Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 107050 / KG ZA 03-810 Datum vonnis: 4 februari 2004 Vonnis in kort geding in de zaak van X, wonende te A, eiser, procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem, advocaat mr. G.D. te Biesebeek te Zwolle, tegen ZUIVEL COÖPERATIE CAMPINA MELKUNIE U.A., gevestigd te Zaltbommel, gedaagde, procureur mr. J.C.N.B. Kaal te Arnhem, advocaten mr. R. Wesseling en W.H. van Hemel, beiden te Amsterdam. Partijen worden hierna aangeduid als X en Campina. Het verloop van de procedure X heeft Campina ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Campina heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaat van X en de advocaten van Campina hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende producties. Ten slotte is vonnis bepaald. De vaststaande feiten 1. X is melkveehouder en als zodanig lid van Campina. De op het bedrijf van X geproduceerde melk wordt door/namens Campina afgenomen tegen betaling van een vastgestelde melkprijs. X en Campina zijn sinds enkele jaren in een juridische strijd verwikkeld over de vraag of Campina gerechtigd is om X voor de van hem af te nemen melk een lagere prijs te betalen -wegens extra transportkosten- in verband met het feit dat X, als een van de thans nog drie van de bij Campina aangesloten 8000 leden, niet in het bezit is van een zogenaamde KKM (afkorting van: Stichting Keten Kwaliteit Melk)-erkenning. X heeft principiële bezwaren tegen deze erkenning en heeft deze daarom tot op heden niet aangevraagd. 2. Bij vonnis in kort geding van de (toenmalige) fgd.-president van deze rechtbank d.d. 24 oktober 2000 zijn de toen door X jegens Campina gevorderde voorzieningen (zie hierna) geweigerd. Dit vonnis is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 4 december 2001 vernietigd. Campina is bij dit arrest -samengevat- (onder meer) veroordeeld om de op het bedrijf van X geproduceerde melk af te (doen) nemen zonder X te verplichten te beschikken over een KKM-erkenning en om aan X voor de door hem aan Campina af te zetten melk een prijs uit te betalen zonder dat daarop een inhouding of korting, verband houdende met het ontbreken van de KKM-erkening, wordt toegepast. Het Gerechtshof heeft daarbij (onder meer) geoordeeld dat de vraag of Campina handelt/heeft gehandeld in strijd met art. 6, eerste lid van de Mededingingswet, voorlopig bevestigend moet worden beantwoord. Naar aanleiding van dit arrest heeft Campina de door haar toegepaste korting/inhouding voorlopig (tot 1 mei 2003) ongedaan gemaakt. 3. De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 september 2003 (hierna het arrest) voormeld arrest van het Gerechtshof te Arnhem vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (alwaar het geding om partijen moverende redenen niet is aangebracht). De Hoge Raad is daarbij (in rechtsoverweging 3.1 van het arrest) uitgegaan van een aantal tussen partijen vaststaande feiten waarvoor in het kader van dit kort geding kan worden verwezen en waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd, met dien verstande dat Campina thans aan de niet over een KKM-erkenning beschikkende melkveehouders ? 0,12 per kg minder betaalt dan aan de melkveehouders die wel zo’n erkenning hebben verkregen. Voorts wordt in dit kort geding uitgegaan van de volgende feiten. 4. Op 3 januari 2002 is door het Productschap Zuivel de “Zuivelverordening 2002, Integrale borging kwaliteit boerderijmelk” (hierna: de Verordening) aangenomen. Voor zover thans van belang bevat deze verordening de navolgende bepalingen: “Artikel 2 een melkveehouder beschikt over een erkenning van zijn melkveehouderijbedrijf afgegeven door een door de voorzitter erkende erkenningsinstantie. Artikel 3 1. Aan de erkenning van een erkenningsinstantie door de voorzitter wordt de voorwaarde verbonden dat de in dit artikel omschreven bepalingen in acht worden genomen. 2. De werkwijze met betrekking tot de erkenning van melkveehouderijbedrijven wordt door de erkenningsinstantie vastgesteld in een door de voorzitter, gehoord het COKZ (Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel: opmerking voorzieningenrechter) goed te keuren reglement. 3. De erkenningsinstantie stelt zich onder toezicht van het COKZ. 4. Onderdeel van het systeem van erkenning is een door de erkenningsinstantie vastgesteld en door de voorzitter goedgekeurd handboek, waarin de maatregelen zijn vermeld die de melkveehouder treft om de naleving van de in artikel 4 bedoelde regelingen te waarborgen. (…) Artikel 13 Ontvangers van boerderijmelk treffen maatregelen ter voorkoming van risico’s voortvloeiende uit de ontvangst van boerderijmelk afkomstig van bedrijven van melkveehouders die niet zijn erkend als bedoeld in artikel 2.” Artikel 16, eerste lid van de Verordening bepaalt dat de hiervoor geciteerde artikelen 2 en 13 in werking treden op een nader door het bestuur van het Productschap Zuivel vast te stellen datum. De verordening is ingevolge de desbetreffende (hierna te noemen) EG-richtlijn gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. 5. Bij besluit van 30 januari 2003 heeft de voorzitter van het Productschap Zuivel de stichting KKM met ingang van 1 februari 2003 erkend als erkenningsinstantie zoals bedoeld in de Verordening. Tevens heeft die voorzitter daarbij het op 15 januari 2003 door genoemde stichting vastgestelde Erkenningsreglement KKM 2002 (zoals bedoeld in de Verordening) goedgekeurd (tot 1 januari 2004), evenals het in de Verordening bedoelde Handboek Keten Kwaliteit Melk. 6. X heeft tegen laatstgenoemde beschikking bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) van 13 juni 2003 is dat verzoek afgewezen omdat, kort gezegd, de belangen van X c.s. niet rechtstreeks bij dat besluit betrokken zijn. X heeft het beroep vervolgens ingetrokken. 7. Bij besluit van 19 februari 2003 heeft het bestuur van het Productschap Zuivel bepaald dat de (onder 4. geciteerde) artikelen 2 en 13 van de Verordening op 1 mei 2003 in werking treden. 8. Vanaf 1 mei 2003 wordt door Campina andermaal een korting/inhouding toegepast op de door haar van X afgenomen melk wegens het ontbreken van een KKM-erkenning en de in verband daarmee door Campina te maken/gemaakte extra transportkosten en de lagere opbrengst van de van X afgenomen melk, omdat deze niet voor menselijke consumptie wordt gebruikt. Deze korting/inhouding bedraagt thans ongeveer ? 0,12 per kg melk. De vorderingen 1. X vordert thans Campina te veroordelen om: a. de door zijn bedrijf geproduceerde melk af te (doen) nemen zonder X te verplichten te beschikken over een certificering zoals bedoeld in de Verordening danwel over een KKM-certificering zoals bedoeld in het Erkenningsreglement Keten Kwaliteit Melk 2002; b. aan X uit te betalen de prijs voor de door hem bij Campina afgezette/af te zetten melk zonder dat daarop een korting of inhouding -in de ruimste zin van het woord- wordt toegepast danwel zonder dat met deze prijs kosten worden verrekend, welke direct of indirect verband houden met het ontbreken van een certificering zoals hiervoor bedoeld, althans zonder een zodanige inhouding, korting of doorberekening van kosten toe te passen waardoor X als het ware wordt gedwongen om zich alsnog neer te leggen bij de eis van certificering; c. zich te onthouden van elke handeling en/of gedraging waardoor X alsnog als het ware wordt gedwongen zich neer te leggen bij de eis van certificering zoals hiervoor bedoeld, een en ander versterkt met een dwangsom; d. de reeds vanaf 1 mei 2003 toegepaste inhouding op de melkprijs, al dan niet toegepast wegens verrekening van kosten, ongedaan te maken en om aan X uit te betalen het bedrag dat gelijk is aan het totaalbedrag dat tot op de dag van betekening van dit vonnis in verband met het ontbreken van een KKM-certificering reeds op de uitbetaling van de melkprijs is ingehouden, te vermeerderen met de wettelijke rente. Campina voert daartegen gemotiveerd verweer. 2. X heeft aan zijn vorderingen een groot aantal stellingen ten grondslag gelegd die door Campina gemotiveerd zijn betwist. In dat verband wordt verwezen naar de door partijen overgelegde pleitnotities waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De beoordeling van de vorderingen 1. Het spoedeisend belang van X bij de gevraagde voorzieningen vloeit genoegzaam voort uit zijn (in de pleitnota van zijn advocaat opgenomen) stellingen. 2. Vast staat dat X niet beschikt over een erkenning zoals bedoeld in (artikel 2 van) de Verordening. Tevens staat vast dat Campina desondanks de op het bedrijf van X geproduceerde melk op dit moment nog steeds afneemt, terwijl niet is gesteld of gebleken dat dit op korte termijn zal veranderen. Dat betekent dat de hiervoor onder 1.a omschreven vordering niet toewijsbaar is. Dat geldt ook voor de onder vordering onder 1.c., nu deze vordering te onbepaald/onvoldoende duidelijk is. 3. De beide resterende vorderingen hebben rechtstreeks betrekking op de in dit kort geding (opnieuw) centraal staande vraag of Campina gerechtigd is aan X (als een van de drie niet-gecertificeerde, bij Campina aangesloten leden) een lagere prijs te betalen vanwege het gescheiden ophalen en verwerken van de door X geproduceerde melk. De huidige situatie verschilt (in elk geval) in zoverre met die ten tijde van het onder de feiten sub 3 aangehaalde arrest van de Hoge Raad dat inmiddels (met ingang van 1 mei 2003) de Verordening in werking is getreden. Ingevolge (artikel 2 van) de Verordening dient een melkveehouder over een door de betrokken erkenningsinstantie afgegeven erkenning van zijn melkveehouderijbedrijf te beschikken. X bezit een dergelijke erkenning niet en weigert om principiële redenen deze aan te vragen. In dat verband betoogt X dat de Verordening onverbindend is en voert daartoe een aantal (in haar pleitnota nader omschreven) argumenten aan, die -voor zover nodig- hierna zullen worden besproken. Campina betwist (op de door haar in haar pleitnota weergegeven gronden) dat de Verordening onverbindend is en ziet in de (artikelen 13 jo. 2 van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.