Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Rolnummer: 2001/1280 Datum uitspraak: 4 juni 2003 Vonnis in de zaak van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid 1. B.V. GRINT- EN ZANDEXPLOITATIE MAATSCHAPPIJ v/h GEBR. SMALS, gevestigd te Herten, gemeente Roermond, 2. DEKKER ZANDBAGGERBEDRIJF B.V., gevestigd te IJzendoorn, gemeente Echteld, 3. VAN WANING WINNING & PROJECTEN B.V., gevestigd te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, 4. H.W. PAES B.V., gevestigd te Wessem, gemeente Heel, 5. BEHEERMAATSCHAPPIJ GOUDRIAAN B.V., gevestigd te Maasbracht, 6. KALIWAAL-BIJLAND B.V., gevestigd te Velp, gemeente Rheden, 7. VAN ROOSMALEN’S TRANSPORT- EN HANDEL MAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Maastricht 8. WATERGOED B.V., gevestigd te Nijmegen, alsmede de commanditaire vennootschap 9. WATERGOED C.V., gevestigd te Nijmegen, eiseressen bij dagvaarding van 11 juli 2001, procureur mr. J.Th.M. Palstra, advocaten mrs. R.J. Baneke en D.R. de Poorter, allen te Nijmegen, advocaat voor eiseres sub 1 tevens mr. G.J.M. Cartigny te Rotterdam, tegen: de rechtspersoon naar publiek recht PROVINCIE GELDERLAND, zetelende te Arnhem, gedaagde, procureur mr. J.C.N.B. Kaal, advocaten mrs. A.T. Bolt, P.L.G. Haccou en B.G. Jansen, allen te Arnhem. Eiseressen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Smals c.s. of als “de ontzanders” en ieder afzonderlijk als respectievelijk Smals, Dekker, Van Waning, Paes, Goudriaan, Kaliwaal, Van Roosmaalen, Watergoed B.V. en Watergoed C.V.. Gedaagde zal worden aangeduid als de Provincie. Het verloop van de procedure In deze procedure is bij dagvaarding een eis ingesteld. Vervolgens hebben Smals c.s. bij akte 45 producties overgelegd. Daarna zijn de volgende proceshandelingen verricht: - conclusie van antwoord met 25 producties, - akte tot rectificatie van de Provincie, - conclusie van repliek met 23 producties, - conclusie van dupliek met 24 producties. Vervolgens hebben Smals c.s. en de Provincie op verzoek van Smals c.s. hun standpunten doen bepleiten. Daarbij hebben Smals c.s. 21 producties in het geding gebracht en de Provincie 5. Tot slot is vonnis bepaald. De vaststaande feiten 1.1 Eisers sub 1 t/m 7 zijn landelijke industriezandproducenten en vennoten in Watergoed C.V., waarvan Watergoed B.V. de enig beherend vennoot is. Het doel van Watergoed C.V. is het verrichten van werkzaamheden met betrekking tot een voorgenomen winning van industriezand bij Maasbommel die wordt aangeduid als het F3b-project en ook wel als het Watergoed-project. 1.2 Industriezand wordt in Nederland voornamelijk gewonnen in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Tussen het Rijk en de provincies worden afspraken gemaakt over de door de provincies te leveren hoeveelheden beton- en metselzand voor periodes van telkens tien jaar (de taakstelling). Voor de periode van 1989 tot en met 1998 bedroeg de taakstelling voor Gelderland in totaal 78 miljoen ton industriezand. Om aan die taakstelling te voldoen heeft de Provincie - overeenkomstig het toen geldende overheidsbeleid om ontgrondingen in de uiterwaarden tegen te gaan - besloten twee grote binnendijkse zandwinlocaties aan te wijzen. Deze keuze is door Provinciale Staten vervolgens achteraf bekrachtigd bij de herziening van het Streekplan 1987. Ter uitwerking van een en ander hebben Provinciale Staten op 29 juni 1988 het Industriezandwinningsplan (IZP) 1e fase vastgesteld, waarbij de “H1-locatie”, inmiddels genaamd Geertjesgolf, nabij Beuningen als winlocatie is aangewezen. In de tweede helft van 1992 is vervolgens de locatie F3b bij Maasbommel als tweede locatie aangewezen. Het F3b-project was bedoeld om te voorzien in de winning van 36 miljoen ton beton- en metselzand in een periode van 12-15 jaar. 1.3 Op 9 september 1992 heeft de Maatschappij tot Verwerving van Industriezand B.V. (MVI) - waarin onder meer eisers sub 2 tot en met 8, althans daaraan gelieerde vennootschappen, waren verenigd - een ontgrondingsvergunning aangevraagd voor de F3b-locatie. Deze aanvraag heeft MVI desgevraagd nader aangevuld bij brief van 10 maart 1993. 1.4 De raad van de gemeente West Maas en Waal was niet bereid uit eigen beweging de door de Provincie voorgestane ontgronding bij Maasbommel planologisch mogelijk te maken. Op 3 mei 1993 hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland (hierna: GS), met het oog op de realisering van het ontzandingsproject F3b, de gemeenteraad van West Maas en Waal op grond van artikel 37, vierde en vijfde lid van de WRO de aanwijzing gegeven het bestemmingsplan “Buitengebied Appeltern 1983” overeenkomstig het Industriezandwinningsplan, 2e fase, te herzien. Tevens is aan de gemeenteraad de verplichting opgelegd om binnen een jaar na het onherroepelijk worden van het aanwijzingsbesluit het geldende bestemmingsplan te herzien. Onder meer de gemeenteraad is tegen die aanwijzing opgekomen door daartegen beroep in te stellen bij de Kroon. 1.5 Op 22 september 1993 heeft tussen gedeputeerden en ambtenaren van de provincies Gelderland en Noord-Brabant enerzijds en Smals en MVI anderzijds bestuurlijk overleg plaatsgevonden. Onderwerp was onder meer het sinds 1981 ingezette beleid van de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg om op een beperkt aantal grootschalige locaties zandwinning toe te staan en de ontzanders te verplichten onderling uit te maken hoe de winrechten tussen hen verdeeld moesten worden. De provincies waren voornemens dit beleid in verband met hun taakstellingen voor de periode 1989-2008 en de daarmee samenhangende vergunningverleningen onderling af te stemmen en vast te leggen in een intentieverklaring. Tijdens het overleg op 22 september 1993 is een concept van deze intentieverklaring besproken. 1.6 Bij brief van 23 december 1993 hebben GS aan Smals en MVI geschreven: Gelet op de voorlopige winruimteverdeling zoals opgenomen in de bijlage van de (concept) Intentieverklaring (…) heeft ons college op 21 september 1993 besloten om: 1. (…) MVI te vragen om op basis van hun projectplan (het plan Watergoed, opgesteld door Witteveen en Bos) het voor vergunningverlening nog benodigde nader onderzoek te verrichten en als zodanig MVI te belasten met het projecttrekker- c.q. penvoerderschap voor de F3b-locatie. 2. Dit onder voorwaarde, dat door uw beider (groep van) zandwinbedrijven een gemeenschappelijke rechtspersoon wordt opgericht, waarin de door beide partijen inmiddels verworven gronden kunnen worden ingebracht. Dit tweede onderdeel van ons besluit beschouwen wij als een noodzakelijke voorwaarde voor vergunningverlening, omdat gelet op de voorgeschiedenis, de beoogde winruimteverdeling en de inmiddels verworven grondposities zonder zo’n gemeenschappelijke rechtspersoon de vergunning onzes inziens niet uitvoerbaar zal zijn. (…) 1.7 Namens gedeputeerde staten van de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg is de hiervoor bedoelde intentieverklaring op 9 februari 1994 ondertekend. Daarin staat onder meer: (…) Artikel 2 - toepassingsgebied Deze Intentieverklaring heeft betrekking op de vergunningverlening ex de Ontgrondingenwet voor de locaties ter realisering van voornoemde taakstellingen, voor zover het daarbij gaat om de zogenoemde “landelijke industriezandwinningen” welke in één van de drie Provincies benedenstrooms Venlo zijn gelegen en voorzover er in het kader van de belangenafweging ex Ontgrondingenwet een winrechtenverdeling aan de orde is. Artikel 3 - duur Deze intentieverklaring heeft een geldigheidsduur totdat de taakstellingen tot en met 2008 zijn ingevuld. Artikel 4 - tenaamstelling Bij de verlening van ontgrondingsvergunningen waarbij een winrechtenverdeling aan de orde is hebben de Provincies ten aanzien van de vergunninghouder onder meer de volgende keuze: a. De Provincie verleent de vergunning aan een - door betrokken zandwinbedrijven op te richten - gemeenschappelijke rechtspersoon met een bij vergunningvoorschrift aan te geven winruimtepercentage. b. De Provincie verleent de vergunning aan verschillende vergunninghouders, waarbij aan ieder van hen een deel van de locatie wordt toegewezen, onder door de Provincie te stellen voorschriften. Artikel 5 - criteria Bij de beslissing op een aanvraag, waarbij een winrechtenverdeling aan de orde is, hanteren de Provincies in ieder geval de volgende criteria: - de historische situatie; - kwaliteit/capaciteit van het bedrijf c.q. bedrijven; - het landelijk marktaandeel c.q. marktaandelen zoals dat over meerdere jaren is opgebouwd; - herinrichting locatie; - financiële situatie bedrijf c.q. bedrijven; - de bijdrage aan de aan vergunningverlening voorafgaande planvorming, met name het herinrichtingsplan; Artikel 6 - compensatie van tekorten Indien in een Provincie stagnatie optreedt in de vergunningverlening, tengevolge waarvan een Provincie niet tijdig aan zijn taakstelling kan voldoen, zullen de andere Provincies met inachtneming van hun wettelijke taken en bevoegdheden waar mogelijk trachten te bevorderen om die tekorten aan te vullen; de provincie wiens tekort wordt aangevuld is gehouden om de “onderschrijding” in een alter stadium te compenseren. Artikel 7 - realisering taakstelling Onverminderd het bepaalde in artikel 6 zullen de Provincies inspanningen blijven verrichten om tijdig in hun provinciale taakstelling te voorzien. (…) Bij deze Intentieverklaring is als bijlage gevoegd een winrechtenverdeling volgens de situatie per 1 januari 1993. Daarin is onder meer aangegeven dat MVI 75% (27 miljoen ton) en Smals 25% (9 miljoen ton) kunnen winnen op de F3b-locatie, waar in totaal 36 miljoen ton kan worden gewonnen. 1.8 De conclusies van het onder 1.5 bedoelde overleg van 22 september 1993 zijn vastgesteld op 15 juni 1994 en vermelden onder meer: 1. het betreft nu nog een concept Intentieverklaring op hoofdlijnen; binnen zekere marges zijn nog wijzigingen mogelijk, indien dat door de betrokken ontzandingsbedrijven unaniem gewenst wordt; 2. mede gelet op de resulterende winrechtenverdeling zien de provincies Smals als penvoerder voor de Kraaijenbergse Plassen [een grote zandwinlocatie in Noord-Brabant; de rechtbank] en MVI voor de H1- en F3b-locatie. Vanwege de voorgeschiedenis en het inmiddels verworven grondeigendom acht de provincie Gelderland het zeker voor de F3b-locatie gewenst, dat hiervoor een aparte rechtspersoon wordt opgericht, waarin Smals rechtstreeks kan participeren en waaraan te zijner tijd de ontgrondingsvergunning verleend kan worden (een zgn winrechtenregeling per put); (…) 5. De inspanningsverplichting van de provincies betreft aanbaggerbare ontgrondingsvergunningen, dus ook het toepassen cq coördineren van andere wettelijke regelingen. 6. Volgens artikel 2 [van de intentieverklaring; de rechtbank] valt de H1-lokatie (…) niet rechtstreeks onder de Intentieverklaring. Indirect echter wel, omdat Gelderland vindt dat Smals gebruik kan maken van het door MVI conform het IZP gedane winrechtenaanbod. Als zodanig kan dit dus worden meegenomen bij de belangenafweging voor de H- en F3b-locatie ex Ontgrondingenwet. (….) 12. Wat betreft de hardheid van de Intentieverklaring geldt dat alleen van de overeengekomen verdeling afgeweken zal worden voorzover de dan geldende situatie daar aanleiding toe geeft. De variabelen zitten dus in de tussentijdse bedrijfsmatige ontwikkeling. 13. Geconstateerd wordt dat bij beide ontzandingspartijen een positieve grondhouding aanwezig is (….) 1.9 Het onder 1.4 bedoelde aanwijzingsbesluit van GS van 3 mei 1993 is door de beschikking van de Kroon van 18 juli 1995 waarbij de daartegen ingestelde beroepen ongegrond zijn verklaard, onherroepelijk geworden. 1.10 Vanwege het aanhoudende verzet tegen het ontzandingsproject F3b vanuit met name (de bevolking van) de gemeente West Maas en Waal, heeft eind 1995/begin 1996 overleg plaatsgevonden tussen de Provincie, de gemeente West Maas en Waal en Smals c.s. Gestreefd werd naar het opstellen van een convenant waarin enerzijds de medewerking van de Gemeente zou worden geregeld en anderzijds maximale inspanning werd toegezegd aan de Gemeente te zoeken naar (deel)alternatieven voor F3b. Met het oog op dit laatste is door de Provincie een commissie onder leiding van F.J. Feenstra (toen hoofd van de Afdeling milieu en waterstaat van het Interprovinciaal Overleg) benoemd. In haar rapport van 15 februari 1996 concludeert de commissie onder meer: 1. gelet op de benodigde ontwikkelingstijd is het niet mogelijk om tijdig een (deel)alternatief voor F3b-Maasbommel te vinden, zodat in alle gevallen met de ontzanding in F3b-Maasbommel begonnen zal moeten worden; 2. om aan de onveiligheidswensen van de bevolking tegemoet te komen kan overwogen worden het ZV zoveel mogelijk van zandwinning uit te sluiten, onder voorwaarde dat het resulterend zandverlies voor 01-01-2000 op TGV-basis (tijd-geld-volume-basis, de rechtbank) gecompenseerd wordt in de oostelijke plas; 3. gedurende de totale zandwinning van de F3b-locatie kan dan gezocht worden naar (deel)alternatieven om de (vergrote) oostelijke plas te verkleinen. 1.11 Op 15 maart 1996 is door de Provincie een concept-convenant opgesteld, waarin onder meer is neergelegd dat de betrokken partijen zich bereid verklaren: 1. zowel vanuit de provincie als vanuit de gemeente medewerking te verlenen om de zandwinlocatie F3b-“Maasbommel” op zo kort mogelijke termijn aanbaggerbaar te doen zijn en blijven (…) dat in ruil daarvoor partijen zich ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid zullen inzetten om: 3. daar waar zich binnen Gelderland reële (deel)alternatieven aandienen deze alternatieven op zo kort mogelijke termijn te ontwikkelen ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk vervangen van de zandwinlokatie F3b-“Maasbommel”; waarbij: (…) 7. zodra er binnen Gelderland daadwerkelijk alternatieve lokaties aanbaggerbaar zijn, op basis van tijd-, geld-, een volume-equivalentie bepaald zal worden in welke mate de omvang van de zandwinlokatie F3b-“Maasbommel”, beperkt zal cq kan worden; dat wat betreft de effectuering van de zandwinlokaties partijen overeenkomen dat: 8. de ontzanders de lokatie F3b-“Maasbommel” geheel zullen inleveren, indien de alternatieve lokatie ODM en/of andere lokaties eerder dan wel gelijktijdig aanbaggerbaar zijn en qua zandvolume toereikend zijn, zulks met inachtneming van het gestelde in artikel 7; 1.12 De gemeenteraad van West Maas en Waal heeft op 21 maart 1996 besloten niet in te stemmen met het convenant. De Provincie en Smals c.s. hebben met elkaar afgesproken op basis van het convenant verder te gaan. 1.13 Omdat de gemeente West Maas en Waal niet bereid was over te gaan tot herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied Appeltern 1983”, hebben GS in april 1996 een indeplaatsstellingsprocedure ex artikel 38 van de WRO gestart en het bestemmingsplan “Watergoed” ontwikkeld. 1.14 Bij besluit van 25 juni 1996 hebben GS de gevraagde ontgrondingsvergun-ning voor de winning van (ongeveer) 36 miljoen ton beton- en metselzand in het F3b-project verleend aan de inmiddels opgerichte rechtspersoon Watergoed B.V. (toen nog genaamd Gelderzand F.B.V.). Tegen deze ontgrondingsvergunning is door de gemeenteraad van West Maas en Waal en voorts door 22 anderen beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). 1.15 Op 25 september 1996 is het Streekplan Gelderland vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd: Voor de nationale industriezandwinning zijn de binnendijkse locaties H1 bij Beuningen en F3b bij Maasbommel vastgelegd. Twee locaties (Loonse Waard en Dreumel) en enkele aanvullende winningsmogelijkheden (…) fungeren ter overbrugging. Buiten de aangegeven locaties is geen ruimte voor nieuwe winningen, tenzij die gelden als uitruilmogelijkheid voor de locatie F3b. In de uiterwaarden zijn nieuwe diepe zandwinningen vooralsnog niet toegestaan. De locatie Lingeplassen is mede om die redenen als potentiële ontgronding opgenomen. 1.16 Op 11 maart 1997 hebben GS het bestemmingsplan “Watergoed” vastgesteld. 1.17 Vervolgens is de gemeente West Maas en Waal het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” gaan ontwikkelen, waarin het F3b-gebied weer werd terugbestemd tot agrarisch gebied. Op 12 november 1997 heeft de raad van de Gemeente dit bestemmingsplan vastgesteld. 1.18 In 1997 is de taakstelling voor de provincie Gelderland voor de periode van 1999 tot en met 2008 vastgesteld op in totaal 59 miljoen ton industriezand. 1.19 Op 25 juni 1998 is het bestemmingsplan “Watergoed” van rechtswege goedgekeurd omdat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer niet tijdig een besluit omtrent de goedkeuring daarvan had genomen. 1.20 Op 30 juni 1998 hebben GS hun goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening”, voor zover het betrof de plandelen die waren begrepen binnen de grenzen van het bestemmingsplan Watergoed en die geen recht deden aan de daarin geregelde ontwikkelingen. 1.21 Op 30 juli 1998 hebben burgemeester en wethouders van West Maas en Waal bij de Afdeling beroep ingesteld tegen de goedkeuring van rechtswege van het bestemmingsplan “Watergoed”. Verder hebben zij zich tot de Voorzitter van de Afdeling (hierna: de Voorzitter) gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. 1.22 Op 29 september 1998 hebben GS een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor de uitvoering van het F3b-project aan Watergoed B.V. verleend. 1.23 Op 11 februari 1999 heeft de Voorzitter op het (onder meer) door burgemeester en wethouders van West Maas en Waal ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in verband met het bestemmingsplan “Watergoed” geoordeeld dat het hiervoor onder 1.20 bedoelde besluit van GS van 30 juni 1998 tot het gedeeltelijk onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” één dag te laat aan de Gemeente is gestuurd waardoor ook het door de Gemeente vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” moet worden geacht van rechtswege te zijn goedgekeurd. Omdat dit bestemmingsplan van latere datum is dan het bestemmingplan “Watergoed”, heeft de Voorzitter de goedkeuring van rechtswege van het bestemmingsplan “Watergoed” geschorst. 1.24 Bij brief van 26 februari 1999 hebben Smals c.s. de Provincie aansprakelijk gesteld voor de schade die zij zullen lijden als gevolg van het niet tijdig toezenden aan de Gemeente van het besluit van 30 juni 1998, hetgeen volgens Smals c.s. is aan te merken als een onrechtmatig handelen van de Provincie. 1.25 Bij brief van 31 maart 1999 hebben GS medegedeeld dat het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” van rechtswege is goedgekeurd. Tegen deze goedkeuring van rechtswege hebben Watergoed B.V. op 14 juni 1999 en GS en Provinciale Staten van Gelderland op 15 juni 1999 beroep ingesteld bij de Afdeling. Ook 18 anderen, waaronder de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, hebben daartegen beroep ingesteld. 1.26 Bij uitspraak van 23 september 1999 heeft de Afdeling de beroepen van onder meer de gemeenteraad van West Maas en Waal tegen de ontgrondingsvergunning van 25 juni 1996 grotendeels ongegrond verklaard. 1.27 Op 20 januari 2000 heeft de Voorzitter een verzoek van Smals, Van Roosmaalen, Van Waning, Watergoed B.V. en van Provinciale Staten en GS van Gelderland tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende schorsing van het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” en opheffing van de schorsing van het bestemmingsplan “Watergoed” grotendeels afgewezen, zij het dat van het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” enkele planvoorschriften zijn geschorst. 1.28 Bij uitspraken van respectievelijk 27 maart 2000 en van 6 april 2000 heeft de Afdeling de beroepen van Watergoed en van GS en Provinciale Staten tegen de goedkeuring van rechtswege van het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van Watergoed is niet-ontvankelijk verklaard omdat Watergoed geen zienswijze tegen het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan had ingediend en er geen feiten of omstandigheden waren op grond waarvan geoordeeld moest worden dat zij niet in staat waren geweest die zienswijze kenbaar te maken. 1.29 Medio maart 2000 heeft de Provincie aan mr. G.Ph. Brokx opdracht gegeven “te mediëren rond de impasse over de zandwinlocatie F3b Maasbommel”. In zijn rapport van 25 april 2000 concludeert Brokx onder andere dat een door de Provincie te starten procedure op de voet van artikel 40 lid 1 WRO (de zogenoemde Nimby-procedure) een oplossing zou kunnen bieden uit de impasse te geraken. Tegelijkertijd zou volgens Brokx met kracht moeten worden gezocht naar alternatieven voor de F3b-locatie. 1.30 In een persbericht van 24 mei 2000 hebben GS bekend gemaakt dat zij op 23 mei 2000, mede naar aanleiding van het advies van Brokx, tot de conclusie waren gekomen dat het starten van de Nimby-procedure onvermijdelijk was omdat er sprake was van een project met een bovengemeentelijk belang waarvan de besluitvorming was vastgelopen. Daarbij hebben GS tevens aangegeven dat men, overeenkomstig het collegeakkoord, zou doorgaan met het zoeken naar en het bevorderen van alternatieven waardoor mogelijk voor het einde van de Nimby-procedure een alternatief zou kunnen worden gevonden waardoor de ontzanding bij Maasbommel niet meer nodig zou zijn. 1.31 Het besluit van 23 mei 2000 is door Provinciale Staten van Gelderland op 21 juni 2000 onderschreven, waarbij Provinciale Staten er in een motie bij GS op hebben aangedrongen dat een maximale inspanning wordt geleverd om alle mogelijke en denkbare alternatieven in ogenschouw te nemen. In verband hiermee heeft de Provincie aan K+V organisatie adviesbureau B.V. (hierna: K+V) opdracht gegeven alternatieven voor het project bij Maasbommel te zoeken. Vervolgens hebben GS aan burgemeester en wethouders van West Maas en Waal ingevolge artikel 40 van de WRO (de Nimby-procedure) verzocht ten behoeve van de ontzanding bij Maasbommel een vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening”. 1.32 Op 2 januari 2001 heeft K+V haar rapport uitgebracht. Daarin staat onder meer: In het geval de zandwinlocatie F3b Maasbommel niet doorgaat ontstaat er, ten opzichte van de huidige Gelderse taakstelling (…) een tekort van 15 miljoen ton in de periode tot en met 2008. In voorliggend alternatievenonderzoek is nagegaan of het mogelijk is dit tekort op te vangen. Daarbij is gekeken naar alternatieven binnen acht sporen, waaronder meer import, meer zand uit bestaande winningen, meer gebruik van secundaire bouwstoffen, pilots Ruimte voor Rijntakken en nieuwe taakstellingsafspraken met het Rijk en andere provincies. (…) De onderzochte alternatieven in de acht sporen bieden qua zandvolume op zich voldoende ruimte. Voorzichtig geraamd moeten de alternatieven tot en met 2008 17 miljoen ton kunnen opleveren. In het geval door procedurele problemen of andere vertragingen deze hoeveelheden onverhoopt niet gehaald kan worden, ontstaat er hoogstwaarschijnlijk toch geen voorzieningenprobleem bij de betonindustrie. In de markt, met name via importmogelijkheden vanuit Duitsland en Engeland, is nadrukkelijk ruimte aanwezig om eventuele tegenvallers in de landelijke voorziening op te vangen. De alternatieven met de grootste zandvolumes tot en met 2008 zijn: -meer zand uit bestaande /regionale Gelderse winningen (6-14 miljoen ton) Dit kan op korte termijn in gang worden gezet (….) -meer zand uit andere provincies (…). Noord-Brabant is bereid om ten behoeve van de landelijke voorziening 7 tot 8 miljoen ton extra te vergunnen uit de Kraayenbergse Plassen en deze hoeveelheid te “lenen” aan Gelderland (…). Deze hoeveelheid is op korte termijn (1 à 2 jaar) aanbaggerbaar. -ruimte voor Rijntakken (pilots RVR: 2-5 miljoen ton). Via pilotprojecten “omputten” kan in de periode tot 2008 industriezand worden gewonnen (…) -benutten buitendijkse locaties in de gemeente West Maas en Waal (2-8 miljoen ton). De gemeente is bereid om actief mee te werken aan alternatieven binnen de gemeente met (bij elkaar opgeteld) vergelijkbare zandvolumes als F3b. Met plannen voor de Dreumelse Waard (…), Voornse Gat en Over de Maas-plus heeft de gemeente concrete voorstellen gedaan. De Dreumelse Waard kan als RVR-locatie binnen 6 jaar operationeel zijn. Over de Maas-plus (omputten en koppeling met natuurontwikkeling) en het Voornse Gat vergen waarschijnlijk meer voorbereidingstijd. 1.33 Bij brief aan GS van 11 januari 2001 heeft Watergoed C.V. kritiek geuit op de conclusies uit het rapport van K+V. Voorts heeft Watergoed C.V. in die brief gesteld dat zij met de Provincie in 1996 - nadat de gemeente West Maas en Waal had aangegeven niet mee te willen werken aan een convenant met de Provincie en de ontzanders (zie hiervóór onder 1.12) - heeft afgesproken dat de locatie F3b alleen dan geheel of gedeeltelijk niet in exploitatie zou worden genomen wanneer binnen afzienbare termijn een (deel)alternatief in ontwikkeling zou kunnen worden genomen dat voor de ontzanders naar tijd, kosten en volume neutraal zou zijn (de zogenoemde TGV-criteria) en dat de door K+V aangedragen alternatieven daar niet aan voldoen. 1.34 Op 16 januari 2001 hebben GS op basis van de conclusies en de bevindingen van het rapport van K+V besloten de in gang gezette Nimby-procedure stop te zetten, de gebleken alternatieven verder te ontwikkelen en bij een evaluatie begin 2003 te bezien of met de alternatieven de taakstelling daadwerkelijk kan worden behaald. 1.35 Bij besluit van 6 februari 2001 hebben GS besloten geen vrijstelling ex artikel 40, lid 8 WRO te verlenen voor het realiseren van de ontzanding bij Maasbommel alsmede de door Smals c.s. in verband met die ontzanding gevraagde vergunningen ingevolge onder andere de Woningwet, de Wegenwet en de APV te weigeren. Smals c.s. hebben daartegen bezwaar gemaakt. 1.36 In opdracht van Smals c.s. heeft ingenieursbureau Witteveen+Bos de in het rapport van K+V genoemde alternatieve locaties onderzocht op hun haalbaarheid binnen de taakstellingsperiode. De conclusie van het - op 30 mei 2001 gedateerde - rapport is dat bij het niet doorgaan van de F3b-locatie in de periode tot 2008 een tekort van minimaal 20 à 25,5 miljoen ton industriezand ontstaat. 1.37 Bij uitspraak van 1 juni 2001 heeft de Afdeling de op 29 september 1998 aan Watergoed B.V. verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor het F3b-project vernietigd wegens motiveringsgebreken. 1.38 Bij uitspraak van 18 juli 2001 heeft de Afdeling beslist op de 18 beroepen die tegen de goedkeuring van rechtswege van het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” waren ingediend. Een tiental van deze beroepen is - geheel dan wel gedeeltelijk - gegrond verklaard en in verband daarmee is de goedkeuring van rechtswege ten dele vernietigd en in zoverre aan de betreffende plandelen en planvoorschriften onthouden, met bepaling dat de uitspraak van de Afdeling daarvoor in de plaats treedt. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond verklaard en is de goedkeuring van rechtswege in stand gebleven. Daarmee werd dit bestemmingsplan voor het grootste deel onherroepelijk. 1.39 Ook heeft de Afdeling op 18 juli 2001 beslist op de beroepen die waren ingesteld door burgemeester en wethouders van West Maas en Waal en door 11 anderen tegen de op 12 augustus 1998 door GS bekend gemaakte goedkeuring van rechtswege van het bestemmingsplan “Watergoed”. Deze beroepen zijn niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang, kort gezegd omdat het bestemmingsplan “Watergoed” geen rechtskracht verkrijgt nu het voor dezelfde gronden vastgestelde jongere bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” onherroepelijk is geworden. 1.40 Bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2001 hebben GS, voor een deel in afwijking van het advies van de Commissie bezwaar en beroepschriften, de bezwaren van Smals c.s. tegen het besluit van GS van 6 februari 2001 gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit aldus herroepen dat de “bij dat besluit beoogde rechtsgevolgen ongedaan worden gemaakt” omdat zij niet bevoegd waren tot het nemen van het primaire besluit. Onder meer Smals heeft daartegen beroep ingesteld. 1.41 Op 17 juli 2002 heeft de Afdeling het besluit op bezwaar van GS van 9 oktober 2001 vernietigd en bepaald dat GS een nieuw besluit moeten nemen waarbij zij, zo blijkt uit de overwegingen, inhoudelijk dienen in te gaan op de bezwaren die tegen het primaire besluit van 6 februari 2001 zijn gemaakt. 1.42 Op 10 september 2002 hebben GS wederom beslist op de bezwaren van Smals. Het primaire besluit van 6 februari 2001 is daarbij gehandhaafd. Ook daartegen is beroep ingesteld bij de Afdeling. Het geschil 2.1 Smals c.s. vorderen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, I primair, een verklaring voor recht dat de Provincie toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen die voor haar voortvloeiden uit de overeenkomst die de partijen zijn aangegaan in de periode van september 1993 tot en met februari 1994 en welke wordt belichaamd door de conclusies van het Bestuurlijk Overleg van september 1993 en de Intentieverklaring van februari 1994, in het bijzonder doordat GS hun besluit van 30 juni 1998 tot gedeeltelijke onthouding van goedkeuring van het door de Raad van de gemeente West Maas en Waal vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” niet tijdig aan die gemeente hebben doen toekomen, althans doordat GS in januari 2001 hebben besloten in elk geval tot januari 2003 niet de geëigende bestuurlijke middelen te hanteren teneinde het in exploitatie nemen van het project Watergoed op korte termijn mogelijk te maken, subsidiair een verklaring voor recht dat de Provincie onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld doordat GS hun besluit van 30 juni 1998 niet tijdig aan de gemeente West Maas en Waal hebben doen toekomen, alsmede een verklaring voor recht dat de Provincie ook nu nog onrechtmatig handelt door sinds 16 januari 2001 af te zien van het hanteren van de geëigende bestuurlijke middelen teneinde het in exploitatie nemen van het project Watergoed op korte termijn mogelijk te maken, althans tot januari 2003 af te zien van het hanteren van de geëigende bestuurlijke middelen teneinde het in exploitatie nemen van het project Watergoed op korte termijn mogelijk te maken, meer subsidiair een verklaring voor recht dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld en thans nog handelt door sinds 16 januari 2001 af te zien van het hanteren van de geëigende bestuurlijke middelen teneinde het in exploitatie nemen van het project Watergoed op korte termijn mogelijk te maken, althans tot januari 2003 af te zien van het hanteren van de geëigende bestuurlijke middelen teneinde het in exploitatie nemen van het project Watergoed op korte termijn mogelijk te maken, zonder Smals c.s. tevoren een adequate vergoeding aan te bieden voor de schade die zij daardoor hebben geleden en zullen lijden, II de veroordeling van de Provincie tot vergoeding van alle schade die zij tengevolge van het onder I omschreven handelen en/of nalaten van de Provincie hebben geleden en nog zullen lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van verzuim althans vanaf de dag van het onrechtmatig handelen, althans van de dag der dagvaarding, een en ander met veroordeling van de Provincie in de kosten. 2.2 Smals c.s. stellen daartoe dat zij met de Provincie in 1993/1994 zijn overeengekomen, althans dat zij op basis van door de Provincie bij hen gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen, dat de Provincie zich voor hen zou inspannen de twee grote Gelderse zandwinprojecten in Beuningen en Maasbommel te realiseren. Het beleid dat de Provincie vervolgens tot 16 januari 2001 in dat verband heeft gevoerd, is daarop ook steeds gericht geweest. Door het besluit tot onthouding van goedkeuring van 30 juni 1998 één dag te laat te versturen, waardoor het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” van rechtswege werd goedgekeurd, en daarna de Nimby-procedure, die was gestart om de gevolgen van die goedkeuring terug te draaien, op 16 januari 2001 te staken en vervolgens afstand te nemen van het F3b-project, terwijl daarvoor geen gelijkwaardige alternatieven voorhanden zijn, schiet de Provincie jegens hen toerekenbaar tekort in de nakoming van die inspanningsverplichting, althans handelt zij jegens hen onrechtmatig. In ieder geval heeft zij onrechtmatig gehandeld door haar beleid te wijzigen zonder daarvoor aan de ontzanders een adequate schadevergoeding aan te bieden. Smals c.s. stellen dat zij als gevolg hiervan schade hebben geleden, onder meer bestaande uit: - de kosten van oprichting van een aparte rechtspersoon voor de collectieve exploitatie van F3b (Watergoed B.V.), - de projectkosten, zoals de kosten van planvorming, onderzoek, vergunning-aanvragen en van het vervaardigen van bestekken voor onder andere het verleggen van wegen, kabels en leidingen, - de kosten van verwerving van de te ontzanden gronden, alsmede de kosten van ontwerp en aanleg van de sluis en de kosten van aankoop en beheer van 200 hectare grond, - de extra kosten die gemaakt moeten worden doordat zij als gevolg van het gewijzigde beleid van de Provincie een groot aantal relatief kleine ontzandingslocaties in ontwikkeling zullen moeten brengen in plaats van de beoogde twee grootschalige locaties terwijl juist voor die locaties ook machines waren besteld die nu onbruikbaar zullen zijn, - de gederfde winst welke zij ramen op f 100.000.000,00. 2. De Provincie heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De beoordeling van het geschil 3. Smals c.s. stellen in de eerste plaats dat de Provincie tijdens het overleg dat de partijen in de jaren 1993 en 1994 met elkaar hebben gevoerd, jegens hen toen contractueel een “harde inspanningsverplichting” is aangegaan, kort gezegd inhoudende dat de Provincie zich verbond zich tot het uiterste in te spannen om de twee ontzandingsprojecten bij Maasbommel en Beuningen “in totaliteit aanbaggerbaar te maken”. De Provincie heeft gemotiveerd betwist dat zij toen een contractuele inspanningsverplichting jegens de ontzanders is aangegaan. 4. Vooropgesteld zij dat niet iedere toezegging van de overheid zonder meer een verbintenis uit overeenkomst doet ontstaan (HR 13 februari 1981, NJ 1981, 456). Wanneer evenwel de toezegging in het kader van een vermogensrechtelijke overeenkomst is gedaan, zijn de bepalingen omtrent de nakoming van overeenkomsten uit boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing en moet de toezegging op grond van die overeenkomst worden nagekomen. In dat geval is er dus sprake van een contractuele gebondenheid van de overheid aan de toezegging. Ook kan er, wanneer de toezegging in het kader van de totstandkoming van een vermogensrechtelijke overeenkomst is gedaan, sprake zijn van een precontractuele verhouding op grond waarvan de toezegging gestand moet worden gedaan. In het andere geval – wanneer de toezegging dus niet in verband met (de totstandkoming van) een vermogensrechtelijke overeenkomst is gedaan – moet de toezegging in beginsel eveneens worden nagekomen wanneer daardoor bij de geadresseerde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.