Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 114372 / KG ZA 04-391 Datum vonnis: 28 juli 2004 Vonnis in kort geding in de zaak van [X], wonende te [A], eiser bij dagvaarding van 21 juni 2004, procureur mr. J.M. Bosnak, advocaat mr. A.Th. de Walle te Utrecht, tegen [Y], wonende te [B], gemeente [C], gedaagde, procureur mr. P. Winkelman. Partijen worden hierna aangeduid als [X] en [Y]. Het verloop van de procedure [X] heeft [Y] ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. [Y] heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. [X] en zijn advocaat en [Y] hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald. De vaststaande feiten 1. [X] is als hoogleraar Veterinaire Anesthesiologie werkzaam bij de faculteit der Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht te Utrecht. 2. In het kader van een aantal door [Y] gevoerde klachtprocedures voor het Veterinair Tuchtcollege en het Veterinair Beroepscollege tegen twee dierenartsen en een dierenarts-assistente, werkzaam in een dierenartsenpraktijk te Zaltbommel, heeft [X] een tweetal schriftelijke verklaringen afgelegd en heeft hij tijdens een van die procedures (op 6 december 2001) als getuige-deskundige een verklaring ter zitting afgelegd. 3. Aanleiding voor voornoemde klachtprocedures was het overlijden op 7 mei 1999 van een hond van [Y] nadat deze in genoemde dierenartsenpraktijk onder narcose een gebitssanering en een kleine operatieve ingreep had ondergaan. 4. De gevoerde tuchtrechtelijke procedures hebben (onder meer) geresulteerd in: - een uitspraak van 18 mei 2000 van het Veterinair Tuchtcollege, waarin de klacht van [Y] ongegrond is verklaard; - een uitspraak in hoger beroep van 26 januari 2001 van het Veterinair Beroepscollege, waarin het beroep van [Y] deels ongegrond is verklaard en deels gegrond is verklaard met terugwijzing naar het Veterinair Tuchtcollege; - een uitspraak van 21 februari 2002 van het Veterinair Tuchtcollege, waarin de op 6 december 2001 door [X] ter zitting afgelegde verklaring is meegenomen en waarin de klacht van [Y] ongegrond is verklaard; - een uitspraak van 28 juli 2003 van het Veterinair Beroepscollege, waarin het beroep van [Y] is verworpen. 5. In het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van november 2003 is in een tweetal artikelen aandacht besteed aan de uitspraak van 28 juli 2003 van het Veterinair Beroepscollege. 6. Op of omstreeks 7 mei 2004 heeft [Y] aan alle dierenartsenpraktijken in Nederland, dan wel een groot deel daarvan, een mailing (d.d. 7 mei 2004) gezonden waarin zij onder meer stelt dat de door [X] voor de veterinaire tuchtrechter afgelegde verklaringen “vals” zijn en dat zij daarvan “aangifte doet”. 7. Ondanks sommatie daartoe heeft [Y] tot op heden geweigerd de door haar verstuurde mailing te rectificeren. Het geschil 1. [X] vordert dat, kort gezegd: a. [Y] op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld aan hem een schriftelijke opgave te verstrekken van alle personen en/of instellingen waaraan zij haar mailing van 7 mei 2004 heeft verzonden; b. [Y] op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld aan alle personen en/of instellingen waaraan zij haar mailing van 7 mei 2004 heeft verzonden een rectificatie te verzenden; c. [Y] bij wijze van voorschot zal worden veroordeeld aan hem te betalen een bedrag van € 10.000,- aan schadevergoeding; d. [Y] zal worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding. 2. [X] legt aan zijn vordering ten grondslag dat, nu [Y] in haar mailing - die aan alle dierenartsenpraktijken in Nederland, dan wel een groot deel daarvan, is verzonden - stelt dat [X] valse verklaringen heeft afgelegd en dat zij daarvan aangifte doet, [Y] ernstig onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Door deze ongefundeerde aantijgingen is [X] in zijn goede naam en faam als hoogleraar en deskundige op het gebied van de veterinaire anesthesiologie aangetast. 3. [Y] voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan. De beoordeling van het geschil 1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [X] en is ook niet door [Y] betwist. 2. [Y] stelt in haar mailing van 7 mei 2004 (onder meer) dat de door [X] voor de veterinaire tuchtrechter afgelegde verklaringen vals zijn. De voorzieningenrechter begrijpt het gestelde aldus dat [Y] van mening is dat de door [X] afgelegde verklaringen opzettelijk in strijd met de kenbare waarheid door hem zijn afgelegd. Dit brengt met zich mee dat het op de weg van [Y] ligt om in het kader van de onderhavige kort geding- procedure aan te tonen dat de door [X] afgelegde verklaringen inderdaad opzettelijk in strijd met de kenbare waarheid zijn afgelegd. 3. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat, gelet op de door beide partijen in het geding gebrachte stukken alsmede hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, [Y] in deze kort geding-procedure niet heeft aangetoond dat de door [X] voor de veterinaire tuchtrechter afgelegde verklaringen opzettelijk in strijd met de kenbare waarheid zijn afgelegd. Door dit wel in een mailing te verkondigen, heeft [Y] onrechtmatig jegens [X] gehandeld. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat [Y] de beschuldiging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.