vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 154115 / HA ZA 07-578 Vonnis van 20 februari 2008 in de zaak van
(1996)te kampen heeft gehad met grote lekkage- en condensatieproblemen. In het rapport van Physicon is daarover onder meer vermeld: “Hoewel het van het begin af aan duidelijk was dat gedurende het ijsseizoen de grote lekkage- c.q. condensatieproblemen tijdens met name het dooiproces niet voorkomen konden worden, is getracht om d.m.v. aanvullende voorzieningen de vochtschade tijdens het dooien op de maatgevende locaties zoveel mogelijk te beperken” en “Naar aanleiding van de eerste lekkage- cq condensatieproblemen na het eerste ijsseizoen is conform opgave t.p.v. de boardingen een waterkering aangebracht. Ook is toen de afdichting t.p.v. de afvoergoot (binnenzijde lange ijsbaan) losgemaakt en een extra kitvoeg aangebracht. Vast staat verder dat alle partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 12 november 1998 op de hoogte waren van deze structurele lekkage- en condensatieproblemen, dat die problemen op dat moment niet waren verholpen en dat de oorzaken daarvan niet bekend waren.
- Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de partijen met de in bijlage 10 van de overeenkomst neergelegde lijst met (lekkage)problemen slechts het oog kunnen hebben gehad op toen bekende (ondergeschikte) punten die de Gemeente voor haar rekening zou verhelpen en niet op onbekende en pas later uit het rapport van Physicon blijkende (ernstige) oorzaken van de lekkage/condensatie. De tekst van de overeenkomst duidt daar ook niet op. Dat de partijen desondanks de bedoeling zouden hebben gehad dat ook onbekende oorzaken van de lekkage/condensatie onder de in bijlage 10 opgesomde punten zouden vallen kan niet worden aangenomen. Gesteld noch gebleken is dat de partijen daarover in die zin voor of bij het sluiten van de overeenkomst hebben gesproken. Namens de Gemeente is daarover tijdens de comparitie onweersproken verklaard dat “we (...) het met de tekst (zullen) moeten doen”. Voor het overige hebben Triavium c.s. geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor een bewijsopdracht is daarom geen plaats.
- Resteert de vraag of de uit het rapport van Physicon blijkende gebreken vallen onder de in artikel 1.3.
- neergelegde “verborgen-gebreken-regeling”.
- Zoals overwogen hadden de (ernstige) lekkage- en condensatieproblemen zich al vanaf het eerste ijsseizoen in 1996 gemanifesteerd en waren alle partijen daarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte. Niet gezegd kan dus worden dat het hier gaar om “verborgen” gebreken. Dat de oorzaak of oorzaken van de lekkage- condensatie niet bekend was/waren kan dat niet anders maken. Op grond van de tekst van de overeenkomst kan dan ook niet worden aangenomen dat de Gemeente op grond van deze regeling gehouden is de uit het rapport van Physicon blijkende oorzaken van de lekkage/condensatie te verhelpen en de kosten daarvan voor haar rekening te nemen. Dat volgt niet uit de tekst van de overeenkomst. Ook hier geldt dat niet is gesteld of gebleken dat de partijen voor of bij het sluiten van de overeenkomst in de door Triavium c.s. bedoelde zin over deze regeling met elkaar hebben gesproken. Triavium c.s. hebben ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de Gemeente de later blijkende dieper liggende oorzaken van de bekende lekkages voor haar rekening zou herstellen. Voor een bewijsopdracht is daarom geen plaats.
- De slotsom is dat de vorderingen van Triavium c.s. moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Triavium c.s. de kosten van de procedure moeten dragen. De beslissing De rechtbank vijst de vorderingen af, veroordeelt Triavium c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 4.732,-- wegens vast recht en op € 6.422,-- voor salaris van de procureur, verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries, mr. A.E.B. ter Heide en C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 20 februari
- Coll.: ED