ECLI:NL:RBARN:2003:AO0073
Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 105797 / KG ZA 03-714 Datum vonnis: 8 december 2003 Vonnis in kort geding in de zaak van X, wonende te eiseres, procureur en advocaat mr. E. Weijer te Culemborg, tegen Y, wonende te gedaagde, advocaat mr. F.W. Henstra te Utrecht.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk X en Y.
Het verloop van de procedure X heeft Y ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Y heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De advocaat van X en de advocaat van Y hebben de zaak bepleit, laatstgenoemde overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.
Ten slotte is vonnis bepaald.
De vaststaande feiten Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties - alles voor zover niet dan wel onvoldoende weersproken - staat voorshands het volgende vast.
1.1 Partijen hebben vanaf april 2000 tot 24 juni 2003 een affectieve relatie gehad. Vanaf april 2002 woonden partijen samen in de woning van X.
1.2 Tijdens een vakantie in Frankrijk in september 2002 is een hond aan komen lopen op de camping waar partijen verbleven. Nadat partijen was gebleken dat deze hond, door hen Z genoemd, een zwerfhond was, hebben ze hem meegenomen naar hun woning in Nederland.
1.3 Over de dagelijkse verzorging van Z hebben partijen afspraken gemaakt. Vanaf december 2002 is Y met Z diverse gehoorzaamheidscursussen gaan volgen bij de Kynologenclub Culemborg & Omstreken, waarvan de gedragscursussen A en B met goed gevolg zijn afgesloten en gedragscursus C binnenkort met een examen zal worden afgesloten.
1.4 Tijdens een gesprek op 23 juni 2003 heeft Y X gemeld de relatie met haar te willen beëindigen, waarna Y op 24 juni 2003 met al zijn spullen haar woning heeft verlaten. Z is tegelijkertijd met Y meegegaan en verblijft sedertdien bij Y.
1.5 De heer A, dierenarts te Culemborg, heeft op verzoek van Y na onderzoek van Z op 12 november 2003 schriftelijk verklaard dat Z een gezonde hond is. Verder heeft hij verklaard: “Het lijkt mij niet verstandig dat deze bastaard (jacht)hond elke week van adres verandert. Als het niet gaat tussen mensen en deze besluiten uit elkaar te gaan, dan hoeft in mijn ogen de hond hier niet de dupe van te worden. Zeker bij dit type honden is het onverstandig ze tweewekelijks te verhuizen.”
1.6 Op 11 november 2003 heeft de heer B, gedrags-/ervaringsdeskundige voor honden van hondenschool B te W, Z samen met Y geobserveerd. B verklaart onder meer dat Z zowel fysiek als psychisch in zeer goede conditie verkeert en tevens dat het duidelijk is dat Z zich prettig voelt bij zijn eigenaar/geleider. Voorts verklaart B, voor zover relevant: “Een hond is niet zomaar een ding in huis maar een levend wezen dat in staat is tot een volledige bestaansbelevenis, (…).
Van de andere kant is het geen kind dat men kan vertellen dat hij vandaag naar zijn vader moet en morgen naar zijn moeder. Een hond kan dit absoluut niet begrijpen.
Vanuit deze wetenschap is het niet verstandig, honden in het algemeen, maar zeker niet deze hond te onderwerpen aan een bezoekregeling waar hij afwisselend, van de ene week naar de andere, als een soort proefkonijn, in twee competatieve relationele sferen terecht komt.”
De vordering 2.1 X vordert primair, samengevat weergegeven, Y te veroordelen om de hond Z binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis aan haar af te geven, op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert X dat een omgangsregeling wordt vastgesteld zodanig dat Z om de week een week bij haar zal zijn, eveneens op straffe van een dwangsom.
2.2 X legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat zij enig eigenaar is van Z en nimmer aan Y toestemming heeft gegeven om Z mee te nemen. Y houdt Z derhalve zonder recht. X kan als eigenaar Z revindiceren. Subsidiair stelt zij dat zij op het moment van het verbreken van de relatie met Y de enige bezitter was van Z, welk bezit zij heeft verloren doordat Y Z zonder toestemming en op heimelijke wijze heeft weggenomen. Op grond van artikel 3:125 lid 1 en lid 2 BW heeft X recht op terugverkrijging van Z. Meer subsidiair, voor zover wordt aangenomen dat beide partijen eigenaar danwel bezitter van Z zijn, stelt X dat Z aan haar toegescheiden dient te worden op grond van het feit dat zij een beter recht heeft op Z dan Y. Zij stelt een beter recht te hebben omdat zij veel meer tijd en geld aan Z heeft besteed dan Y. Daarnaast is Z erg belangrijk voor haar welzijn.
2.3 Voor zover bepaald mocht worden dat Z niet aan X toegescheiden wordt, vordert X subsidiair te bepalen dat een omgangsregeling, zoals onder 2.1 aangegeven, wordt vastgesteld.
De beoordeling van de vordering 4. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de onbestreden stellingen en standpunten van X.
De beslissing De voorzieningenrechter, recht doende in kort geding, 1. weigert de gevraagde voorzieningen, 2. compenseert de proceskosten tussen partijen met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.M. Goldhoorn in het openbaar uitgesproken op 8 december 2003. de griffier de voorzieningenrechter