RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/3086 Uitspraakdatum: 31 mei 2007 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X], wonende te [Z], eiseres, gemachtigde [A] FB, en de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor [Z], verweerder.
(3)door middel van welke inrichting de onderneming haar werkzaamheden uitoefent. 4.16 De rechtbank is van oordeel dat een bedrijfsinrichting aanwezig is en overweegt daartoe als volgt. Blijkens de toelichting bij artikel 5 van het OESO-modelverdrag, waarvan genoemd artikel 5 gelijk is aan artikel 5 van het Verdrag, is van een bedrijfsinrichting sprake indien de onderneming een gebouw, inrichting, installatie of ruimte gebruikt voor de bedrijfsuitoefening. Daarnaast dient dit gebouw, deze inrichting, deze installatie of deze ruimte de onderneming ter beschikking te staan. Tussen partijen is niet in geschil dat het moederschip voor de onderneming wordt gebruikt. Nu de v.o.f. de eigendom heeft van het moederschip en haar vennoten het grootste deel van het jaar van dit schip gebruik kunnen maken en zij dit ook feitelijk doen, staat zij de v.o.f. bovendien ter beschikking. 4.17 Aan het vereiste dat sprake is van een bedrijfsinrichting wordt dus voldaan. Hier doet niet aan af dat de vennoten voor (een gedeelte van) hun werkzaamheden voor de v.o.f. veelal gebruik maken van mobiele communicatieapparatuur, zoals een mobiele telefoon en een laptop, welke niet alleen op maar ook buiten het moederschip worden gebruikt. Door het gebruik van deze mobiele communicatiemiddelen hoeven er naar het oordeel van de rechtbank geen hoge eisen te worden gesteld aan de inrichting van het moederschip om deze als bedrijfsinrichting aan te merken. Voor andere activiteiten van de v.o.f. zoals flottieljebegeleiding en het instructies geven bij het bareboat zeilen, is het moederschip naar het oordeel van de rechtbank wel specifiek ingericht. 4.18 De bedrijfsinrichting is naar het oordeel van de rechtbank bovendien vast van aard, ondanks de omstandigheid dat het moederschip niet altijd op één vaste plaats aanwezig is. Aan het tweede criterium is derhalve ook voldaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de gedingstukken is gebleken dat het moederschip in de eerste jaren in de haven van [Q]/Griekenland lag en zich in het zeegebied rond dat gebied bewoog. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat reeds bij de aankoop van het moederschip duidelijk was dat het territorium zich in latere jaren zodanig zou uitbreiden naar andere gebieden in en buiten Griekenland dat niet meer kan worden gesproken van een “vaste” bedrijfsinrichting. 4.19 De rechtbank verwijst bovendien naar het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 1954, nr. 11.908, BNB 1954/336 (Circustentarrest), waarin werd overwogen dat onder een vaste inrichting mede werd begrepen “een inrichting, welke, ook al mocht zij verplaatsbaar zijn, geregeld als middelpunt van het door den werkgever hier te lande uitgeoefende bedrijf dient.(…)”. 4.20 De verplaatsbaarheid van het moederschip staat er, gezien de overwegingen van de Hoge Raad dus niet aan in de weg dat het moederschip als vaste inrichting is aan te merken, indien het moederschip duurzaam in en nabij [Q] in Griekenland geregeld als middelpunt van de onderneming wordt gebruikt. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat het moederschip, in de eerste jaren na ingebruikname, vrijwel alleen in deze Griekse wateren heeft gevaren en als middelpunt van de activiteiten heeft gefungeerd. 4.21 Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden van de v.o.f. gedeeltelijk door middel van het moederschip worden uitgeoefend, zodat ook aan het derde criterium is voldaan. 4.22 Uit het voorgaande volgt dat aan alle vereisten voor de aanwezigheid van een vaste inrichting in Griekenland wordt voldaan. 4.23 De rechtbank wijst ten slotte nog op het tweede lid, onderdeel a, van artikel 5 van het Verdrag, waarin is bepaald dat een vaste inrichting in het bijzonder omvat een plaats waar leiding wordt gegeven. Vast staat dat eiseres en haar partner, als vennoten van de v.o.f., gedurende ruim zeven maanden per jaar niet in Nederland doch in Griekenland verblijven. Uit de onder punt
- weergegeven feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de vennoten in deze periode een groot deel van hun activiteiten vanaf het moederschip verrichten. Deze omstandigheden geven derhalve steun aan de opvatting dat het moederschip kan worden aangemerkt als een vaste inrichting. 4.24 Niet gesteld of gebleken is dat één van de uitzonderingssituaties voor het aanwezig zijn van een vaste inrichting, zoals genoemd in artikel 5, vierde lid, van het Verdrag zich voordoet. Niet onderbouwd is dat de v.o.f. slechts ondersteunende werkzaamheden verricht voor de MEPE. 4.25 Gezien het bovenstaande is in de jaren na 2003 sprake van een vaste inrichting in Griekenland. De situatie in de jaren na 2003 was voorts conform de verwachting van de vennoten bij de aanschaf van het moederschip in
- Derhalve was ten tijde van die aanschaf te verwachten dat de ondernemingsactiviteiten met het moederschip in Griekenland in de jaren na 2003 als vaste inrichting zouden zijn aan te merken. 4.26 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het moederschip bestemd is om hoofdzakelijk te worden gebruikt voor het drijven van een (gedeelte van) een onderneming waarop een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. Dit betekent dat het moederschip valt onder de uitgesloten bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 3.45, tweede lid, aanhef, onderdeel b, ten tweede, van de Wet IB 2001 zodat eiseres geen recht heeft op investeringsaftrek en willekeurige afschrijving. Verweerder heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2003 deze faciliteiten derhalve terecht geweigerd. Het gelijk is op dit punt aan verweerder.
- Proceskosten Wat betreft de door eiseres gevraagde proceskosten tijdens de bezwaarfase overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, worden de kosten in de bezwaarfase uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Niet gebleken is dat belanghebbende tijdens de bezwaarfase het daartoe op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb vereiste verzoek heeft ingediend. Reeds hierom ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase. Wat betreft de kosten in de beroepsfase vraagt eiseres om de werkelijke proceskosten. Artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: BPB) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van het forfaitaire tarief af te wijken. Uit de parlementaire behandeling van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures blijkt dat de wetgever bij bijzondere omstandigheden denkt aan zeer schrijnende gevallen (TK 1999-2000, 27 024, nr. 3, blz. 7). Naar het oordeel van de rechtbank levert in het onderhavige geval de gang van zaken, waarbij verweerder in de uitspraak op bezwaar voor het eerst de stelling inneemt dat het moederschip geen bedrijfsmiddel is, geen bijzondere omstandigheid op in de zin van artikel 2, lid 3, van het BPB. Nu van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het BPB geen sprake is, dient voor de in de beroepsfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand derhalve een forfaitaire kostenvergoeding te worden toegekend. Deze kosten zijn op de voet van het BPB voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).
- Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen; - gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 38 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan op 31 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. I. Linssen, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. M.M. Bijker - Veen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier. De griffier, De voorzitter, Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.