vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 111958 / HA ZA 04-627 Vonnis van 4 januari 2006 in de zaak van [eiseres], wonende te Steenderen, eiseres bij dagvaarding van 31 maart 2004, procureur mr. J.M. Bosnak, advocaat mr. S.S. Rijpma te Hengelo, - tegen -
(11)5,5 uur huishoudelijke hulp per week à € 99,83 per maand tot de leeftijd van 70 jaar, zodat de rechtbank (niettegenstaande het feit dat de berekening van Pals de kosten huishoudelijke hulp berekent tot de leeftijd van 75 jaar) van die eindleeftijd uitgaat. Tussen de partijen is - naar aanleiding van het arbeidskundig rapport van [betrokkene 2] van 17 maart 2003, waarin het aantal uren huishoudelijk hulp per week op 7 is gesteld - op zichzelf niet in geschil dat [eiseres] 5,5 uur per week huishoudelijke hulp behoeft. De kern van het verweer van gedaagden luidt dat zij recht heeft op een PGB in het kader van de AWBZ, en dat de vordering beperkt dient te blijven tot de leeftijd van 65 jaar omdat aannemelijk is dat [eiseres], het ongeval weggedacht, in haar 65e levensjaar toch wel huishoudelijke hulp zou hebben ingeschakeld. Waarom dit laatste zo zou zijn, wordt door gedaagden niet onderbouwd zodat dit verweer dient te worden gepasseerd. Er zijn geen aanwijzingen die er op duiden dat [eiseres], het ongeval weggedacht, vanaf de leeftijd van 65 jaar toch wel behoefte aan huishoudelijke hulp zou hebben. De rechtbank acht een leeftijd van 70 jaar niet onredelijk en neemt deze daarom tot uitgangspunt. Bij repliek heeft [eiseres] aangevoerd dat zij een PGB heeft aangevraagd bij de gemeente maar dat dit verzoek is afgewezen. Bij dupliek hebben gedaagden de juistheid van dit laatste niet bestreden. Zij hebben volstaan met een herhaling van hun verweer dat [eiseres] aanspraak kan maken op een sociale-verzekeringsuitkering zonder dit verweer ook maar enigszins te onderbouwen hetgeen, gelet op de stelling van [eiseres] dat haar verzoek om een PGB door de gemeente is afgewezen, op haar weg had gelegen. Dat verweer wordt daarom, als onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, gepasseerd. Nu de juistheid van de gevraagde vergoeding van € 99,83 per maand op zichzelf niet is bestreden dient daarvan te worden uitgegaan. Een en ander betekent dat toewijsbaar is de gevorderde vergoeding voor huishoudelijke hulp ad € 90,83 per maand, te berekenen vanaf 4 mei 1991 tot het bereiken van de leeftijd van 70 jaar (26 augustus 2027). smartengeld 4.7 Bij de begroting van smartengeld heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid en mag hij rekening houden met alle omstandigheden van het geval (HR 27 april 2001, NJ 2002, 91). Daarbij dient de rechter in een geval van lichamelijk letsel in het bijzonder te letten op de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor betrokkene (HR 17 november 2000, NJ 2001, 215). Ook moet worden gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegekend, rekening houdend met de sinds die uitspraken opgetreden inflatie. Het geval van [eiseres] wordt gekenmerkt door het feit dat zij in korte tijd - op 8 november 1988 en 4 mei 1991 - tweemaal het slachtoffer is geworden van een autoongeval met whiplashtrauma tot gevolg, waarbij het tweede ongeval een verergering heeft veroorzaakt van het in 1988 opgelopen whiplashtrauma. Zij was toen 30 respectievelijk 33 jaar oud. Dat letsel heeft tot forse lichamelijke beperkingen bij [eiseres] geleid, genoemd in de beperkingenlijst van Hagen. Gelet op dit een en ander, waarvan het resultaat is dat het persoonlijk en beroepsleven van [eiseres] door de gevolgen van twee ongevallen in negatieve zin op een tamelijk vroeg moment in haar leven is veranderd en lettend op de in vergelijkbare gevallen door de Nederlandse rechter toegekende (geïndexeerde) bedragen in die categorie ( Smartengeldgids Update 2004 no's 41 en 42 en Update 2005 no's 41 en 42) zal de rechtbank het smartengeld naar billijkheid bepalen op een bedrag van € 12.500,--. Materiële kosten 4.8 [eiseres] vordert een aantal materiële schadeposten tot het jaar
- Zij stelt allereerst deel te nemen aan sportbeoefening die specifiek is toegesneden op whiplashpatiënten. De daaraan verbanden kosten bedragen per maand € 95,29 Voorts zwemt [eiseres] 1 maal per week in verband met haar letsel. De daaraan verbonden kosten bedragen € 176,97 per jaar. De gedaagden betwisten het causaal verband tussen die kosten en het whiplashletsel. Gegeven die betwisting ligt het in beginsel op de weg van [eiseres] - op wie ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv in beginsel de bewijslast rust - met concrete objectieve gegevens te onderbouwen of die sportbeoefening en dat zwemmen plaatsvinden op grond van een medische indicatie in verband met het whiplashletsel. Zij kan die onderbouwing bij akte na deskundigenbericht geven. De enkele als productie 8 en 9 overgelegde, voorgedrukte, verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5], volstaan in dat verband niet omdat zij niets concreets inhouden over de vraag dat en waarom die sportbeoefening en dat zwemmen plaatsvinden in verband met de whiplash. Ook voor wat betreft de vorderingen ter zake van orthomanuele therapie, Shiatsu- en hydrojetmassage en de nekkraag mag van [eiseres] worden verlangd dat zij in die akte onderbouwt dat daarvoor een medische indicatie bestaat in verband met het whiplashletsel. Sterpolis voert verder nog aan dat het moet gaan om kosten die niet door een sociale of private (ziektekosten) verzekering zijn gedekt. [eiseres] wordt daarom verzocht bij akte na deskundigenbericht aan te geven of de betreffende kosten (geheel of gedeeltelijk) krachtens enige (ziektekosten) verzekering zijn gedekt. Kilometervergoeding 4.9 De rechtbank acht aannemelijk dat [eiseres] als gevolg van de haar overkomen ongevallen, het daaruit voortvloeiende letsel en de in verband daarmee gevoerde procedure(s) reiskosten heeft moeten maken en naar redelijke verwachting tot 2009 nog zal moeten maken in verband met bezoek aan arts(en) en therapeut(en). De rechtbank schat die schade op de voet van art. 6:97 BW op het door [eiseres] opgegeven bedrag van € 113,45 per jaar, te berekenen tot het jaar
- 4.10 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Tussentijds hoger beroep van dit vonnis is uitgesloten. De beslissing De rechtbank, recht doende, verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 1 februari 2006 tot het onder 4.3, laatste zin, genoemde doel. houdt iedere verdere beslissing aan; verstaat dat hoger beroep van dit tussenvonnis slechts mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2006.