vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 128693 / HA ZA 05-1188 Vonnis van 1 maart 2006 in de zaak van 1. [eiser], wonende te [woonplaats], 2. [eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [eiser 3], wonende te [woonplaats], 4. [eiser 4], wonende te [woonplaats], 5. [eiser 5], wonende te [woonplaats], eisers, procureur mr. F.J. Boom, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE DIKKENBERG B.V., gevestigd te Bennekom, gemeente Ede, gedaagde, procureur mr. T.J. van Veen. Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en De Dikkenberg genoemd worden. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 november 2005 - het proces-verbaal van comparitie van 16 januari 2006. Ten slotte is vonnis bepaald. De feiten De Dikkenberg houdt zich bezig met de exploitatie van recreatieobjecten. Als zodanig heeft zij recreatiebungalowpark “Landgoed Panaroma” (hierna: het park) in Bennekom ontwikkeld. Het park is gelegen op een gedeelte van het voormalige Kampeercentrum De Dikkenberg en bestaat uit meerdere kavels, die reeds zijn verkocht aan particulieren of daarvoor zijn bestemd. De Dikkenberg is bij de verkoop van de kavels/recreatiewoningen bijgestaan door Verhage Makelaardij o.g. (hierna: Verhage). De Dikkenberg heeft twee statutair bestuurders: T. Brouwer en W. Minnen. Tevens werkzaam in de onderneming is B. Minnen. [eiser 1] c.s. hebben in de periode augustus/september 2001 allen een kavel met een daarop te bouwen recreatiewoning gekocht van De Dikkenberg. [eiser 1] en zijn echtgenote (eisers sub 1 en 2) zijn de eigenaren van de recreatiewoning met huisnummer 71. Deze recreatiewoning heeft NLG 666.200,-- gekost. [betrokkene 2] (eiseres sub 3) is de eigenaresse van de recreatiewoning met nr. 37 en Van Dijk en zijn echtgenote zijn de eigenaren van de recreatiewoning met nr. 39. Onder de gedingstukken bevindt zich een plattegrond van het park d.d. 7 juni 2001 (bijlage bij productie 1 bij dagvaarding, hierna: de plattegrond). Op de plattegrond staat aangegeven hoe de kavels zijn verdeeld en op welke plaats de recreatiewoningen zijn gesitueerd. De plattegrond hing – onder meer – in de modelwoning die was gebouwd ten behoeve van de verkoop van de recreatiewoningen en is voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomsten aan [eiser 1] c.s. getoond. Op de plattegrond staan op één kavel een nog te bouwen recreatiewoning met nr. 75 ingetekend alsmede een opstal, waarin het cijfer 25 staat. Deze opstal was voorheen een houten dienstwoning (hierna: de dienstwoning). Voornoemde kavel en dienstwoning zijn in oktober 2002 door De Dikkenberg verkocht aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), de beheerder van Kampeercentrum De Dikkenberg, en zijn echtgenote. [betrokkene 1] heeft de dienstwoning verbouwd en bewoont deze permanent. De dienstwoning heeft huisnummer 25. Het perceel van [eiser 1] en zijn echtgenote ligt naast de dienstwoning. Van gevel tot gevel bedraagt de afstand tussen de woningen ongeveer 8,5 meter. Tussen het perceel van [betrokkene 2] en de dienstwoning ligt een weg. [betrokkene 2] heeft vanaf het terras van haar recreatiewoning rechtstreeks zicht op de dienstwoning. Tussen haar terras en de dienstwoning ligt ongeveer 30 à 40 meter. De recreatiewoning van Van Dijk en zijn echtgenote ligt rechts naast de recreatiewoning van [betrokkene 2]. Onder de gedingstukken bevindt zich een brief d.d. 27 augustus 2001 van de gemeente Ede aan De Dikkenberg (productie 12, overgelegd ter comparitie van partijen). In deze brief is – voor zover van belang – het volgende opgenomen: “(..) In uw brief van 26 april 2001 verzoekt u ons mee te werken aan een vrijstelling van het bestemmingsplan (..). Deze vrijstelling moet een extra recreatiewoning ter vervanging van de beheerderswoning, plaatselijk bekend [adres], op vakantiecentrum ‘De Dikkenberg’ mogelijk maken. (..) Aangezien de huidige beheerderswoning, [adres], onder het overgangsrecht valt is het mogelijk om via een bouwaanvraag te zorgen voor gedeeltelijke vernieuwing van de beheerderswoning, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van de beheerderswoning tot gevolg heeft. (..) Gezien het bovenstaande blijven wij bij het standpunt om geen medewerking te verlenen aan het vrijstellingsverzoek (..). (..)”. [eiser 1] c.s. hebben in een eerdere procedure voor deze rechtbank De Dikkenberg en [betrokkene 1] gedagvaard. Die zaak is ter griffie ingeschreven onder rolnummer HA ZA 04-1981. Bij vonnis van 27 april 2005 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser 1] c.s. in die procedure afgewezen. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend. Onder meer de dagvaarding en het vonnis behoren tot de gedingstukken in de onderhavige zaak (producties 1 en 2 bij conclusie van antwoord). Het geschil [eiser 1] c.s. hebben gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, 1. voor recht zal verklaren dat het door De Dikkenberg aan [eiser 1] c.s. geleverde niet aan de koopovereenkomsten beantwoordt en gedaagde toerekenbaar tekort geschoten is in haar verplichting uit hoofde van de koopovereenkomsten met [eiser 1] c.s., althans dat de koopovereenkomsten van [eiser 1] c.s. met De Dikkenberg zijn totstandgekomen onder invloed van dwaling op grond van (onjuiste) inlichtingen van De Dikkenberg, althans als gevolg van het geven door De Dikkenberg van een onjuiste voorstelling van zaken; 2. voor recht zal verklaren dat De Dikkenberg schadevergoedingsplichtig is jegens [eiser 1] c.s., althans verplicht is tot vergoeding aan [eiser 1] c.s. van door hen ondervonden nadeel; 3. de hiervoor bedoelde plicht tot vergoeding van schade, althans van nadeel zal begroten voor zover dit (al dan niet op de voet van artikel 6:104 BW) mogelijk is en indien dat de rechtbank – in het in de onderhavige procedure te wijzen (eind)vonnis – niet mogelijk voorkomt, de veroordeling van De Dikkenberg zal uitspreken tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en – in het geval veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat wordt uitgesproken – De Dikkenberg zal veroordelen om aan [eiser 1] c.s. ten titel van voorschot te betalen het op de voet van artikel 6:104 BW te bepalen bedrag van de winst die door De Dikkenberg is genoten, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; 4. De Dikkenberg zal veroordelen om het sub 3 bedoelde bedrag/de sub 3 bedoelde bedragen aan [eiser 1] c.s. te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2003, althans met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; 5. De Dikkenberg zal veroordelen in de proceskosten; 6. zal bepalen dat de sub 3 en 4 bedoelde veroordelingen vatbaat zijn voor directe tenuitvoerlegging. De Dikkenberg heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. De beoordeling [eiser 1] c.s. hebben aan hun vorderingen te grondslag gelegd dat De Dikkenberg, al dan niet bij monde van makelaar Verhage, hun vóór het sluiten van de koopovereenkomst heeft mede gedeeld dat de dienstwoning zou worden gesloopt. [eiser 1] c.s. hebben hierover bij herhaling specifieke vragen gesteld aan De Dikkenberg en/of Verhage en steeds is het antwoord geweest dat de dienstwoning zou worden vervangen door een recreatiewoning. Deze mededeling stemde ook overeen met de situatie zoals die was ingetekend op de plattegrond. Hiervan uitgaande hebben [eiser 1] c.s. hun recreatiewoningen gekocht. Gelet op de mededelingen van De Dikkenberg gingen [eiser 1] c.s. er gerechtvaardigd van uit dat hun uitzicht en directe omgeving, naarmate de realisatie van het park voltooid zou raken, ter plaatse aangepast zou worden aan de aard en opzet van het park en conform de plattegrond. Inmiddels is gebleken dat De Dikkenberg nooit een aanvraag voor een sloop- en bouwvergunning heeft ingediend en voorts dat deze in beginsel zouden zijn verleend indien De Dikkenberg ze wel zou hebben aangevraagd. Vervolgens heeft De Dikkenberg de dienstwoning verkocht aan [betrokkene 1]. Hierdoor kon De Dikkenberg dus ook niet meer beschikken over de desbetreffende kavel. Als gevolg van één en ander beantwoorden de recreatiewoningen van [eiser 1] c.s. niet aan de koopovereenkomsten. De recreatiewoningen hebben niet de eigenschappen van uitzicht en van (het aanzicht van) een directe omgeving die in overeenstemming is met de aard en opzet van het park. De recreatiewoningen zijn gebouwd in boerderijstijl, met luiken en rieten daken. De dienstwoning lijkt hier in het geheel niet op en vormt een dissonant. Zou aan [eiser 1] c.s. niet de mededeling zijn gedaan omtrent de sloop en nieuwbouw op meergenoemd perceel, dan zouden zij niet (onder dezelfde voorwaarden) de koopovereenkomsten hebben gesloten. 4.1.1. [eiser 1] c.s. hebben als gevolg van het voorgaande schade geleden. Deze schade bestaat er uit dat hun recreatiewoningen minder courant zijn geworden en minder waard zijn dan ze zonder de dienstwoning zouden zijn geweest. In het bijzonder voor [eiser 1] c.s geldt hierbij dat hun recreatiewoning zeer dicht op de dienstwoning staat. Indien de dienstwoning zou zijn gesloopt en op het perceel, conform de plattegrond, een recreatiewoning zou zijn gebouwd, zou de afstand tussen die woning en de woning van [eiser 1] c.s. groter zijn geweest. Hierdoor wordt bovendien de privacy van [eiser 1] en zijn echtgenote aangetast. De Dikkenberg is verantwoordelijk voor de door hun geleden schade en zij dienen daarvoor gecompenseerd te worden, aldus nog steeds [eiser 1] c.s. De Dikkenberg heeft primair als verweer gevoerd dat [eiser 1] c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard op grond van artikel 236 Rv. De Dikkenberg heeft daartoe gesteld dat bij de procedure met rolnummer HA ZA 04-1981 dezelfde partijen betrokken waren en dat aan de vordering in die procedure hetzelfde feitencomplex en dezelfde rechtsgrond ten grondslag is gelegd door [eiser 1] c.s. Bij haar vonnis van 27 april 2005 heeft de rechtbank zich definitief uitgesproken over de vraag of het geleverde aan de koopovereenkomsten beantwoordt en of De Dikkenberg toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiser 1] c.s. Het vonnis heeft kracht van gewijsde, zodat de rechtbank in de onderhavige procedure aan de in het eerdere vonnis vervatte beslissingen is gebonden. 4.2.1. Subsidiair heeft De Dikkenberg aangevoerd dat er geen onvoorwaardelijke mededelingen zijn gedaan dat de dienstwoning zou worden gesloopt. Een dergelijke afspraak maakt derhalve ook geen onderdeel uit van de koopovereenkomsten met [eiser 1] c.s. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten met [eiser 1] c.s. had De Dikkenberg wel het voornemen om de dienstwoning te vervangen door een recreatiebungalow. De uitvoering van dat voornemen was afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de afgifte van een sloop- en/of bouwvergunning en de mogelijkheid om elders op het park een nieuwe dienstwoning te bouwen. Toen dit laatste op grond van gemeentelijke regelgeving niet mogelijk bleek te zijn, heeft De Dikkenberg besloten de huidige dienstwoning te handhaven en deze te verkopen aan [betrokkene 1]. Omdat het maximale aantal recreatiewoningen waarvoor bouwvergunning kon worden gekregen reeds was gebouwd, zou afbraak van de dienstwoning bovendien tot gevolg hebben gehad dat het desbetreffende perceel onbebouwd had moeten blijven. 4.2.2. Voorts heeft De Dikkenberg betwist dat de recreatiewoningen niet zouden voldoen aan de koopovereenkomsten. Ten eerste hebben [eiser 1] c.s. op dit punt niet aan hun stelplicht voldaan en ten tweede zijn de recreatiewoningen geschikt voor hun doel: recreatief verblijf. Aan de plattegrond of de verwijzing daarnaar in de koopovereenkomsten kunnen [eiser 1] c.s. geen rechten ontlenen omdat de plattegrond slechts een situatietekening is en De Dikkenberg niet gehouden was (of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.