RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/4688 Uitspraakdatum: 10 augustus 2007 Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen Maatschap [X], gevestigd te [Z], eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Almelo, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 januari 2006 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [00].F01.6501) omzetbelasting opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2006 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen bij brief van 24 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 25 augustus 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiseres en verweerder hebben nadere stukken ingediend, waarvan over en weer afschriften naar partijen zijn gezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007 te Arnhem. Eiseres is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen J. Potze. Verweerder heeft een exemplaar van zijn pleitnota overgelegd en heeft zijn pleitnota voorgedragen. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. 2.1. Eiseres oefent in de vorm van een maatschap een landbouwbedrijf uit. De maatschap wordt gevormd door de heer [A] en diens echtgenote mevrouw [B]. Het landbouwbedrijf wordt uitgeoefend met toepassing van de zogenoemde landbouwregeling als bedoeld in artikel 27 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB 1968). Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid te opteren als bedoeld in voornoemd artikel 27, zesde lid. Eiseres heeft een mestsilo doen bouwen, terzake is haar € 8.534,07 aan omzetbelasting in rekening gebracht. Deze belasting is niet in aftrek gebracht. De mestsilo is op 5 januari 2005 door eiseres in gebruik genomen. 2.2. In december 2005 zijn door eiseres landbouwgrond, twee bouwkavels, twee vervallen schuren en voornoemde mestsilo verkocht. Bij notariële akte van 20 januari 2006 worden onder meer de bouwkavels en de mestsilo door eiseres aan de koper geleverd. Terzake van de bouwkavels wordt blijkens de akte € 230.000 exclusief omzetbelasting in rekening gebracht. In de akte is opgenomen dat voormeld bedrag van € 230.000 wordt vermeerderd met de terzake verschuldigde omzetbelasting, zijnde € 43.700. Voor de levering van de mestsilo met aanwezige randapparatuur wordt in die akte door eiseres € 38.000 in rekening gebracht. Terzake van die levering is geen omzetbelasting in rekening gebracht. 2.3. Bij brief van 2 maart 2006 heeft eiseres verweerder gemeld dat zij naast de verkoop van landbouwgrond “een mestsilo met 19 % omzetbelasting” heeft verkocht aan de heer [C] te [Q]. Zij gaf daarbij in die brief tevens aan van mening te zijn dat de landbouwregeling niet van toepassing is op die laatste levering. Eiseres verzoekt verweerder bij deze brief een naheffingsaanslag omzetbelasting op te leggen ten bedrage van € 35.583. Dat bedrag is blijkens het gestelde in de brief als volgt opgebouwd: af te dragen omzetbelasting omzet met 19 % € 230.000 zijnde € 43.700 af: voorbelasting € 8.147 verschuldigde omzetbelasting € 35.583. Het bedrag van € 8.147 is het door eiseres becijferde bedrag aan herziening van de voorbelasting terzake van de bouw van de mestsilo. 2.4. Naar aanleiding van voormelde brief heeft verweerder eiseres met dagtekening 14 juli 2006 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 43.700,=. Verweerder neemt in dat kader het standpunt in dat eiseres terzake van de levering van de mestsilo geen omzetbelasting is verschuldigd en dat zij geen recht heeft op de herziening van de aftrek van de terzake van de bouw van de silo in rekening gebrachte omzetbelasting. 3. Geschil In geschil is of eiseres voor de levering van de mestsilo recht heeft op herziening van aftrek van de terzake van de bouw van de mestsilo in rekening gebrachte omzetbelasting. Primair verzoekt eiseres om vermindering van de naheffingsaanslag met € 8.534. Subsidiair verzoekt eiseres de naheffingsaanslag, in overeenstemming met het gestelde in de conclusie van verweerder, te verminderen met € 2.467. Dat laatste bedrag is, zo sprake is van een belaste levering van de mestsilo, het saldo van de terzake van de levering van de mestsilo verschuldigde omzetbelasting minus het bedrag van de herziening van de voorbelasting van de mestsilo. Verweerder heeft ter zitting gesteld, uitgaande van een belaste levering van de mestsilo en herziening van de terzake van de bouw van de mestsilo in rekening gebrachte omzetbelasting, zich in laatstgenoemd bedrag te kunnen vinden. Eiseres beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend en de verweerder ontkennend. Zo het beroep van eiseres ongegrond is, is het bedrag van de naheffingsaanslag niet in geding. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Eiseres brengt naar voren dat er voor de heffing van omzetbelasting terzake van de levering van onroerend goed, zoals de mestsilo, een bijzondere regeling bestaat. Onder omstandigheden is een zogenoemde optie voor belaste levering mogelijk. Zij leidt uit het systeem van de heffing van omzetbelasting af dat zoveel mogelijk stapeling van BTW in de productiekolom moet worden vermeden. Verder geeft zij aan dat van de zijde van de verweerder het standpunt is ingenomen dat eiseres, toepassende de landbouwregeling, voor de mestsilo niet kan opteren voor een belaste levering en aldus geen recht heeft op herziening van de voorbelasting. Dat standpunt verdraagt zich, aldus eiseres, niet met de wettelijke regels in samenhang met het bepaalde in de artikelen 20 en 25 van de Zesde richtlijn. Zij stelt dat de landbouwer in de Nederlandse regeling, anders dan de Zesde richtlijn, geen belasting is verschuldigd naar een bepaald forfaitair percentage. Hiervan uitgaande geldt voor de landbouwer die de landbouwregeling toepast de normale regeling. 4.2. Eiseres verwijst in dit kader naar de achtergrond van de regeling voor landbouwers. Zij stelt dat de Zesde richtlijn lidstaten de mogelijkheid geeft een regeling te treffen voor landbouwproducenten indien de toepassing van de normale regeling op moeilijkheden stuit. De moeilijkheden voorheen zouden, naar zij stelt, van andere orde zijn dan die zich tegenwoordig voordoen. Eiseres zou aan de ene kant wel landbouwproducent zijn, maar zich overigens niet van andere ondernemers onderscheiden. Zij ondervindt echter een nadeel doordat de voorbelasting niet verrekenbaar is, terwijl dat wel het geval is bij de “gewone” dan wel “opterende (landbouw)” ondernemer. Binnen de grenzen van de redelijkheid moet worden vermeden dat bij de afnemer van de mestsilo een situatie ontstaat van berekening van btw over btw. Macro-economische berekeningen inzake de forfaitaire aftrek van belasting doen daaraan niet af. 4.3. De basis van de zogenoemde landbouwregeling van artikel 27 van de Wet OB 1968 is neergelegd in artikel 25 van de Zesde richtlijn. In dat artikel 25 is onder meer het volgende bepaald: 1. De Lid-Staten kunnen ten aanzien van landbouwproducenten voor wie de toepassing van de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde of, in voorkomend geval, van de vereenvoudigde regeling van artikel 24, op moeilijkheden zou stuiten, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, een forfaitaire regeling toepassen ter compensatie van de belasting over de toegevoegde waarde, welke is betaald over de aankopen van goederen en diensten van de forfaitair belaste landbouwers. 3. De Lid-Staten stellen, voor zover nodig, forfaitaire compensatiepercentages vast en brengen deze, voor zij in toepassing worden gebracht, ter kennis van de Commissie. Deze percentages worden bepaald aan de hand van de macro-economische gegevens over de laatste drie jaar betreffende uitsluitend de forfaitair belaste landbouwers. Zij mogen niet tot gevolg hebben dat aan de forfaitair belaste landbouwers gezamenlijk bedragen worden terugbetaald die hoger zijn dan de voordruk aan belasting over de toegevoegde waarde. (…) 5. De in lid 3 bedoelde forfaitaire percentages worden toegepast op de prijs, exclusief belasting: a. van de landbouwprodukten die de forfaitair belaste landbouwers hebben geleverd aan andere belastingplichtigen dan die welke in het binnenland onder de forfaitaire regeling van dit artikel vallen; (…). 6. Voor de in lid 5 bedoelde leveringen van landbouwprodukten en diensten bepalen de Lid-Staten dat de betaling van de forfaitaire compensaties geschiedt: a. hetzij door de koper van de goederen of de ontvanger van de diensten (…) b. hetzij door de overheid. 4.4. Gezien het bepaalde in artikel 27 van de Wet OB 1968 blijven landbouwers enz. voor onder meer leveringen van goederen vermeld in Tabel I, onderdeel a, behorende bij voornoemde wet, welke zij in hun hoedanigheid hebben voortgebracht of geteeld, buiten de heffing. De afnemers van voornoemde landbouwers hebben recht op aftrek van belasting naar een percentage van 5,1 van het aan hen voor de leveringen in rekening gebrachte bedrag. Bij de invoering van de Wet OB 1968 is terzake onder meer het volgende opgemerkt: -Tevens heeft een rol gespeeld dat de in andere lid-staten kennelijk niet te vermijden bijzondere behandeling van de landbouw de mogelijkheid in zich zou bergen, dat de verhoudingen in deze sector ten nadele van de Nederlandse landbouw zouden worden verstoord, ingeval de landbouw in Nederland op normale wijze aan de heffing zou zijn onderworpen. (…) Naar schatting zouden bij de voorgestelde tarieven zo goed als alle landbouwers onder de kleine ondernemersregeling vallen, indien geen speciale landbouwregeling bestond. In zodanig geval zouden zij overigens praktisch een aan de eisen van de op de BTW afgestemde boekhouding moeten voeren, anders zouden zij de belasting niet afzonderlijk in rekening mogen brengen. De landbouwregeling nu voorkomt, dat de landbouwer aan bedoelde administratieve eisen behoeft te voldoen.(Kamerstukken II, 9324, MvA, blz. 40
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.