ECLI:NL:RBARN:2004:AQ6817
Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 93248 / HA ZA 02-1730 Datum vonnis: 21 juli 2004 Vonnis in de zaak van 1. de naamloze vennootschap FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V., gevestigd te Amstelveen, 2. de naamloze vennootschap NIEUWE HOLLANDSE LLOYD SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Woerden, 3. de naamloze vennootschap ERASMUS SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Rotterdam, 4. de naamloze vennootschap ROYAL & SUN ALLIANCE SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Rotterdam, 5. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Amsterdam, 6. de naamloze vennootschap HANNOVER INTERNATIONAL INSURANCE (NEDERLAND) N.V., gevestigd te Rotterdam, 7. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Apeldoorn, 8. de vennootschap naar buitenlands recht, LONDON SPECIAL RISKS Ltd., gevestigd te Londen, Groot Brittanië, 9. de commanditaire vennootschap VALLESIA C.V., gevestigd te Drunen, eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, procureur mr. P.C. Plochg, advocaten mrs. T. Roos en P.E. van Dam te Capelle aan den IJssel, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHEEPSWERF GELRIA B.V., gevestigd te Nijmegen, gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in het incident, procureur mr. F.J. Boom, advocaat mr. J. Spiegel te Amsterdam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ALUSTAAL B.V., gevestigd te Huissen, gedaagde sub 2 in de hoofdzaak, procureur mr. J.M. Bosnak, advocaat mr. F.R.A. Schaaf te Den Haag.
Partijen zullen verder worden aangeduid met ‘eisers’, ‘Gelria’ en ‘Alustaal’.
Het verloop van de procedure Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 19 maart 2003 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld: ? een conclusie van repliek tevens akte na comparitie van partijen tevens verzoek ex art. 200 Rv. tot horen van deskundige met producties van de zijde van eisers; ? een conclusie van dupliek met producties van de zijde van Gelria; ? een conclusie van dupliek van de zijde van Alustaal; ? een akte uitlating productie van de zijde van eisers; ? een antwoordakte van de zijde van Gelria.
Ten slotte is vonnis bepaald.
De vaststaande feiten 1.1 Eisers sub 1 t/m 4 zijn casco- en bedrijfsschadeverzekeraars, eisers 5 t/m 8 zijn cascoverzekeraars van het motortankschip ‘Vallesia’, verder ‘het mts Vallesia’. (bouwjaar 1988; lengte 104,27 m.; breedte 11,96 m.; diepgang 3,55 m., tonnage 2.558 ton). Eiseres sub 9 is verzekerde.
1.2 Blijkens uittreksel uit het Kadaster en de Openbare Registers te Rotterdam van 28 november 2003 is Vallesia Beheer B.V., gevestigd te Drunen, de juridische eigenaar van het mts Vallesia. Vallesia Beheer B.V. is de beherend vennoot van eiseres sub 9.
1.3 Het mts Vallesia is een chemicaliëntanker met 8 roestvrijstalen ladingtanks, die aan de buiten- en onderzijde zijn omgeven door luchtkasten. Er zijn 8 ladingtanks en 6 luchtkasten verdeeld over de ladingzone aanwezig. De luchtkasten aan stuurboord- en bakboordzijde zijn door een langsscheeps schot, waarin zich luchtgaten bevinden, van elkaar gescheiden.
1.4 Op 3 maart 2000 is het geladen mts Vallesia aan stuurboordzijde aangevaren, tengevolge waarvan schade aan de huid van het schip is ontstaan.
1.5 Bij brief van 6 maart 2000 heeft expertisebureau Verschoor & Bras B.V., gevestigd te Rotterdam, namens eiseres sub 9 bij verschillende scheepswerven, waaronder Gelria, een offerte aangevraagd voor aan het mts Vallesia tengevolge van de aanvaring te verrichten noodzakelijke reparaties. In deze aanvraag is onder meer opgenomen: “ (...) Schade-omvang De omvang van de schade kan als volgt worden omschreven: (...) Reparatie (...) Deze aanvraagspecificatie is niet volledig en alleen opgesteld met het doel het schip weer in de oorspronkelijke goede toestand te brengen.
De werf dient zich derhalve zelf te overtuigen van de juiste afmetingen en omvang.
Condities
De offerte moet worden ingediend met de tekst zoals vermeld in de bijlage van deze aanvraag.”
1.6 Gelria heeft haar offerte tijdig ingediend bij de in de aanvraag genoemde personen. In deze - ongedateerde - offerte staat onder meer: “Ondergetekende Scheepswerf “Gelria B.V.” te Nijmegen, verklaart hiermede akkoord te gaan met de condities, zoals vermeld in de aanvraag voor offerte van reparaties aan het motortankschip “Vallesia” opgesteld door Verschoor & Bras te Rotterdam.
Wij bieden aan het werk, exclusief de hellingkosten, zoals vermeld in de bij deze aanvraag behorende specificatie, conform de gestelde condities uit te voeren voor de navolgende prijzen: (...)”
1.7 Op 8 maart 2000 is het mts Vallesia aan het einde van de middag op de werf van Gelria aangekomen.
1.8 Op 9 maart 2000 heeft ten kantore van Gelria te Nijmegen in aanwezigheid van onder meer de heer A (schipper van het mts Vallesia) en de heer B van Verschoor & Bras een bespreking plaatsgevonden, waarbij over de offerte van Gelria nader is onderhandeld. Gelria heeft naar aanleiding hiervan haar aanbieding op enige punten gewijzigd. Nadat de heer B van Verschoor & Bras was vertrokken, heeft schipper A het volgende stuk ondertekend: “ (...) Scheepsnaam: “Vallesia”
Opdrachtbevestiging/BTW-verklaring Geachte Hr A, Hierbij bevestigen wij uw schriftelijke/mondelinge opdracht van 9-3 2000 voor het uitvoeren van werkzaamheden/leveranties ten behoeve van bovengenoemd schip/project.
Wellicht ten overvloede wijzen wij u op onze algemene werfvoorwaarden zoals die op de achterzijde zijn vermeld.
Ten behoeve van de Wet op de Omzetbelasting 1965 verklaart u hierbij dat uw schip in internationaal varend verkeer wordt gebezigd in de zin van voornoemde wet.
Uw BTW-nummer is: (...) In afwijking met de algemene voorwaarden is ten aanzien van de betaling met u overeengekomen dat:
Via Overvliet (Hr. C) Indien u, binnen de periode dat het schip zich aan de werf bevindt, redenen heeft om de betalingsovereenkomst te wijzigen, dan zult u ons daarvan onverwijld schriftelijk in kennis stellen. (...) Op al onze leveranties en werkzaamheden zijn de VNSI-bepalingen van toepassing welke staan afgedrukt op de achterzijde.” ( cursieve tekst handgeschreven; Rb.) 1.9 In april 2000 heeft Gelria over bijna de volledige lengte van ladingtank nr. 3 de stuurboord roestvrijstalen zijwand van het mts Vallesia vernieuwd, waarbij het laswerk van de roestvrijstalen ladingtank in opdracht van Gelria in onderaanneming is uitgevoerd door Alustaal. Daaraan voorafgaand had Alustaal op verzoek van Gelria op 10 respectievelijk 13 maart 2000 offertes aan haar uitgebracht ter zake van het verrichten van de in die offertes genoemde werkzaamheden. Beide offertes, die zich bij de stukken bevinden, vermelden de toepasselijkheid van de metaalunievoorwaarden. Bij aan Alustaal gerichte faxbrief van 13 maart 2000 heeft Gelria Alustaal opdracht gegeven ‘voor het repareren van de schade aan het motortankschip Vallesia volgens uw aanbieding van 13-3-2000’.
Na beëindiging van de reparatiewerkzaamheden is het mts Vallesia door classificatiebureau Lloyd’s Register of Shipping goedgekeurd en daarna afgenomen door eiseres sub 9. Bij factuur van 13 april 2000 heeft Gelria de werkzaamheden voor een bedrag van ƒ 226.107,80 - na aftrek van een al eerder in rekening gebracht voorschot van ƒ 100.000,-- aan eiseres sub 9 in rekening gebracht.
1.10 Op 5 november 2001 bemerkte de bemanning van het mts Vallesia tijdens het lossen te Frankfurt (Duitsland) enige roestdruppels bij de bocht van de ontluchting ten behoeve van luchtkast nr. 2 aan stuurboordzijde. Bij ontluchting kon bovendien een zure lucht worden waargenomen. Na verwijdering van het mandeksel bleek een enorme corrosie aanwezig te zijn en de luchtkast nog steeds erg zuur te ruiken. De luchtkast werd daarop diverse keren gespoeld en aan de werf onder druk gebracht, waarna lekkage van een lasverbinding in ladingtank nr. 3 werd vastgesteld.
1.11 Naar aanleiding van deze ontdekking in het mts Vallesia heeft Verschoor & Bras de opdracht van eisers gekregen om de schade aan het mts Vallesia op te nemen en te begroten. Op 9 november 2001 en op latere data hebben Verschoor & Bras en Gelria, vertegenwoordigd door de heer D en door het Werktuig- en Scheepbouwkundig Expertisebureau A.J.J. van den Andel B.V. (hierna: Van den Andel BV) zich met dat doel aan boord van het mts Vallesia begeven. (De verzekeringsmakelaar van) Alustaal heeft van het bijwonen van de expertise afgezien.
1.12 Bij brief van 13 november 2001 heeft Verschoor & Bras namens eisers het volgende aan Gelria bericht: “ (...) Hiermede komen wij terug op onze eerdere contacten en gezamenlijke expertise met de heer D op 9 november jl. bij Breko BV te Papendrecht. Gebleken is dat product vanuit ladingtank nr. 3 kon weglekken naar de omringende luchtkast nr. 2 door een ondichte lasverbinding welke na een schadereparatie vorig jaar april door u is aangebracht.
Op verzoek van onze opdrachtgevers dienen wij u voor alle uit de schade voortkomende kosten aansprakelijk te houden. (...)”
1.13 Van den Andel B.V. heeft hierop namens Gelria bij brief van 20 november 2001 als volgt gereageerd: “(...) Namens partijen betrokken bij Gelria B.V. moeten wij, tot onze spijt, de aansprakelijkheid afwijzen. Dit op basis van de door Gelria B.V. gehanteerde VSNI voorwaarden van toepassing op de door betreffende uitgevoerde reparatie. (...)”.
1.14 In aanvulling op de onder 1.13 genoemde brief heeft Marsh B.V. te Amsterdam, de verzekeringsmakelaar van Gelria, op 14 februari 2002 Overvliet Assurantiemakelaars als volgt bericht: “(...) Bijgaand doen wij u een kopie van de VNSI-voorwaarden aan u toekomen. Op alle werkzaamheden en leveranties van verzekerde zijn de bepalingen van deze voorwaarden van toepassing.
Namens verzekerde en diens verzekeraars kunnen wij u informeren dat aansprakelijkheid niet wordt erkend. Wij verwijzen u hiervoor naar de bepalingen van artikel 12 en 13 van de VNSI-voorwaarden. (...).”
1.15 De artikelen 12 en 13 van de VNSI-voorwaarden bevatten- kort gezegd - een garantietermijn van drie maanden voor herstel van gebreken aan het werk en een exoneratiebeding voor schade. De VNSI-voorwaarden bevinden zich bij de stukken.
1.16 De herstelwerkzaamheden aan het mts Vallesia zijn in de periode van 4 februari 2002 tot en met 22 februari 2002 uitgevoerd door Gerhard Schmitz GmbH te Duisburg voor een bedrag van € 59.860,20.
1.17 In het door de onder 1.11 genoemde partijen gezamenlijk opgestelde expertiserapport van 7 maart 2002 - met daarin de bevindingen van hun onderzoek op het mts Vallesia vanaf 9 november 2001 - verklaren zij, onder meer, als volgt: “(...) Schadeomschrijving De lasverbinding aan de voorzijde van de reparatie in ladingtank nr. 3 tussen stuurboord tankwand en -bodem ondicht waardoor lekkage van product naar luchtkast nr. 2, het staalwerk met name in luchtkast nr. 2 stuurboordzijde zeer ernstig gecorrodeerd, het staalwerk in luchtkast nr. 2 bakboordzijde, met name op de horizontale delen doch in mindere mate dan aan stuurboordzijde, eveneens aangetast door corrosie. (...) Opmerkingen Ten tijde van de expertise was de onder “Schadeomschrijving” gerapporteerde lasverbinding reeds deels gerepareerd (vanuit de ladingtank al uitgeslepen en gelast). In dit verband hebben ondergetekenden de beweerdelijke ondichtheid niet vast kunnen stellen. Gebaseerd op de overige bevindingen achten ondergetekenden het echter aannemelijk dat in de gerefereerde lasverbinding lekkage van product is ontstaan.”
1.18 Door Van den Andel B.V. is op 14 maart 2002 ook een eigen onderzoeksrapport - ten behoeve van Gelria - opgemaakt met daarin onder meer het volgende: “ (...) Investigation (...) During our survey the alleged leaking welding seam on the inside of no. 3 hold starboardside had been grinded out and welded bij repairers. A photograph taken by the yard, after grinding and previous to welding revealed either a slaginclusion or gasinclusion in the welding seam.
Repairs on said welding seam on the outside of no.3 hold, in no.2 space, had not been executed. It was noted that the welding seams did not overlap in way of the existing plating and plating installed during repairs by the insured in April 2000. (...) Cause of damage and conclusion (...) As repairs to the alleged leaking welding seam were ongoing during our inspection we have not actually witnessed the leakage. Based on our findings we are, however, of the opinion that the leakage had originated in the reported welding seam.
It can, however, not be determined when the actual leaking commenced. The tests, in presence of the Lloyd’s surveyor, revealed no anomalies after the repairs effected bij the insured in April 2000. Furthermore the crew of “VALLESIA” did not inspect the void spaces since the last repairs.
We do find it plausible that due to the loading and unloading of the cargotanks possibly in combination with the sagging, hogging and twisting motion of the vessel, stress forces originated in the reported welding seam. In combination with the reported inclusions and the poor finishing of the welds on the outside of the hold leakage was initiated at a given time and continued for an extensive period of time. (...)”
1.19 Eisers hebben bij brief van 19 april 2002 de toepasselijkheid van de VNSI-voorwaarden van de hand gewezen en Gelria gesommeerd in totaal een bedrag € 127.091,35 + P.M., te vermeerden met wettelijke rente sedert 5 november 2001 ter zake van door haar geleden schade te voldoen. Gelria heeft niet aan deze sommatie voldaan.
1.20 Eisers hebben bij brief van 15 juli 2002 Alustaal als onderaannemer van Gelria aansprakelijk gesteld voor het onder 1.19 genoemde bedrag. Alustaal heeft niet op deze brief gereageerd.
1.21 Eisers 1 t/m 8 hebben als cascoverzekeraars krachtens de verzekeringsovereenkomst een bedrag van € 66.767,85 aan hun verzekerde eiseres sub 9 uitgekeerd, alsmede de expertisekosten van € 3.260,60. Voorts hebben zij de kosten van gasvrijcertificaten ad € 280,00 aan eiseres sub 9 voldaan. Eisers sub 1 t/m 8 zijn thans tot een bedrag van € 70.308,45 in de rechten van eiseres sub 9 jegens Gelria en Alustaal gesubrogeerd. Eisers sub 1 t/m 4 hebben als bedrijfsschadeverzekeraars krachtens de verzekeringsovereenkomst een bedrag van € 22.689,00 aan eiseres sub 9 uitgekeerd. Zij zijn thans tot dat bedrag in de rechten van eiseres sub 9 jegens Gelria en Alustaal gesubrogeerd.
1.22 Bij incidenteel vonnis van 5 februari 2003 is aan Gelria toegestaan Alustaal in vrijwaring op te roepen.
Het geschil 2.1 Eisers vorderen, na wijzing van eis, dat de rechtbank
2.2 Eisers voeren daartoe kort samengevat aan dat Gelria op de voet van art. 6:74 jo. art. 6:171 BW aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de door Alustaal in onderaanneming gemaakte fout ter zake van de overeengekomen (las)werkzaamheden aan het mts Vallesia. Alustaal is zelf op de voet van art. 6:162 BW aansprakelijk voor de schade als gevolg van een door haar gemaakte fout ter zake van de laswerkzaamheden. Zij draagt althans op de voet van art. 6:162 jo art. 6:170 BW een risico aansprakelijkheid voor de door haar werknemer(s) gemaakte fout.
3.1 Gelria en Alustaal voeren gemotiveerd verweer.
3.1.1 Als meest verstrekkend verweer voert Gelria - overigens eerst bij dupliek- aan dat eiseres sub 9 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering nu zij niet de eigenaar van het mts Vallesia is, maar Vallesia Beheer B.V..
Gelria stelt zich daarnaast op het standpunt dat zij niet aansprakelijk is voor de door eisers geleden schade. In de eerste plaats niet omdat die aansprakelijkheid is uitgesloten onder de toepasselijke VNSI-voorwaarden. In de tweede plaats niet omdat het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en de gebrekkige lasverbinding ontbreekt. Betwist wordt voorts dat de door haar verrichte reparatiewerkzaamheden de oorzaak vormen van de ondichte lasverbindingen. Verder stelt zij dat eiseres sub 9 medeschuld heeft aan de schade. Ten slotte betwist zij de schadeomvang.
3.1.2 Alustaal betwist onrechtmatig jegens eiseres sub 9 te hebben gehandeld. Zij betwist voorts dat er een lekke lasverbinding is vastgesteld in ladingtank nr. 3 en zij betwist tevens dat er causaal verband bestaat tussen de door haar verrichte laswerkzaamheden en eventueel opgetreden lekkage in het mts Vallesia. De vordering van eisers zal in elk geval afstuiten op de door Alustaal gehanteerde Metaalunievoorwaarden, althans op de VNSI-voorwaarden zoals door Gelria worden gehanteerd. Alustaal betwist voorts de hoogte van de gevorderde schade.
De beoordeling van het geschil niet- ontvankelijkheid?
Volgens eisers (repliek sub 8.2) was vervolgens al op 7 maart 2000 duidelijk dat de door Gelria uitgebrachte offerte het gunstigst was en is reeds op die dag met Gelria overeenstemming bereikt dat de reparatie bij haar zou worden uitgevoerd. Gelria heeft op dit punt bij antwoord (sub 8) erkend dat ‘vallesia (….) de eer heeft gegund aan Gelria om de reparatiewerkzaamheden uit te gaan voeren’. Een en ander rechtvaardigt de conclusie dat er al op 7 maart 2000 tussen eiseres sub 9 en Gelria daadwerkelijk overeenstemming is bereikt over het uitvoeren van de reparatiewerkzaamheden door Gelria op basis van de door haar uitgebrachte offerte en dat toen geen enkele verwijzing naar de toepasselijkheid van de VNSI-voorwaarden heeft plaatsgevonden.
In die opdrachtbevestiging wordt verwezen naar de toepassing van de op de achterzijde afgedrukte VNSI-voorwaarden. Nu die opdrachtbevestiging namens eiseres sub 9 is getekend en vaststaat dat nimmer tegen de toepasselijkheid van de VNSI-voorwaarden door eiseres sub 9 is geprotesteerd terwijl bovendien aangenomen moet worden dat in het handelsverkeer tussen ondernemers toepasselijkverklaring van (de onderhavige) algemene voorwaarden door een werf als Gelria gebruikelijk is en eiseres sub 9 als professionele rederij daarop bedacht diende te zijn, moet de conclusie zijn dat eiseres sub 9 de gelding van de VNSI-voorwaarden alsnog heeft aanvaard gelet op het bepaalde in de artt. 6:231 onder c juncto 6:232 juncto 3:35 BW.
Daaraan doet niet af dat er eerder, op 7 maart 2000, al een overeenkomst was gesloten als onder 6 bedoeld, en evenmin dat er van moet worden uitgegaan dat tijdens de onderhandelingen op 9 maart 2000 niet over de gelding van de algemene voorwaarden van Gelria is gesproken. Evenmin kan de enkele omstandigheid dat de ‘opdrachtbevestiging/BTW-verklaring’ inhoudelijk niets zou toevoegen aan de reparatie-overeenkomst van 7 maart 2000 tot een ander oordeel leiden, wat daarvan overigens ook zij. Het (primaire) beroep van eisers op de niet-toepasselijkheid van de VNSI-voorwaarden treft dus geen doel. Ook het beroep op art. 6:225 lid 3 BW kan, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen, niet slagen.
Daarnaast geldt nog het volgende. Hoewel partijen zich in hun debat niet hebben uitgelaten over de ratio van de relatief korte garantietermijn van drie maanden, valt aan te nemen dat deze is gelegen in het zoveel mogelijk beperken van (onvoorzienbare) risico’s voor de werf. Aannemelijk is dat relatief kleine onvolkomenheden in de uitvoering van reparaties van schepen als de onderhavige tot grote, niet steeds goed voorzienbare, schades kunnen leiden, bijvoorbeeld in de situatie dat - zoals in dit geval - een gedeelte van het werk is uitbesteed aan een derde en/of die onvolkomenheden als gevolg van omstandigheden waarop de werf geen invloed kan uitoefenen eerst na langere tijd worden opgemerkt.
Bovendien zal de werf geen invloed hebben op de wijze waarop na reparatie van het schip gebruik wordt gemaakt en valt niet uit te sluiten dat die wijze van gebruik een rol kan spelen bij het ontstaan van schade ter plaatse van eerdere reparaties. Daarop lijkt het onder 1.18 genoemde rapport van Van den Andel BV (‘cause of damage and conclusion’) te duiden. Het is tegen die achtergrond niet onbegrijpelijk en niet onredelijk dat Gelria die risico’s zo beperkt mogelijk zal willen houden. c. Eisers hebben onweersproken gelaten het betoog van Gelria dat de door haar gesloten verzekering is gebaseerd op de hantering van deze aansprakelijkheidsbeperkingen bij gebreke waarvan verzekering van dit risico voor haar niet of niet onder gelijke voorwaarden mogelijk zal zijn. d. Het gaat om een overeenkomst tussen een rederij (eiseres sub 9) en een werf (Gelria) die behoren tot bedrijfstakken waarin standaardisering van overeenkomsten door algemene voorwaarden met exoneraties een alledaags verschijnsel is (vgl in dat verband HR 31 december 1993, S&S 1994,36); dat zijn professionele partijen die geacht moeten worden over voldoende kennis en ervaring te beschikken met betrekking tot het sluiten van contracten en het hanteren van algemene voorwaarden met aansprakelijkheid beperkende bedingen. Aan dat professionele karakter doet niet af dat bij eiseres sub 9 zes personen in dienst zijn en bij Gelria 54. De vergelijking met het door het Hof Arnhem (22 oktober 2002, NJ 2003, 366) berechte geval gaat reeds daarom niet op omdat in dat geval de wederpartij van de gebruiker volgens het Hof was aan te merken als een kleine, beginnende ondernemer zonder relevante ervaring op het terrein van algemene voorwaarden, hetgeen hier niet kan worden aangenomen. Art. 6:233 aanhef en onder a BW beoogt aan consumenten en kleine ondernemers een bijzondere bescherming te bieden tegen het gebruik van onredelijk bezwarende bedingen in algemene voorwaarden (vgl. HR 14 juni 2002, NJ 2003,112). Gelria en eiseres sub 9 behoren niet tot één van die categorieën. e. Eisers verwijten Gelria ‘inferieur laswerk’ te hebben verricht omdat sprake is van een ondichte lasverbinding aan de voorzijde van de reparatie in ladingtank 3 als gevolg waarvan lekkage is ontstaan. Door eisers is niet gesteld, en daarvan is ook overigens niet gebleken, dat sprake is van opzet of grove schuld van de zijde van Gelria dan wel van de zijde van Alustaal (wier fouten op de voet van art. 6:76 BW aan Gelria worden toegerekend). Maar overigens staat ook geenszins met voldoende zekerheid vast dat sprake was van een ‘evidente fout van de lassers’ zoals eisers stellen. Noch het rapport van Verschoor & Bras, noch het rapport van Van den Andel BV bieden een helder antwoord op de vraag naar de oorzaak van de ondichte lasverbinding, laat staan dat daaruit helder wordt dat slecht laswerk door Gelria/Alustaal daarvan de oorzaak is geweest. Opmerking verdient in dat verband dat volgens het rapport van Van den Andel BV de lekkage zou zijn veroorzaakt door een combinatie van factoren waaronder ‘the poor finishing of the welds on the outside of the hold’, maar een deugdelijke onderbouwing van deze laatste conclusie ontbreekt geheel in dat rapport.
f. Van de gestelde schade is een bedrag van € 92.997,45 aan eiseres sub 9 vergoed door haar verzekeraars, ten belope van welk bedrag zij als gesubrogeerd verzekeraars veroordeling vorderen van gedaagden. Eiseres sub 9 vordert thans nog vergoeding van het eigen risico ad € 34.373,90. In zoverre kan niet worden gezegd dat er sprake is van een wanverhouding tussen de beperking van de aansprakelijkheid en het restant van de schade.
Weliswaar valt uit de tekst van de onder 18 besproken offertes van Alustaal af te leiden dat het laswerk zou moeten voldoen aan door classificatiebureau Lloyd’s Register of Shipping aan te geven normen/voorwaarden maar door eisers is niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid wat die normen en/of voorwaarden precies inhielden, of die normen in overleg met eiseres sub 9 aan Gelria/Alustaal zijn voorgeschreven dan wel of Gelria en/of Alustaal enig overleg met eiseres sub 9 hebben gevoerd over de aan het laswerk te stellen kwaliteitseisen. In zoverre hebben zij derhalve niet aan de op grond van art. 150 Rv op hen rustende stelplicht voldaan, en dat brengt mee dat niet van een op Alustaal rustende bijzondere zorgplicht als hiervoor onder 17 bedoeld kan worden uitgegaan.
Dat voert tot de slotsom dat de op grond van onrechtmatige daad tegen Alustaal ingestelde vordering reeds daarom dient te worden afgewezen. Aan de vraag naar het causaal verband - en daarmee aan de vraag naar de toepasselijkheid van de in de rechtspraak ontwikkelde ‘omkeringsregel’- wordt dan niet toegekomen.
Slot 20. De slotsom moet zijn dat de vorderingen, zowel voor zover deze zijn ingesteld tegen Gelria als tegen Alustaal, dienen te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij dienen eisers de kosten te dragen, zowel in de hoofdzaak als in het incident.
De beslissing De rechtbank, recht doende, in de hoofdzaak wijst de vorderingen van eisers af; veroordeelt eisers in de kosten van de procedure tegen Alustaal, aan de zijde van Alustaal begroot op € 2.460,-- voor verschotten en op € 3.675,-- voor salaris procureur; verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; veroordeelt eisers in de kosten van de procedure tegen Gelria, aan de zijde van Gelria eveneens begroot op € 2.460,-- voor verschotten en op € 3.675,-- voor salaris procureur; in het incident veroordeelt eisers in de kosten van het incident, aan de zijde van Gelria begroot op € 1.225,-- voor salaris procureur.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol, rechter, en uitgesproken in het openbaar op woensdag 21 juli 2004.
De griffier: De rechter: