Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 130090 / HA ZA 05-1431 Datum vonnis: 23 november 2005 Vonnis in de zaak van de advocatenmaatschap ADVOCATENKANTOOR VAN LOTRINGEN, gevestigd en kantoorhoudende te Ede, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, procureur mr. H.M.G. van Lotringen tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, procureur mr. H.A. Schenke De partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Van Lotringen en [gedaagde]. 1. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak en in het incident Na het uitbrengen van de dagvaarding, met vijf producties, zijn de volgende processtukken gewisseld: ? een conclusie van antwoord tevens exceptie van onbevoegdheid, aan de zijde van [gedaagde]; ? een conclusie van antwoord in het incident, aan de zijde van Van Lotringen. Ten slotte is bepaald dat in het incident vonnis wordt gewezen. 2. De vordering in de hoofdzaak 2.1 Van Lotringen vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot: 1. betaling van € 12.074,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2005 tot de dag van volledige betaling, alsmede te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten van € 833,00, 2. betaling van de kosten van de procedure. 2.2 Van Lotringen heeft aangevoerd dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] van december 2002 tot en met februari 2005 diverse juridische werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. [gedaagde] heeft de door Van Lotringen aan haar in rekening gebrachte voorschotnota’s – over de periode december 2002 tot en met 11 juni 2004 – en vervolgnota’s – over de periode juni 2004 tot en met februari 2005 – voldaan. De door Van Lotringen op 11 juni 2004 verzonden factuur, ten bedrage van € 12.074,00, is door [gedaagde] niet betaald. Van Lotringen stelt dat [gedaagde] de verschuldigdheid van de declaratie heeft erkend en dat [gedaagde] met Van Lotringen is overeengekomen dat zij zou betalen wanneer haar financiën dat zouden toelaten. Hoewel [gedaagde] na de levering van de (voormalig echtelijke) woning op 2 mei 2005 over financiële middelen beschikt, is, ondanks diverse aanmaningen door Van Lotringen, betaling uitgebleven. Van Lotringen stelt dat onduidelijk is wat de bezwaren van [gedaagde] zijn tegen de de declaratie. Van Lotringen vordert, naast het bedrag van de factuur van 11 juni 2004 met rente, buitengerechtelijke kosten omdat zij zich sinds 21 februari 2005 voortdurend heeft moeten inspannen om betaling van [gedaagde] te verkrijgen. 3. Het incident 3.1 Voor alle weren vordert [gedaagde] bij incidentele conclusie dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen van Van Lotringen kennis te nemen. Daartoe voert [gedaagde] aan dat het geschil tussen haar en Van Lotringen (uitsluitend) betrekking heeft op de hoogte van de door Van Lotringen aan haar verzonden factuur van 7 oktober 2004 (bedoeld zal zijn de factuur van 11 juni 2004, rechtbank). De declaratie dient daarom te worden begroot door de Raad van Toezicht in het arrondissement Arnhem. [gedaagde] is van mening dat niet inzichtelijk is hoe de in het geding zijnde factuur is totstandgekomen. Zij betwist voorts dat tussen de partijen een betalingsafspraak is gemaakt en stelt dat zij Van Lotringen, onder meer in haar brief van 14 maart 2005, al heeft laten weten dat de declaraties dienden te worden aangepast tot een hoogte die in relatie stond met de kwaliteit van de geleverde diensten. Ook uit de na 14 maart 2005 tussen haar en haar advocaat gevoerde correspondentie blijkt dat [gedaagde] de hoogte van de declaratie betwistte, aldus [gedaagde]. 3.2 Van Lotringen voert gemotiveerd verweer in het incident. Zij stelt zich ten eerste op het standpunt dat [gedaagde] de declaratie heeft erkend. Voorts constateert Van Lotringen dat [gedaagde] niet alleen betoogt dat de in rekening gebrachte bedragen onjuist zijn, maar tevens dat de declaratie moet worden aangepast omdat de advocaat toerekenbaar tekort is gekomen. Nu daarmee sprake is van een ‘gemengde betwisting’ is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het geschil, aldus Van Lotringen. Voor zover [gedaagde] stelt dat de factuur van 11 juni 2004 niet inzichtelijk is, kan Van Lotringen op eenvoudige wijze alsnog inzicht verschaffen in de urenspecificaties. Van Lotringen acht een begrotingsprocedure daarvoor niet nodig. 4. De beoordeling van het incident 4.1 De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat een “verschil van salaris, door den advocaat aan den cliënt berekend” in de zin van artikel 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: de WTBZ) impliceert dat een geschil bestaat over de hoogte van het bedrag van de declaratie. Alleen in dat geval kunnen de artikelen 32 tot en met 40 van de WTBZ worden toegepast. Volgens geldende jurisprudentie is de WTBZ niet van toepassing indien het geschil niet de hoogte van het gedeclareerde bedrag tot onderwerp heeft maar er andere gronden worden aangevoerd waarom niet tot betaling wordt overgegaan. 4.2 [gedaagde] heeft bij conclusie een aantal gronden voor haar niet-betalen aangevoerd, waarbij zij onder meer verwijst naar de brief die zij op 14 maart 2005 aan Van Lotringen zond. Samengevat, zo volgt met name uit de genoemde brief, komen haar bezwaren op het volgende neer. Zij is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.