Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 93063 / HA ZA 02-1699 Datum vonnis: 3 november 2004 Vonnis in de zaak van de maatschap MAATSCHAP HUISARTSENPARKTIJK WAPENVELD, gevestigd te Wapenveld, eiseres, procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek, advocaat mr. M. Bemer te Amsterdam, tegen Uitgesloten aansprakelijkheid ONDERLINGE WAARBORGMIJ ZORGVERZEKERAAR VGZ U.A., gevestigd te Nijmegen, verweerster, procureur mr. J.M.J. Huver, advocaat mr. J.E. Benner te 's-Hertogenbosch. Partijen worden hierna Wapenveld en VGZ genoemd. 7 Het verloop van de procedure 7.1 Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 16 juni 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis zijn de volgende processtukken gewisseld: * een akteverzoek van de zijde van Wapenveld; * een akteverzoek van de zijde van VGZ. Ten slotte is vonnis bepaald. 8 De verdere beoordeling van het geschil 8.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 16 juni 2004, bij welk vonnis zij blijft, de procedure naar de rol verwezen, opdat Wapenveld zich erover kan uitlaten, welke getalsmatige consequenties de beslissing van de rechtbank over de uitleg van artikel 6.4 van de overeenkomst inzake AZC Wapenveld te Heerde heeft. 8.2 Partijen hebben in hun aktes aangegeven dat zij het erover eens zijn dat de beslissing van de rechtbank inhoudt dat VGZ nog € 26.636,94 aan Wapenveld dient te betalen. VGZ heeft in haar laatste akte gesteld dat zij genoemd bedrag reeds heeft betaald. De rechtbank wenst van Wapenveld te vernemen of dat juist is en zal de procedure daartoe naar de rol verwijzen. 8.3 Partijen hebben vonnis gevraagd, omdat zij het niet eens zijn geworden over de vraag of VGZ aan Wapenveld buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten verschuldigd is. Wapenveld stelt zich op het standpunt dat dit zo is. VGZ stelt dat er gezien de beslissing van de rechtbank aanleiding is, primair tot een kostenveroordeling ten laste van Wapenveld en subsidiair tot compensatie van deze kosten. 8.4 De rechtbank overweegt als volgt. Wapenveld heeft in deze procedure hoog ingezet. Zij stelde zich op het standpunt dat de overeenkomst meebracht dat zij aanspraak had op de volledige vergoeding voor de door haar aangeboden, maar niet afgenomen huisartsgeneeskundige zorg over de gehele periode van 1 juni 2001 tot 11 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.