ECLI:NL:RBARN:2004:AO5417
Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak/rolnummer: 1998/1687 Datum uitspraak: 18 februari 2004 Vonnis in de zaak van X, wonende te A, hierna te noemen: X, eiser bij dagvaarding van 18 augustus 1998, procureur mr. H.M.G. van Lotringen, advocaat mr. I.R.M. Goedings, beiden te Ede, tegen de naamloze vennootschap STERPOLIS SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Arnhem, hierna te noemen: Sterpolis, gedaagde bij genoemde dagvaarding, procureur mr. F.J. Boom, advocaat mr. R.P.H. Elzas, beiden te Arnhem.
Het verloop van de procedure Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 18 juni 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit vonnis is op 15 december 2003 een comparitie van partijen gehouden. Daaraan voorafgaand heeft X bij brief van 4 december 2003 een zevental producties aan de rechtbank en aan de andere partij gezonden. Deze stukken maken deel uit van het dossier. Op de comparitie hebben de partijen een voorwaardelijke regeling in der minne getroffen volgens welke Sterpolis aan X als slotuitkering de tegenwaarde in euro's zou betalen van f 155.000,- met betrekking tot, kort gezegd, alle door X tot 1 januari 2004 geleden schade hoe ook genaamd. X kon binnen 24 uur na de comparitie op de bereikte regeling terugkomen. Dat heeft hij binnen die termijn gedaan. Vervolgens is vonnis bepaald.
De vaststaande feiten 1.1 Er is aanleiding om aan de vaststaande feiten, waarvan in het tussenvonnis van 18 juni 2003 onder 1 tot en met 10 reeds een opsomming is gegeven, het hierna volgende toe te voegen.
1.2 Op de comparitie van 15 september 1999 hebben de partijen de hierna volgende overeenkomst gesloten:
A 1. Zij geven opdracht aan een arbeidsdeskundige om een onderzoekstrajekt uit te zetten en in dat kader een onderzoek te doen naar de mate van arbeidsongeschiktheid van X en zijn eventuele mogelijkheden tot reintegratie in het arbeidsproces in de meest ruime zin. Aan deze vraagstelling kunnen geen erkenningen van partijen worden ontleend.
B Los van de opdracht onder A aan de arbeidsdeskundige spreken partijen met elkaar af dat zij door een arts zullen laten onderzoeken of er sprake is van verergering ten opzichte van de situatie van 17 januari 1995 toen X de vaststellingsovereenkomst tekende. Daarin is bepaald dat van verergering in de toekomst eerst dan wordt gesproken “indien er uitsluitend ten gevolge van onderhavig ongeval sprake is van een stijging van het b.i. percentage van minimaal 7,5 uitgaande van het huidige b.i. percentage van de gehele mens van 31, alvorens het voorbehoud in werking treedt”.
1.3 Op 23 februari 2001 heeft de door partijen aangewezen arbeidsdeskundige B aan de verzekeringsarts C gevraagd te rapporteren over, kort gezegd, de arbeidsmogelijkheden van X.
C heeft daartoe gesproken met X. Ook heeft hij hem lichamelijk onderzocht en de beschikbare medische informatie bestudeerd. In het over dit een en ander door C op 19 maart 2001 uitgebrachte rapport staat o.a.: […] 4.2 Probleemanalyse De heer X ervaart ingrijpende gevolgen van het inmiddels meer dan elf (!) jaar oude ongeval. Er is niet alleen sprake van langzaam toenemende artrose van de rechter heup met als gevolg pijn en bewegingsbeperking die een consequentie is van iedere fractuur door een gewrichtsvlak. Er is echter ook sprake van uitval van meerdere spiergroepen van het boven- en onderbeen. De voet is deels verlamd. Tenslotte heeft hij nog lichte restverschijnselen van de vegetatieve stoornis die hij als complicatie van de fractuur destijds aan de voet heeft doorgemaakt. Dit alles maakt het volkomen verklaarbaar dat de heer X zijn rechter dominante been niet goed kan gebruiken en verklaart met name het uitgesproken slechte loopvermogen en de klachten bij langer staan. De rugklachten en de knieklachten zijn waarschijnlijk het gevolg van overbelasting c.q. onnatuurlijke belasting door compensatie; mogelijk geldt dit ook de heupklachten aan de linker kant. De dossiergegevens noch het functie-onderzoek wijzen op duidelijke artrose aan die kant. Psychische factoren spelen zeker een rol maar dan meer in die zin dat de heer X de moed verloren heeft - onder meer door de uitzichtloze procedure. Van psychische factoren in de zin van overdrijving van zijn beperkingen heb ik niets gemerkt. Wel denk ik dat de heer X gemakkelijker met zijn klachten en beperkingen zal kunnen functioneren als hij uiteindelijk duidelijkheid krijgt en zich hierdoor weer op zijn toekomst kan richten.
4.3 Samenvatting […] Hij kan niet ver lopen, niet lang staan, redelijk fietsen en autorijden, niet heel lang zitten en slecht knielen, hurken en bukken. Onbelast traplopen gaat redelijk, klimmen en klauteren niet.
In de conclusie van zijn rapport is C gedetailleerd ingegaan op de diverse aspecten van de mogelijkheden/beperkingen van X. Daarin staat ten aanzien van het aspect ‘functioneren hele dagen’:
Onder de aangegeven randvoorwaarden kan de heer X mijns inziens hele werkdagen functioneren. Soms zal hij meer klachten hebben en soms minder, maar dat betekent niet dat hij ook niet duurzaam zou kunnen functioneren, met name niet na een gewenningsperiode en als hij er weer plezier in heeft.
Het rapport van C besluit als volgt:
Nader medisch onderzoek is mijns inziens niet nodig. De huidige beperkingen & mogelijkheden van de heer X zijn vanuit medische optiek een volstrekt logisch en aannemelijk gevolg van de ongevalsletsels en ook als zodanig onderkend door de beide rapporterend medisch specialisten inmiddels ruim 7 jaar geleden. Nieuw medisch onderzoek zal niets aan dat inzicht kunnen toevoegen maar de procedure alleen opnieuw vertragen.[…] 1.4 Door de voor X optredende schaderegelaar Weggemans is vervolgens mr. drs. D ingeschakeld. In een op 16 april 2001 uitgebrachte ‘verzekeringsgeneeskundige analyse’ heeft D kritiek geuit op het rapport van C dat wegens formele en materiële gebreken niet zou kunnen dienen als uitgangspunt voor afhandeling van de letselschadezaak. D bepleit een expertise door een revalidatiearts.
1.5 In een brief van 15 mei 2001 is C ingegaan op de kritiek van D. C houdt daarin vast aan zijn eerdere beoordeling en schrijft dat de arbeidsdeskundige ‘daar goed mee uit de voeten kan’.
1.6 Nadat X bleef aandringen op onderzoek door een revalidatie arts en Sterpolis dat niet nodig vond heeft de arbeidsdeskundige B op 30 juni 2001 zijn opdracht teruggegeven. Aan het slot van een daarover op de vermelde datum aan de advocaten van partijen gezonden brief staat:
Sinds het moment van de opdracht, en het punt waarop wij nu staan, is een periode van bijna 2 jaar verstreken. In de tussenliggende periode zijn er geen activiteiten geweest die tot de oplossing van de problemen van betrokkene daadwerkelijk effectief zijn ingezet c.q. hebben geleid. Dat maakt dat de patstelling die kennelijk tussen partijen bestaat, een situatie creëert waar vanuit het onmogelijk is om betrokkene verder te begeleiden dan wel de vraagstelling, zoals verwoord door partijen bij aanvang van de werkzaamheden door ondergetekende, naar eer en geweten te kunnen beantwoorden. De huidige situatie is er een waarbij partijen het apert oneens zijn ten aanzien van de uitgangspunten. Verdere stappen onderzijds zullen dan ook niet bijdragen tot oplossing van de heersende problematiek dan wel de beantwoording van de gestelde vragen. Ik zie mij genoodzaakt de opdracht terug te geven, en leg het dossier af. Ik wens partijen veel wijsheid bij de verdere afhandeling.
1.7 Door Gelder Groep, adviseurs voor opleiding en beroep, is op 19 februari 2002 over X aan Kliq Arbeidsintegratie een rapport van loopbaanonderzoek uitgebracht. In de conclusie daarvan staat o.a.:
Uit de testresultaten blijkt dat de heer X over uitstekende intellectuele capaciteiten op taalkundig en exact terrein beschikt. […] Uit de persoonlijkheidsvragenlijsten blijkt dat de heer X op dit moment weinig vertrouwen in de toekomst heeft en nog moeite heeft om een duidelijke richting te bepalen. Een en ander heeft te maken met de nog lopende juridische procedure n.a.v. het ongeluk, daarnaast speelt mee dat hij weinig kennis en inzicht heeft in beroepen die buiten zijn vakgebied liggen. Het advies is om in het vervolgtraject aandacht te besteden aan het vergroten van zijn kennis en inzicht in beroepen en het werkveld. Wij achten het tevens van belang dat hij zijn sterke kanten en kwaliteiten onder ogen leert zien en leert om datgene te willen wat hij wel kan (i.p.v. te willen wat niet lukt/kan).
1.8 In opdracht van de voor X optredende schaderegelaar Weggemans is door het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) op 30 augustus 2002 een berekening vervaardigd van het verlies van arbeidsvermogen. In deze berekening, met als kapitalisatiedatum 1 januari 2003, is de verschenen en toekomstige schade gesteld op een bedrag van € 484.484,- (f 1.067.663,-). Daarbij is in de situatie zonder ongeval uitgegaan van het loon van een docent met als CAO Kunstzinnige vorming.
1.9 Bij beslissing van 28 maart 2003 van UWV GAK is de WAO uitkering van X per 29 juli 2002 voortgezet op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% tot 29 juli 2007.
Het geschil 2. Er is aanleiding terug te komen op de weergave van het geschil in rechtsoverweging 11 van het tussenvonnis van 18 juni 2003. Daarin zijn toen slechts de door X bij dagvaarding ingestelde vorderingen weergegeven en is, hoewel in de kop van de conclusie van repliek wel een eiswijziging is aangekondigd maar dat niet daadwerkelijk aan het einde van diezelfde conclusie tot een herformulering van de eis heeft geleid, geen rekening gehouden met de schadeposten die overigens bij repliek wel concreet zijn benoemd en behandeld. In het licht van het tussen de partijen gevoerde debat, dat nadrukkelijk mede op deze schadeposten betrekking heeft gehad moet -bij nader inzien- aangenomen worden dat X op de geschetste wijze (die geen schoonheidsprijs verdient) wel zijn eis heeft vermeerderd. In elk geval heeft X het zo wel bedoeld en, belangrijker nog, heeft Sterpolis het zo begrepen en is zij bij dupliek daarop ook ingegaan. Daarbij past dan ook dat de rechtbank daarover een beslissing geeft.
A. Medische kosten € 10.000,-;
B. Reiskosten € 25.000,-;
C. Huishoudelijke hulp € 25.000,-;
D. Verlies van arbeidsvermogen 1 (pensioenopbouw) € 75.000,-;
E. Verlies van arbeidsvermogen 2 (inkomen) € 484.484,-;
F. Verlies van arbeidsvermogen 3 (schnabbelen) € 187.500,-;
G. Zelfwerkzaamheid € 21.460,-;
H. Diversen 1 (bijzondere voorzieningen) € 35.000,-;
I. Diversen 2 (gemis vergoeding ziekenfondspremie) € 10.000,-;
J. Diversen 3 (hogere premie en/of uitsluitingen verzekeringen) € 20.000,-;
K. Diversen 4 (hogere vakantiekosten) € 20.000,-;
L. Wettelijke rente over alle schadeposten vanaf schadedatum;
M. Smartengeld nader in te vullen.
N. Kosten ter voldoening buiten rechte € 3.038,97 (f 6.697,-);
O. Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid € 7.313,68 (f 16.117,24).
De verdere beoordeling van het geschil 5. Zoals reeds in het tussenvonnis van 18 juni 2003 voorop is gesteld diende in deze slepende zaak (waarin het gaat om een ongeval uit 1990 waarover sinds 18 augustus 1998 wordt geprocedeerd) al het mogelijke te worden ondernomen om -alsnog- zo spoedig mogelijk tot daadwerkelijke afwikkeling van de kwestie te komen. De rechtbank heeft daarom mediation gesuggereerd en/of schikkingsoverleg op de comparitie. Beide mogelijkheden zijn door de partijen na het tussenvonnis serieus beproefd maar hebben uiteindelijk niet tot resultaat geleid. Dat zo zijnde rijst de vraag hoe het nu verder moet.
Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de door partijen gemaakte afspraak voort dat zij het daarmee in beginsel verder dan ook moesten doen. Het was derhalve voor partijen niet meer mogelijk om, behoudens klemmende bezwaren, (alsnog) afstand te nemen van een onwelgevallige uitkomst van de uitgebrachte rapportage en verder op zoek te gaan naar een bij de eigen stellingen passende rapportage van een derde.
Dat heeft X echter feitelijk wel gedaan doordat hij na het ten behoeve van B door de verzekeringsarts C uitgebrachte rapport is gaan aandringen op een expertise door een revalidatie arts.
De daarvoor (door de adviseurs van X) gebezigde gronden overtuigen niet tegenover het behoorlijk gemotiveerde en begrijpelijk gestelde rapport van C en hetgeen daartegen is ingebracht wordt in elk geval niet als zodanig klemmend aangemerkt dat X niet meer gebonden zou zijn aan de overeenkomst van 15 september 1999.
Wel moet naar redelijkheid aan de omstandigheid dat Sterpolis pas in een laat stadium -serieus- heeft aangedrongen op onderzoek naar eventuele restcapaciteit van X en dat dan ook eerst op de comparitie van 15 september 1999 heeft geleid tot de toen daarover gemaakte afspraken, het gevolg worden verbonden dat met de restcapaciteit niet eerder dan vanaf oktober 1999 rekening wordt gehouden bij de vaststelling van het verlies van arbeidsvermogen. Of er daadwerkelijk mogelijkheden waren (en zijn) voor X om vervangend werk te krijgen kan nu niet worden uitgemaakt. Daarover had de arbeidsdeskundige B nu juist mede moeten rapporteren. Bij het ontbreken van die rapportage zijn onvoldoende zekere aanknopingspunten beschikbaar om te kunnen oordelen over de door X gestelde schade wegens verlies van arbeidsvermogen gerekend vanaf 1 oktober 1999.
Die afwijking is bij nader inzien nodig omdat de partijen nu eenmaal op 15 september 1999 mede hebben afgesproken door de arbeidsdeskundige te laten beoordelen hoe de arbeids- en inkomenssituatie van X geweest zou zijn, het ongeval weggedacht. Die beoordeling strekt zich ook uit tot de gestelde schade tot 1 januari 2004 zodat de rechtbank, wil zij recht doen aan de overeenkomst tussen de partijen, het rapport van de deskundige op dit punt nodig heeft.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Er is hier geenszins sprake van een vervoerovereenkomst in de zin van artikel 8:80 BW. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van boek 8 BW en meer specifiek de daarin vervatte regeling van de overeenkomst van personenvervoer blijkt dat de wetgever een bedrijfsmatige vervoerovereenkomst met de rechten en verplichtingen tussen de vervoerder en de vervoerde persoon (de reiziger) vandien op het oog heeft gehad. Dat blijkt onder meer uit de verplichtingen van de vervoerder jegens de reiziger en omgekeerd, neergelegd in de artikelen 8:86 t/m 91 BW. Ook de wijze waarop toenmalige onderdelen van het Wetboek van Koophandel, zoals het vervoer over zee, in die artikelen werden opgenomen en de wijze waarop het bij B bepaalde bedrag van f 300.000,-- tot stand is gekomen -namelijk uitgaande van 20 passagiers van een autobus, met een verplichte WA-verzekering van f 6.000.000,-- zoals uit de parlementaire geschiedenis van de invoering van Boek 8 BW blijkt- duiden daarop. In de onderhavige zaak is echter geen sprake van een bedrijfsmatige vervoerovereenkomst in de zin van Boek 8 BW. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.
De beslissing De rechtbank, verwijst de zaak naar de vierde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor uitlating bij akte door de beide partijen zoals in rechtsoverweging 9 is overwogen, waarbij X tevens in de gelegenheid is zich uit te laten naar aanleiding van rechtsoverweging 12 en Sterpolis over rechtsoverweging 15, bepaalt dat beide partijen daarna op een termijn van vier weken nog op elkaars akten kunnen reageren, verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis, houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op woensdag 18 februari 2004.
De griffier: De rechter: