vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 161243 / KG ZA 07-617 Vonnis in kort geding van 8 november 2007 in de zaak van COÖPERATIEVE RABOBANK "DODEWAARD" B.A. IN LIQUIDATIE, gevestigd te Opheusden, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident tot tussenkomst, procureur mr. M.A. Oostendorp te Arnhem, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE MEERMAN B.V., statutair gevestigd te Beek en Donk, kantoorhoudende te Veghel, gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident tot tussenkomst, procureur mr. P.M. Wilmink te Arnhem, advocaat mr. P.W.H. Stassen te Eindhoven, waarin heeft gevorderd als tussenkomende partij te worden toegelaten de besloten vennootschap G.H.W.M. DE SWART BEHEER B.V., gevestigd te Millingen aan de Rijn, eiseres in het incident tot tussenkomst, procureur mr. P.M. Wilmink te Arnhem, advocaat mr. M.A.J. Kemps te Eindhoven. Partijen zullen hierna Rabobank Dodewaard, De Meerman en De Swart Beheer genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met bijbehorende producties - de mondelinge behandeling - de pleitnota van Rabobank Dodewaard - de pleitnota van De Meerman B.V. met bijbehorende producties - de incidentele vordering tot tussenkomst van De Swart Beheer - de pleitnota van De Swart Beheer met bijbehorende producties 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De incidentele vordering tot tussenkomst Nu De Swart Beheer als eigenaresse van de onroerende zaken waarop de onderhavige scheepswerf wordt geëxploiteerd, een rechtstreeks in rechte te erkennen belang heeft bij tussenkomst in dit kort geding en dit belang tevens voldoende spoedeisend wordt geacht, zal de vordering worden toegewezen. Rabobank Dodewaard heeft zich ten aanzien van die vordering ook gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter, terwijl De Meerman zich niet heeft verzet tegen de verzochte tussenkomst. Dat brengt mee dat de kosten van dit incident voor rekening van De Swart Beheer dienen te blijven. 3. De feiten in de hoofdzaak en in de zaak tot tussenkomst 3.1. Blijkens door Rabobank Dodewaard als productie 13 overgelegde uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel Rivierenland (onder nr. 11019045), gedateerd 22 oktober 2007, is op 28 augustus 1985 opgericht de besloten vennootschap Millingen Marine Contractors, gevestigd te Millingen aan de Rijn. Bij notariële akte van 20 oktober 1986 is de naam van deze vennootschap gewijzigd in ‘Scheepswerf Hendriks Dodewaard B.V.’. Bij notariële akte van 26 juni 1987 is door/namens deze vennootschap een hypotheekrecht - een zogenaamde bankhypotheek - gevestigd op de onroerende zaken van de door haar geëxploiteerde scheepswerf ten behoeve van (onder andere) Rabobank Dodewaard (toen nog Coöperatieve Raiffeisenbank “Dodewaard” B.A. genaamd). Op 15 maart 1989 is de naam van deze vennootschap andermaal gewijzigd, en wel in ‘G.H.W.M. de Swart Holding B.V.’, waarbij de activa zijn overgedragen aan de nieuw opgerichte dochtervennootschap met de naam ‘Scheepswerf Hendriks Dodewaard B.V.’ [Kamer van Koophandel (K.v.K.) nr. 21236], gevestigd te Dodewaard. Deze dochteronderneming heeft op haar beurt haar naam op 29 oktober 1990 gewijzigd in ‘G. de Swart Scheepsbouw Dodewaard’ en is op 2 maart 1994 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. N.L.J.M. Rijssenbeek tot curator. 3.2. Op enig moment zijn de activa van de hiervoor genoemde vennootschap ‘Scheepswerf Hendriks Dodewaard B.V.’ (K.v.K. nr. 21236) overgedragen aan ‘Scheepswerf Dodewaard B.V. (K.v.K. nr. 11027649). Laatstgenoemde vennootschap heeft samen met De Swart Beheer en De Swart Holding B.V. op 26 juni 2002 van Rabobank Betuwe U.A. (hierna onder genoemd) ter zake van een geldlening en een krediet in rekening-courant in totaal een bedrag van € 450.000,-- ontvangen. Scheepswerf Dodewaard B.V. (K.v.K. nr. 11027649) is bij vonnis van 20 augustus 2003 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. W. Aerts tot curator. De activa van deze failliete vennootschap zijn (kennelijk) op enig moment gekocht door Scheepswerf Dodewaard B.V. (K.v.K. nr. 09068210), die thans kennelijk de scheepswerf exploiteert en waarvan G.H.W.M. de Swart bestuurder en enig aandeelhouder is. Bij vonnis in kort geding van 1 oktober 2003 gewezen door de voorzieningenrechter in deze rechtbank tussen de curator in het faillissement van scheepswerf Dodewaard B.V. (K.v.K. nr. 09068210) - hierna ook wel de scheepswerf te noemen - en (onder meer) G.H.W.M. de Swart en De Swart Holding B.V. is (onder rechtsoverweging 15) onder meer beslist dat de scheepswerf en niet De Swart Holding B.V. (als eigenares van de onroerende zaken van de scheepswerf) eigenares van die goederen was. Op 13 mei 2005 heeft De Swart Holding B.V. de eigendom van de onroerende zaken van de scheepswerf overgedragen aan De Swart Beheer. 3.3. Rabobank Dodewaard is op 1 oktober 1995 gefuseerd met de Coöperatieve Rabobank Kesteren-Opheusden B.A. (na een statutenwijziging Coöperatieve Rabobank Rijnlingewaal U.A. genaamd). Daarbij zijn alle activa en passiva - met uitzondering van zekerheden die een algemeen karakter kennen (waaronder de onder 3.1. genoemde bankhypotheek) - aan laatstgenoemde bank overgedragen. Tevens is in het kader van die fusie bij notariële akte van 29 september 1995 tussen beide banken een garantie-overeenkomst gesloten, op grond waarvan Rabobank Dodewaard zich jegens Rabobank Kesteren-Opheusden/Rijnlingewaal U.A. garant stelt voor de nakoming van al hetgeen laatstgenoemde bank van voormalige cliënten van Rabobank Dodewaard te vorderen heeft voor zover voor de nakoming van die verplichtingen aan Rabobank Dodewaard zekerheid met een algemeen karakter is verstrekt. Daarbij is voorts overeengekomen dat de Rabobank Dodewaard uit hoofde van de garantie nooit meer te betalen zal hebben dan de netto opbrengst van de desbetreffende algemene zekerheid. 3.4. Rabobank Kesteren-Opheusden/Rijnlingewaal U.A. is op haar beurt inmiddels gefuseerd met Rabobank Betuwe U.A. Ook die fusie is gepaard gegaan met een overdracht van alle activa en passiva zoals hiervoor onder 3.3. genoemd met inbegrip van de daar bedoelde uitzondering. Rabobank Betuwe U.A is de huidige vereffenaar van Rabobank Dodewaard. 3.5. Bij akte van cessie d.d. 28 mei 2004 heeft Rabobank Betuwe U.A. haar totale vordering op Scheepswerf Dodewaard B.V. (K.v.K. nr. 11027649) en De Swart c.s. ad € 441.578,94 gecedeerd aan de heer W.Th.G.M. [XXX] te [woonplaats]. De koopprijs van de vordering bedroeg € 368.000,-- en is inmiddels voldaan. Artikel 4 van die akte bepaalt onder meer: “(…) Verkoper geeft geen enkele garantie omtrent de vordering en de incassering ervan, met uitzondering dat verkoper ervoor in staat, dat de vordering bestaat, de vordering overdraagbaar is en dat zij het hypotheekrecht zoals hiervoor vermeld verstrekt heeft gekregen (…).” 3.6. De bestuurders van Rabobank Dodewaard hebben op 6 mei 2005 een schriftelijke verklaring ondertekend, die onder meer inhoudt dat de onder 3.3. bedoelde garantie geen zuiver persoonlijk recht is en daarom als nevenrecht voor overdracht vatbaar is, hetgeen aansluit bij de bedoeling van partijen bij het sluiten van de garantieovereenkomst en past binnen het patroon waarbij de onderscheiden Rabobanken bij opvolgende fusies betrokken zijn. Voorts hebben zij daarin verklaard dat in het kader van de fusie tussen Coöperatieve Rabobank Kesteren-Opheusden B.A./Rijnlingewaal U.A. en Coöperatieve Rabobank Betuwe U.A. de onderhavige garantieovereenkomst als nevenrecht is mee overgedragen en de heer W.Th.G.M. [XXX] een beroep toekomt op de door Rabobank Dodewaard verstrekte garantie, indien aan de desbetreffende voorwaarden is voldaan. 3.7. Op 29 juni 2005 hebben Coöperatieve Rabobank Betuwe U.A. en W.Th.G.M. [XXX] ten overstaan van notaris [naam notaris] te [woonplaats] een zogenaamde ‘partijenverklaring constatering beschikkingsonbevoegdheid’ afgelegd met betrekking tot de onder 3.5. genoemde akte van cessie. Voor zover thans van belang houdt die verklaring het volgende in: “(…) Het is de bedoeling geweest van partijen dat het hypotheekrecht, destijds gevestigd ten behoeve van de coöperatie: Coöperatieve Rabobank “Dodewaard” BA, thans in liquidatie (…), als subsidiair recht, conform artikel 142 boek 6 Burgerlijk Wetboek mee zou overgaan (…). Naar thans blijkt zijn de fusies (opmerking voorzieningenrechter: bedoeld worden de onder 3.3. en 3.4. genoemde fusies) activa-passiva transacties geweest en zijn de hypothecaire zekerheidsrechten nimmer overgegaan. Mitsdien moet geconcludeerd worden dat de coöperatie: Coöperatieve Rabobank Betuwe U.A. (…) nimmer beschikkingsbevoegd en gerechtigd is geweest ten aanzien van het accessoire hypotheekrecht. Mitsdien verzoeken de bank en [XXX] hierbij de notaris om de inschrijving van de akte van cessie, voor wat betreft de overgang van het hypotheekrecht, waardeloos te verklaren; uitdrukkelijk wordt verklaard door partijen dat de akte van cessie voor het overige onverkort van kracht blijft. GARANTIEOVEREENKOMST Voorts verklaart [XXX] dat hij bij deze een beroep doet op alle rechten die voor hem voortvloeien uit de garantieovereenkomst die onderdeel hebben uitgemaakt van voormelde fusies (…).” Bovengenoemde verklaring is op 4 juli 2005 ingeschreven in het kadaster. 3.8. Bij notariële akte van 21 december 2006 heeft De Meerman kenbaar gemaakt dat zij een retentierecht op de scheepswerf uitoefent wegens door haar gemaakte en door De Swart Beheer nog te betalen kosten voor het in werking laten zijn en houden van de scheepswerf tot een totaalbedrag van € 650.000,--. Die akte is op 27 december 2006 ingeschreven in het kadaster. Daarnaast heeft De Meerman het door haar uitgeoefende retentierecht ter plaatse kenbaar gemaakt door (in ieder geval) een aanplakbiljet op de toegangspoort van de scheepswerf. 3.9. Rabobank Dodewaard is voornemens om tot executie van de scheepswerf over te gaan. 4. De vorderingen in de hoofdzaak 4.1. Rabobank Dodewaard vordert thans primair De Meerman te verbieden gebruik te maken van haar retentierecht en haar te bevelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het retentierecht ongedaan te maken in het kadaster, bij gebreke waarvan zij gemachtigd is het retentierecht in het kadaster zelf ongedaan te maken, althans te bepalen dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte als bedoeld in artikel 3:300 BW. Subsidiair vordert Rabobank Dodewaard de primair gevorderde voorzieningen toe te wijzen met de bepaling dat de netto executieopbrengst door de met de executie belaste notaris in depot zal worden gehouden totdat in rechte op grond van een in kracht en gezag van gewijsde gegane uitspraak vaststaat aan wie de opbrengst toekomt. 4.2. Rabobank Dodewaard stelt een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen te hebben, omdat W.Th.G.M. [XXX] een beroep op de garantieovereenkomst heeft gedaan en aanspraak maakt op spoedige uitkering van de netto executie opbrengst van de scheepswerf, terwijl de aanwezigheid/inschrijving van het retentierecht de executie van de scheepswerf verhindert. 4.3. De Meerman voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5. De vorderingen in de zaak tot tussenkomst 5.1. Stellende dat het onderhavige hypotheekrecht van Rabobank Dodewaard is vervallen, vordert De Swart Beheer Rabobank Dodewaard te gebieden om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan De Swart Beheer op de voet van het bepaalde in art. 3:274 BW bij authentieke akte een verklaring af te geven dat de hypotheek op de scheepswerf is vervallen, subsidiair Rabobank Dodewaard te verbieden om tot executie van de scheepswerf over te gaan, althans die executie te staken en gestaakt te houden tot het moment dat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is bepaald dat aan het hypotheekrecht waarop Rabobank Dodewaard zich beroept, nog rechten kunnen worden ontleend, een en ander versterkt met een dwangsom. 5.2. Rabobank Dodewaard voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 6. De beoordeling in de hoofdzaak en in de zaak tot tussenkomst 6.1. In dit kort geding dienen een aantal essentiële geschilpunten te worden beslecht waarover partijen fundamenteel van mening verschillen. Anders dan De Meerman meent acht de voorzieningenrechter dit kort geding geschikt voor de beslechting van die geschilpunten, welke hierna achtereenvolgens zullen worden besproken. de (bank)hypotheek 6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het in 1987 ten gunste van Rabobank Dodewaard (c.q. haar rechtsvoorgangster) gevestigde hypotheekrecht niet mee overgedragen is aan [XXX] op het moment van de cessie van de vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.