RECHTBANK ARNHEM SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER Parketnummer : 05/089079-04 Datum zitting : 13 oktober 2005 Datum uitspraak : 27 oktober 2005 TEGENSPRAAK In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen naam : [verdachte], gevestigd te : [adres], plaats : [woonplaats] Raadsman: mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen. 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1. verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 t/m 31 juli 2003 in de gemeente Rijnwaarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, aan of nabij de Spijksedijk te Spijk op of in de bodem een of meer bouwstoffen heeft gebruikt, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de regels die bij of krachtens paragraaf 3 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming met betrekking tot het gebruiken van die bouwstof(fen) zijn gesteld, aangezien verdachte als degene die tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voornemens was een bouwstof op of in de bodem te gebruiken, dit voornemen (deels) niet en/of (door geen gebruik te maken van het vastgestelde formulier) niet op de voorgeschreven wijze en/of (door de in bijlage 3 bij voornoemd Bouwstoffenbesluit genoemde gegevens niet te verstrekken) niet volledig heeft gemeld aan het bevoegd gezag; - gedoeld wordt op de in het proces-verbaal als 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 aangeduide partijen (blz. 1008 t/m 1039 van het dossier); artikel 1a Wet op de economische delicten artikel 6/8 Wet bodembescherming artikel 11 Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming 2. verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 t/m 31 maart 2003 in de gemeente Rijnwaarden, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich van afvalstoffen, te weten veegvuil, heeft ontdaan door deze aan of nabij de Spijksedijk te Spijk - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting op of in de bodem te brengen; artikel 1a Wet op de economische delicten 3. verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 t/m 31 maart 2003 in de gemeente Rijnwaarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, grond heeft gebruikt op een wijze of tot een doel strijdig met de in het (bestemmings)plan aan die grond gegeven agrarische bestemming, door een aan of nabij de Spijksedijk te Spijk gelegen perceel -op de kaart bij het bestemmingsplan aangeduid als "agrarisch gebied"- op te hogen met afval (veegvuil), althans met afval verontreinigde grond; artikel 41 Voorschriften bestemmingsplan Buitengebied 1973 van de gemeente Herwen en Aerdt (blz. 1248 t/m 1287 van het proces-verbaal) kaart bij bestemmingsplan (opgenomen op blz. 1302 van het proces-verbaal) 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 13 oktober 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is namens verdachte Th.W.J. [naam], directeur van verdachte, verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van feit 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,= en ten aanzien van feit 3 zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,=. De vertegenwoordiger van verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie De raadsman heeft een aantal formele verweren gevoerd op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Kortweg gezegd stelt de raadsman dat nader onderzocht had moeten worden welke rechtspersoon binnen het concern van verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten. Nu dit is nagelaten is sprake van een willekeurige vervolging wat in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voorts stelt de raadsman dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel nu Dura Vermeer niet wordt vervolgd en verdachte wel. Ten slotte stelt de raadsman, kortweg gezegd, dat er op onjuiste gronden gebruik is gemaakt van dwangmiddelen zoals een bevel tot uitlevering en de inzage van gegevens, dat verdachte – zijnde een rechtspersoon - niet is gewezen op haar recht om te zwijgen en er sprake is van een verkapt bevel tot uitlevering zonder cautie. De rechtbank overweegt als volgt. Van willekeurige vervolging die tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het openbaar ministerie heeft op grond van het opportuniteitsbeginsel de beleidsvrijheid om af te wegen in welke zaken het tot vervolging overgaat. De wijze waarop het openbaar ministerie van die vrijheid gebruik maakt wordt in rechte terughoudend getoetst. In dit geval zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen van willekeurige vervolging aangezien het dossier stukken bevat die lijken te wijzen op een onderscheiden rol van verdachte ten opzichte van de groepsmaatschappijen, terwijl deze rol ook een andere is dan Dura lijkt te hebben gespeeld. De onderscheiden posities wijken relevant van elkaar af. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering komt slechts in uitzonderlijke gevallen voor toepassing in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van haar zaak tekort is gedaan. Het hiervoor overwogene brengt mee dat een onderzoek naar de juistheid van de feitelijke grondslag van het verweer achterwege kan worden gelaten op grond van het in de beslissing tot uitdrukking gebrachte oordeel dat het verweer in verband met wat daartoe is aangevoerd niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat in deze zaak de ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, nog daargelaten dat naar het oordeel van de rechtbank de verweren van de raadsman feitelijke grondslag missen. Voorts heeft de raadsman verdachte ter zitting niets naar voren gebracht over het nadeel dat zou zijn veroorzaakt door een vermeende inbreuk door niet gemotiveerd aan te geven of en in hoeverre de verdachte door de gestelde vormverzuimen daadwerkelijk in haar verdediging is geschaad. De verweren hoeven daarom geen verdere bespreking en zullen daarom worden verworpen. 3. De beslissing inzake het bewijs 3.a. Normadressaat De raadsman heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de haar ten laste gelegde feiten nu zij blijkens de wetsbepalingen niet kan worden aangemerkt als normadressaat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In de delictsomschrijvingen die als zodanig zijn tenlastegelegd is als bestanddeel een bepaalde kwaliteit van de pleger niet opgenomen. Naar de rechtbank begrijpt is de raadsman van verdachte van oordeel dat deze delicten sprake impliciete kwaliteitsdelicten zijn. Nu geen sprake is van een expliciet kwaliteitsdelict, mag in beginsel worden aangenomen dat de norm zich richt tot een ieder en zeker tot een ieder die bij de verboden activiteiten betrokken is. Wat betreft laatstgenoemde betrokkenheid van verdachte bij de strafbare gedragingen overweegt de rechtbank bovendien dat aan verdachte is tenlastegelegd dat zij – in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht – medepleger was van de gepleegde strafbare feiten. Medeplegen van een kwaliteitsdelict wordt in de rechtspraak mogelijk geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de strafbare feiten tenlastegelegd onder 1 en 3. Zo is op de meldingsformulieren en/of aanvraagformulieren voor het toepassen van de bouwstoffen zowel de naam van de Beheersmaatschappij Van [naam] B.V. als de naam van Van [naam] B.V. gebruikt. Verder heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat hij mededirecteur is van de Beheersmaatschappij Van [naam] B.V., onder deze B.V. een vijftal werkmaatschappijen vallen (waaronder verdachte) en hij gerechtigd is om namens al de werkmaatschappijen een verklaring af te leggen. Voorts volgt uit de verklaringen van de getuige P. Baars dat hij weliswaar een staffunctie had, maar wat betreft bevoegdheden niets kon doen zonder de directie. De zeggenschap bij de beheersmaatschappij en de werkmaatschappijen lagen aldus bij de vertegenwoordiger van verdachte waarbij naar het oordeel van de rechtbank de verschillende maatschappijen een toevallige en inwisselbare rol vervulden bij de verboden gedragingen. Hierbij overweegt de rechtbank dat de bedrijfsvoering van verdachte en haar zustermaatschappijen op het terrein Lobith 1 bestond uit het voeren van een afvalstoffeninrichting (waarvan in latere instantie is afgezien) en de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein. Binnen genoemde bedrijfsvoering zijn de strafbare feiten gepleegd. Verder heeft namens verdachte de vertegenwoordiger directe bemoeienis gehad met alle zaken en procedures die noodzakelijk waren om ter plaatse het bedrijventerrein te realiseren. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen. 3.b Feit 2 Ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte veegvuil of andere afvalstoffen buiten de inrichting op de bodem heeft gebracht. Aan verdachte is op 21 november 2000 door Gedeputeerde Staten van Gelderland een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de opslag en be- en verwerken van afvalstoffen en bouwstoffen . Uit het proces-verbaal blijkt dat door verdachte het grootste deel van het veegvuil binnen het terrein van zijn inrichting is gestort. Uit het proces-verbaal wordt niet duidelijk of en in welke mate er door verdachte buiten de inrichting is gestort. Zo wordt door verbalisanten ten aanzien van partij 5 in het proces-verbaal van 4 februari 2003 gesproken over vervuiling op: het bedrijventerrein; het achterterrein van Van [naam]; de oostzijde op het terrein van Van [naam]; achterzijde op het terrein; middenterrein; rijpad vanaf het terrein; en westelijke zijde tussen verhardde bedrijfsterrein en afwateringsslot. In het proces-verbaal van 27 maart 2003 wordt gesproken over: op en nabij bedrijfsterrein;
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.