RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB 05/4507 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [eiser] wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. P. Wessing, en de Burgemeester van de gemeente Nijmegen, verweerder.
(1992)is het verboden voorwerpen of stoffen in, op, aan of boven de weg aan te brengen, te hebben of achter te laten. Op grond van artikel 2.3.1.5, eerste lid, van de APV beslist de burgemeester in afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. Ingevolge lid 3 van dit artikel kan de burgemeester de vergunning ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen onder meer weigeren op een aantal nader genoemde gronden, zoals ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de nabije omgeving van het terras. De rechtbank stelt op grond van de website van de gemeente Nijmegen vast dat de gemeenteraad van de gemeente Nijmegen de Terrassennotitie 2003 heeft vastgesteld. Omdat dit beleidsstuk niet is vastgesteld door verweerder (die ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is belast met het toezicht op terrassen) maar door een ander bestuursorgaan, kan de Terrassennotitie 2003 niet worden aangemerkt als beleidsregels als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de Awb. Voor een vergelijkbaar geval wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2005 (LJN: AU0111). Daaruit volgt dat verweerder ter motivering van het bestreden besluit niet kan volstaan met een verwijzing naar het te voeren beleid in de Terrassennotitie
- Ingevolge artikel 4:82 van de Awb kan ter motivering van een besluit immers slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel. Vervolgens moet de rechtbank nagaan of er sprake is van een zodanige op dit geval toegespitste afweging van belangen dat het bestreden besluit niettemin stand kan houden. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het bestreden besluit onvoldoende blijk van een zodanige afweging. De vaststelling van verweerder dat uit het onderzoek ter plaatse is gebleken dat het ook mogelijk is om op het betreffende terras parasols te plaatsen, is in dit verband onvoldoende. Met name wordt uit het bestreden besluit niet duidelijk waarom het plaatsen van partytenten op het terras naar de mening van verweerder bezwaarlijk is en aan het plaatsen van parasols de voorkeur moet worden gegeven. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit in onvoldoende mate is gemotiveerd. Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met 7:12, eerste lid, van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
- Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; bepaalt voorts dat de gemeente Nijmegen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 276 aan hem vergoedt. Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 april
- De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Verzonden op: