt, omdat de standpunten van partijen voldoende uit te stukken blijken. [eisers] sluiten zich daarbij aan. De griffier heeft namens de kantonrechter aan partijen bericht dat er geen mondelinge behandeling zal plaatsvinden en de zaak wordt verwezen naar de rol van 20 januari 2026 voor vonnis. 2De feiten 2.
  7. [eisers] hebben op 25 februari 2009 met de rechtsvoorganger van IB Krediet een doorlopende kredietovereenkomst gesloten. 2.
  8. Bij dagvaarding van 1 juni 2023 hebben [eisers] voornoemde kredietovereenkomst aan een gelijksoortige vordering als in de onderhavige procedure ten grondslag gelegd, met hetzelfde feitencomplex en dezelfde juridische grondslagen. Tijdens de procedure hebben [eisers] hun eis gewijzigd. 2.
  9. Bij vonnis van 13 december 2024 heeft de kantonrechter op de vorderingen van [eisers] beslist. 2.
  10. [eisers] hebben vervolgens meerdere verzoeken tot herstel van dat vonnis gedaan. De kantonrechter heeft hierop afwijzend beslist. 2.
  11. IB Krediet heeft op 27 januari 2025 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Deze procedure loopt nog. 3Het geschil in conventie 3.
  12. [eisers] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Primair: een verklaring voor recht dat de doorlopende kredietovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd door de verklaring bij dagvaarding, althans deze te vernietigen, veroordeling van tot (terug)betaling aan [eisers] van de door hen krachtens de kredietovereenkomst betaalde kredietvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, Subsidiair het rentebeding in de kredietovereenkomst en het wijzigingsbeding in de algemene voorwaarden te vernietigen en te gebieden alle door [eisers] betaalde bedragen op basis van rentes aan hen (terug) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, met in alle gevallen veroordeling van in de proceskosten. in voorwaardelijke reconventie 3.
  13. IB Krediet vordert, kort gezegd, voor het geval de primaire en/of subsidiaire vorderingen van [eisers] zouden worden toegewezen, de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst te vernietigen en [eisers] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.909,43, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.
  14. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  15. Het meest verstrekkende verweer van IB Krediet is dat [eisers] handelen in strijd met het procesrecht, door een vordering met dezelfde inhoud en strekking, waarop al is beslist, opnieuw voor te leggen. Daarbij is sprake van hetzelfde feitencomplex en dezelfde juridische grondslagen. 4.
  16. Dit verweer slaagt. De kantonrechter heeft op 13 december 2024 al op de (zelfde) vorderingen van [eisers] beslist. Aan die vordering lag ook de onder 2.1 bedoelde kredietovereenkomst ten grondslag. Duidelijk is dat [eisers] het niet eens zijn met de beslissing van de kantonrechter, althans een deel daarvan. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de goede procesorde verzetten zich echter tegen deze wijze van procederen. Het lag onder de gegeven omstandigheden op de weg van [eisers] om een rechtsmiddel (hoger beroep) in te stellen. IB Krediet heeft dat ook gedaan, waardoor het geschil tussen partijen op dit moment ter beoordeling voorligt bij het gerechtshof. 4.
  17. [eisers] hebben geen stellingen ingenomen in de dagvaarding over de feiten genoemd onder 2.2 t/m 2.5, waardoor zij hebben gehandeld in strijd met de waarheids- en volledigheidsplicht als bedoeld in artikel 21 Rv. Geen aanleiding wordt gezien om daaraan verdergaande consequenties te verbinden dan de na te melden proceskostenveroordeling. Weliswaar heeft IB Krediet aangevoerd dat zij nodeloos kosten heeft moeten maken, maar deze kosten zijn verder niet toegelicht of onderbouwd. 4.
  18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eisers] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen. 4.
  19. [eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van IB Krediet worden begroot op: - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 475,50 4.
  20. De door IB Krediet aan haar eis in reconventie gekoppelde voorwaarde is, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet vervuld, zodat op de vordering in reconventie niet hoeft te worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling in reconventie bestaat geen aanleiding. 5De beslissing De kantonrechter in conventie 5.
  21. verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun vorderingen, 5.
  22. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 475,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  23. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici en in het bijzijn van mr. S. Homringhausen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 januari
  24. 991

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.