RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/290 Uitspraakdatum: 7 maart 2007 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X] Limited, [gemachtigde], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst [te P], [gemachtigde], verweerder.
(2002)Ten aanzien van het beroep op een door verweerder tijdens het vooroverleg gewekt vertrouwen omtrent de feitelijke vestigingsplaats alsmede de zakelijkheid van de verrekenprijzen oordeelt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat verweerder tijdens het vooroverleg heeft aangegeven vooraf geen standpunt in te willen nemen over de verrekenprijzen en deze achteraf te willen toetsen. De vestigingsplaats van eiseres is tijdens het vooroverleg in het geheel niet ter sprake gekomen. Gelet op het vorenstaande is, anders dan eiseres meent, van door verweerder gewekt vertrouwen dan ook geen sprake en evenmin van een ondubbelzinnige toezegging of akkoordverklaring met de zienswijze van eiseres en al helemaal niet met de daaraan verbonden gevolgen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve. Ten aanzien van de vestigingsplaats Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient de vestigingsplaats van een lichaam te worden beoordeeld naar de omstandigheden. Hierbij zijn de feitelijke oftewel objectieve omstandigheden doorslaggevend, waarbij alle van belang zijnde omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 23 september 1992, BNB 1993/193, dient bij de beoordeling van de vestigingsplaats van een lichaam in het algemeen ervan te worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam behoort bij zijn bestuur en de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Wanneer echter aannemelijk is dat de werkelijke leiding van het lichaam wordt uitgeoefend door een ander dan het bestuur, kan er aanleiding zijn als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat bij de beoordeling van de plaats waar de werkelijke leiding wordt uitgeoefend, moet worden uitgegaan van de kernactiviteiten die feitelijk worden verricht. Doorslaggevend voor de plaats van feitelijke leiding is vervolgens of de kernactiviteiten door eiseres zelf en onder haar eigen leiding worden uitgeoefend. De omstandigheid dat de concernleiding in algemene zin sturingsbevoegd is – zoals op grond van de aandeelhoudersrelatie en met het oog op de vereiste strategische coördinatie veelal het geval zal zijn – is in dit kader niet relevant. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat het op de weg van eiseres ligt om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat de kernactiviteiten van eiseres niet werden uitgeoefend door het statutaire bestuur, maar plaatsvonden vanuit het kantoor te [Q], China, onder leiding van de heer [B] en mevrouw [C]. Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiseres, gelet op het verhandelde in de stukken en ter zitting, voldoende aannemelijk dat kwaliteitscontrole van de in China geproduceerde producten, het logistiek beheer, de ordertracing, de productontwikkeling, de in- en verkoop en alle andere hiermee direct en indirect samenhangende werkzaamheden – met andere woorden de kernactiviteiten van eiseres – daadwerkelijk werden uitgeoefend door het personeel werkzaam op het kantoor te [Q], China, onder leiding van de heer [B] en mevrouw [C]. De omstandigheid dat de heer [E] enige malen per jaar de vestiging in China bezoekt alsmede vanuit Nederland een vinger aan de pols houdt doet hieraan niet af. Daargelaten het antwoord op de vraag of de rol van de heer [E] is gelegen in zijn positie als aandeelhouder dan wel statutair directeur, is niet gebleken dat hij – anders dan slechts in de hiervoor bedoelde algemene zin – betrokken is bij de kernactiviteiten van eiseres. Gelet op de door de rechtbank geformuleerde uitgangspunten volgt dat eiseres naar de feiten en omstandigheden beoordeeld in China en niet in Nederland is gevestigd. Hieruit volgt dat geen sprake is van belastingplicht in Nederland en dat de onderhavige aanslag moet worden verminderd tot nihil. De overige geschilpunten behoeven derhalve geen verdere bespreking.
- Proceskosten De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot de hoogte van de vergoeding van de kosten dient aansluiting te worden gezocht bij artikel 2, eerste lid, van het Besluit. Vergoeding van kosten vindt ingevolge het Besluit plaats volgens forfaitaire normen. Slechts in bijzondere omstandigheden kan hiervan, ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit, worden afgeweken. Eiseres heeft, gelet op de door verweerder ingenomen standpunten, verzocht haar een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen Uit de parlementaire behandeling van de wet kosten bestuurlijke voorprocedures blijkt dat de wetgever bij bijzondere omstandigheden denkt aan zeer schrijnende gevallen (TK 1999-2000, 27024, nr. 3 blz.7). De door eiseres aangehaalde omstandigheden zijn geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in voormeld artikel. Het staat verweerder vrij een standpunt in te nemen dat niet overeenkomt met het standpunt van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank levert de, hoewel onjuiste, standpuntbepaling van verweerder geen zodanig ernstig onzorgvuldig handelen van verweerder op dat sprake is van een zeer schrijnend geval. Van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit is dan ook geen sprake. De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor van
- Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2001; - vermindert de aanslag vennootschapsbelasting 2002 tot een naar een belastbaar bedrag van nihil; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen; - gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan op 7 maart 2007 en in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter en mr. drs. L.B.M. Klein Tank en mr. I. Linssen, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier. De griffier, De voorzitter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.