vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 155464 / HA ZA 07-773 Vonnis van 16 januari 2008 in de zaak van [eiser], wonende te [adres], eiser in conventie, verweerder in reconventie, procureur en advocaat mr. W.H.B.M. Litjens te Nijmegen, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur mr. W.J.G.M. van den Broek, advocaat mr. E.W.C.M. Smits te Nijmegen. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 1 augustus 2007 - het proces-verbaal van comparitie van 11 oktober 2007 - de conclusie van antwoord in reconventie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Vanaf augustus/september 2002 heeft [eiser] [gedaagde] geholpen bij het oplossen van privéproblemen en bij de bedrijfsvoering van de twee kapperszaken die [gedaagde] toen dreef onder de naam [naam bedrijf], door het geven van adviezen op het gebied van management, financiën, administratie en personeel. Deze ‘managementondersteuning’ verleende hij haar aanvankelijk om niet. 2.2. Begin 2003 is [eiser] voor zichzelf een onderneming begonnen, Adbeco geheten, op het gebied van ‘managementondersteuning’. Om als zelfstandige te kunnen beginnen had hij twee klanten nodig. 2.3. Met ingang van 1 maart 2003 zijn [eiser] als opdrachtnemer en [gedaagde] als opdrachtgeefster ter zake van de door [eiser] geboden ‘managementondersteuning’ een overeenkomst aangegaan. Daartoe hebben zij op 22 mei 2003 een door [eiser] opgestelde overeenkomst gesloten met, onder meer, de volgende inhoud: “(...) Duur, verlenging 2.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 10 jaren, ingaande op 1 maart 2003 en lopende tot en met 28 februari 2013. 2.2 Deze overeenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van telkens vijf jaren. (...) Honorarium, betalingsverplichtingen en betaalperiode 6.1 Opdrachtgeefster is van 1 maart 2003 tot en met 29 februari 2004 aan opdrachtnemer een honorarium verschuldigd van € 1.500,= per maand. 6.2 Het in het vorige lid omschreven honorarium wordt voor het eerst verhoogd met een bedrag van € 125,= per maand en wel op 1 maart 2004. Deze aanpassing zal ook in de jaren 2005 tot en met 2007 met hetzelfde bedrag terugkeren, zodat het honorarium per 1 maart 2007 € 2.000,= per maand bedraagt. (...) 6.6 Het honorarium alsmede de in artikel 8. overeengekomen onkosten dienen binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van de factuur te worden voldaan, door overmaking naar een nader door opdrachtnemer te noemen (bank)rekening. (...) Onkosten 8 De onkosten die opdrachtnemer ter uitvoering van zijn opdracht moet maken, worden vastgesteld op een bedrag van € 50,= per maand en opdrachtgeefster is gehouden deze te vergoeden. Verzuim aan de zijde van opdrachtgeefster 10. Telkens indien een uit hoofde van deze overeenkomst verschuldigde bedrag door de opdrachtgeefster niet op de vervaldag is voldaan, is de opdrachtgeefster zonder nadere ingebrekestelling rechtens in verzuim, en kan de opdrachtnemer aanspraak maken op een direct opeisbare boete van 2% per maand van het verschuldigde met een minimum van € 150,= per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt. Opzegging 12.1 De opdrachtgeefster kan de opdracht slechts opzeggen in geval van gewichtige redenen voor opzegging, met dien verstande dat zij gehouden is de schade die de opdrachtnemer door de opzegging lijdt, te vergoeden. (...) 12.3 De opzegging dient op straffe van nietigheid schriftelijk te geschieden en per aangetekende post worden verzonden, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. (...)”. 2.4. Medio 2005 is er een einde gekomen aan de affectieve relatie die op enig moment na augustus/september 2002 tussen [eiser] en [gedaagde] is ontstaan. 2.5. Omstreeks mei 2006 is tussen de partijen discussie ontstaan over het honorarium van [eiser]. Vanaf juni 2006 hebben zij daarover met elkaar gecorrespondeerd. Bij aangetekende brief van 13 oktober 2006 aan [eiser] heeft de advocaat van [gedaagde] de overeenkomst namens haar opgezegd met ingang van 1 mei 2007, met vrijstelling van [eiser] van zijn werkzaamheden gedurende deze opzegtermijn. [eiser] heeft niet in deze opzegging berust. 3. Het geschil 3.1. In conventie heeft [eiser] heeft gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - primair voor recht zal verklaren dat de overeenkomst van opdracht tussen partijen gesloten op 22 mei 2003 vanaf 1 mei 2007 onverminderd voortduurt tot en met 28 februari 2013, met veroordeling van gedaagde tot betaling aan [eiser] van het honorarium als omschreven in art. 6 van de overeenkomst van opdracht en vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf 14 dagen na verzending van de factuur ex art. 6.6 van de overeenkomst van opdracht, - subsidiair, voor zover de overeenkomst van opdracht rechtsgeldig is opgezegd tegen 1 mei 2007, gedaagde zal veroordelen tot betaling aan eiser van een schade als bedoeld in art. 12.1 van de overeenkomst van opdracht, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten alsmede de nakosten van de procedure waaronder het nasalaris procureur ad EUR 131,00 zonder betekening of EUR 199,00 met betekening, alle (na)kosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van voldoening. 3.2. [eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op art. 12.1 van de tussen hem en [gedaagde] gesloten overeenkomst. Van een gewichtige reden voor opzegging is naar zijn mening geen sprake, maar mocht daarover anders worden beslist dan geldt dat [gedaagde] hem zijn schade moet vergoeden. 3.3. Het verweer van [gedaagde] luidt primair dat de overeenkomst door misbruik van omstandigheden van de zijde van [eiser] tot stand is gekomen, op grond waarvan zij zich op de vernietigbaarheid van de overeenkomst beroept. Subsidiair beroept zij zich op de geldigheid van de opzegging wegens het bestaan van een gewichtige reden, met bepaling van de schadevergoeding voor [eiser] op nihil. 3.4. In reconventie heeft [gedaagde] eveneens de vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden door [eiser] ingeroepen en gevorderd dat de rechtbank bij gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: - zal verklaren voor recht dat de overeenkomst van opdracht niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, - zal verklaren voor recht dat [gedaagde] een bedrag van EUR 12.437,50 te vermeerderen met BTW aan honorarium en EUR 325,00 aan onkostenvergoeding onverschuldigd aan [eiser] heeft betaald en - [eiser] zal veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van EUR 12.437,50 te vermeerderen met BTW aan honorarium en EUR 325,00 aan onkostenvergoeding in verband met onverschuldigde betaling door [gedaagde], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2007 tot en met de dag van terugbetaling, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. 3.5. [eiser] heeft in reactie hierop betwist dat hij bij het sluiten van de overeenkomst misbruik van omstandigheden heeft gemaakt en hij meent bovendien dat als dit wilsgebrek wél zou komen vast te staan, de daarop gegronde vordering van [gedaagde] is verjaard op grond van art. 3:52 lid 1 sub b BW. Overigens vindt hij het merkwaardig dat [gedaagde] zich niet eerder op misbruik van omstandigheden heeft beroepen en eerst de overeenkomst heeft opgezegd. 4. De beoordeling in conventie en in reconventie: 4.1. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] in conventie is het beroep op misbruik van omstandigheden, dat tevens de grondslag is voor haar vordering in reconventie. Er is daarom aanleiding eerst hierover te beslissen. Hetgeen de partijen over en weer hierover - ook ter comparitie - hebben aangevoerd, vormt daartoe geen beletsel. 4.2. Ter staving van haar beroep op misbruik van omstandigheden heeft [gedaagde] het volgende gesteld. Als gevolg van haar scheiding was zij in de periode vóór en tijdens het sluiten van de overeenkomst zeer kwetsbaar en kon zij de verantwoordelijkheid voor haar twee kapperszaken in verband met haar geestestoestand niet aan. In die periode ontmoette zij [eiser], die haar te hulp schoot en met wie zij vrijwel direct een affectieve relatie kreeg: zij hadden sex met elkaar en deden wekelijks leuke dingen, zoals naar de sauna gaan. [eiser] had haar verteld dat zijn toenmalige relatie met ene De Jong aflopend was. [gedaagde] beschouwde [eiser] als haar partner en dacht dat hij haar daarom zakelijk hielp. Op een gegeven moment heeft [eiser] plotseling voorgesteld omtrent die hulp een overeenkomst op te stellen, zodat [gedaagde] zich voor langere tijd van zijn hulp verzekerd wist en [eiser] zijn eigen onderneming kon beginnen, met een vast salaris. Hiertoe was een vast bedrag afgesproken, een bedrag dat zij volgens [eiser] kon missen. Zij heeft daarover verder niet met hem gesproken, ook niet over de looptijd. Slechts tegen de bedragen die nog bij het vaste bedrag kwamen heeft zij geprotesteerd, aangezien zij nu juist niet meer dan het vaste bedrag kon missen. In blind vertrouwen, zonder nader advies in te winnen en zonder op die mogelijkheid door [eiser] te zijn gewezen, heeft [gedaagde] de eenzijdig door [eiser] opgestelde overeenkomst vervolgens getekend. Hij was immers haar partner, vertrouwenspersoon en zakelijk adviseur. [gedaagde] was toen volledig afhankelijk van hem, waardoor [eiser] in een machtspositie verkeerde. Deze overeenkomst had zij onder andere omstandigheden nimmer - althans niet op dezelfde voorwaarden - gesloten, aldus [gedaagde], aangezien [eiser] zichzelf een exceptioneel hoog honorarium heeft toegekend, de overeenkomst een zeer lange looptijd kent en daarin geen wijzigingen konden worden gebracht. Tot dit besef is zij in 2006 gekomen. In juni 2005 ging het beter met [gedaagde]. Nadat de affectieve relatie met [eiser] medio 2005 was verbroken, realiseerde zij zich dat er een scheve verhouding bestond tussen zijn werkzaamheden en de daarvoor door hem bedongen beloning. 4.3. Over de periode vóór en tijdens het sluiten van de overeenkomst is namens [eiser] in de conclusie van antwoord in reconventie het volgende gesteld. Toen [eiser] [gedaagde] in 2002 ontmoette, stond haar onderneming er slecht voor. Bovendien was [gedaagde] gescheiden en werd zij door haar ex-partner bedreigd. [gedaagde] leed onder deze situatie. Zij had geen enkel overwicht op haar personeel en de financiële administratie van haar bedrijf was een chaos. [eiser] speelde al enige tijd met de gedachte als zelfstandige een adviesbureau op te richten, waarvoor hij tenminste twee opdrachtgevers diende te hebben. Dit heeft hij met [gedaagde] besproken, met het voorstel haar eerst zonder een vergoeding te vragen te ondersteunen, zodat [gedaagde] dan zelf kon bepalen of zijn ondersteuning van waarde was. Nadat [gedaagde] geruime tijd ervaring had opgedaan met de bekwaamheden van [eiser] en zij dus heeft kunnen beoordelen dat zij op commerciële basis van zijn diensten gebruik wenste te maken, hebben de partijen in het voorjaar van 2003 overlegd over het ondertekenen van de overeenkomst van opdracht. Meermalen heeft [eiser] het contract met [gedaagde] uitvoerig doorgenomen. Daarbij is aan de orde geweest dat volgens [eiser] de reorganisatie van [gedaagde]s onderneming 3 tot 5 jaar zou duren, maar [gedaagde] wenste hem langer aan zich te binden, zodat de overeenkomst voor 10 jaar is afgesloten. Op de onkostenvergoeding en op de verhogingen van het honorarium had [gedaagde] commentaar, zodat de desbetreffende bedragen in het contract zijn verlaagd. Van een relatie tussen de partijen was geen sprake. [gedaagde] wist wat zij deed toen zij de overeenkomst sloot en van misbruik van omstandigheden is geen sprake. 4.4. Ter comparitie heeft [eiser] in aanvulling hierop nog het volgende verklaard. Hij heeft zijn hulp aan [gedaagde] aangeboden in augustus/september 2002 toen hij ‘opnieuw’ merkte dat het niet goed met haar ging. Gaandeweg is het idee ontstaan beroepsmatig in een eigen bedrijf te gaan doen wat hij voor [gedaagde] deed. Naar schatting heeft hij daarover begin 2003 met [gedaagde] gesproken. In februari 2003 heeft hij het contract met juridische hulp opgesteld. In maart of april heeft hij het aan [gedaagde] laten zien en zij hebben over de inhoud meerdere malen gesproken. Hij heeft haar niet geadviseerd een second opinion over het contract te vragen, maar dat had zij uit zichzelf wel kunnen doen. Hij beschouwt het contract als zekerheid voor [gedaagde] en voor zichzelf. Een relatie heeft hij niet met [gedaagde] gehad, maar zij hebben wel sex met elkaar gehad. Dit was niet al in 2002-2003, maar eind 2004 en duurde tot half 2005. Het contact was overwegend zakelijk en vond vanwege het werk van [gedaagde] overwegend ’s avonds en in het weekend plaats, soms in restaurants. Er kwam wel af en toe ook ontspanning bij. 4.5. Misbruik van omstandigheden is volgens het bepaalde in art. 3:44 lid 4 BW aanwezig, wanneer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.