lid 2 Wet op de beroepen
Wet op de beroepen
lid 2 Wet op de beroepen
Wet op de beroepen
Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe-zen. Verdach-te zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijf-fouten voorko-men, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank komt, zoals gezegd, tot een bewezenverklaring van beide feiten. Responderend op het gevoerde verweer moet zij vaststellen dat verdachte zijn cliënt [slachtoffer] wèl in een hulploze toestand heeft gebracht en gelaten. Het staat naar haar oordeel vast dat [slachtoffer] in een psychisch en lichamelijk zorgwekkende toestand verkeerde toen verdachte zijn ‘hulp’ aanbood en het plan gemaakt werd dat [slachtoffer] met verdachte naar [land] zou gaan. Het staat naar het oordeel van de rechtbank eveneens vast dat de toestand van [slachtoffer] kort voordat hij verdween zeer slecht was. De kaart die [slachtoffer] zijn vrouw schreef, de getuigenissen van de buren ([naam]) en van de boeren ([namen]) die hem op maandagavond nog hebben gezien, laten geen ruimte voor twijfel. Het zijn onafhankelijk van elkaar afgelegde en met elkaar consistente getuigenissen. Zij zijn in lijnrechte tegenspraak met de daardoor ongeloofwaardige verklaring van verdachte dat [slachtoffer] het juist goed maakte, het erg naar zijn zin had in [land] en met de aanpak van zijn problemen zo ver was gevorderd dat hij de behandelovereenkomst met recht en reden kon opzeggen. Er is ook sprake van - op zijn minst - voorwaardelijk opzet. Verdachte is bekend geweest met de grote problemen waarmee [slachtoffer] te kampen had en de uitzichtloze situatie waarin deze verkeerde. Verdachte moet ook bekend zijn geweest dat hij, verdachte, een rol op zich nam of daar althans in terecht zou kunnen komen waarvoor hij als generiek agoog volstrekt niet gekwalificeerd was. Verdachtes - in veel opzichten raadselachtige en voor zover reconstueerbaar moeilijk te begrijpen - gedrag nadat [slachtoffer] van of uit ‘[naam]’ was vertrokken laat in elk geval één ding duidelijk zien: dat het verdachte aan de bekommernis die [slachtoffer] behoefde totaal heeft ontbroken. Met de rol die verdachte op zich genomen heeft in het leven van [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat sprake is geweest van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg rechtstreeks betrekking hebbende op [slachtoffer]. Het contract voor hulpverlening en de wijze waarop verdachte verslag deed van deze hulpverlening aan de echtgenote van [slachtoffer] laten ook hier geen ruimte voor twijfel. Uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat verdachte zich ook werkelijk zag als therapeut en zich als zodanig afficheerde. Het is niet aannemelijk dat hij (ook in dat opzicht) is misverstaan door die getuigen. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijs-middelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen. 4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van feit 1: Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens overeenkomst verplicht is, in hulpeloze toestand brengen, en: Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens overeenkomst verplicht is, in hulpeloze toestand laten, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat, nu niet exact duidelijk is of er sprake is geweest van één wilsbesluit van verdachte, er ten aanzien van feit 1 sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. ten aanzien van feit 2: Niet ingeschreven staande in een register, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken, terwijl hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat hij schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 96, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet op de beroepen
. De feiten zijn strafbaar.
. Door zich op voornoemde wijze in te laten met het leven van [slachtoffer] heeft verdachte - terwijl hij niet stond ingeschreven in een register - buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van [slachtoffer] veroorzaakt, terwijl hij ernstige reden had om te vermoeden dat hij schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van [slachtoffer] veroorzaakte. De rechtbank acht uit generaal preventief oogpunt en vanuit het oogpunt van vergelding een, deels onvoorwaardelijke, gevangenisstraf aangewezen. Het lot van [slachtoffer] laat zien hoe belangrijk het is dat uitsluitend erkende, goed geschoolde en naar behoren gekwalificeerde mensen, die daarvoor de verantwoordelijkheid kunnen dragen en daadwerkelijk nemen, zich inlaten met hulpverlening zoals [slachtoffer] nodig had. De wet BIG bewaakt dat en dat moet met kracht worden ondersteund. Op al de genoemde punten is verdachte ernstig te kort geschoten en zulks is naar aan te nemen valt beslist een factor geweest in het ongelukkige lot dat [slachtoffer] is geworden. De vreemde, afhoudende, wijze waarop verdachte zich heeft opgesteld nadat [slachtoffer] eenmaal was verdwenen, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan want dat heeft in de weg gestaan aan een snelle, effectieve, hulpactie die [slachtoffer] misschien nog wel had kunnen redden. Ook uit speciaal preventief oogpunt acht de rechtbank een, deels onvoorwaardelijke, gevangenisstraf op zijn plaats. Verdachte heeft blijkens zijn houding ter terechtzitting geen enkel blijk van inzicht gegeven in zijn foutieve en laakbare handelwijze. De rechtbank acht het daarom geenszins ondenkbaar dat verdachte zich - ondanks het feit dat hij heeft aangegeven niet meer als zogenaamd generiek agoog werkzaam te zijn - in de toekomst wederom op een onverantwoorde wijze zal inlaten met hulpverlening aan mensen die in een soortgelijke positie als [slachtoffer] verkeren. De wijze waarop en de hardnekkigheid waarmee verdachte telkens weer heeft aangegeven hoe hij door getuigen is misverstaan, terwijl die verklaringen met elkaar en met andere feiten op die punten een consistent beeld opleveren, laat eveneens een opstelling zien die het nodig maakt dat verdachte ingescherpt krijgt dat hij niet alleen ver boven zijn kunnen heeft gereikt door zo’n grote verantwoordelijkheid voor [slachtoffer] te nemen, maar ook dat hij daarvoor een onvoldoende stevig ethisch postuur heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aan dit vonnis als bijlage I gehechte lijst, aan de verdachte dienen te worden teruggegeven. 7. De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Straf-recht, alsmede op artikel 102 van de Wet op de beroepen
.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.