RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer registratienummer: AWB 07/4479 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) 26 juni 2008 inzake drs. [X], wonende te [Z], eiseres, tegen de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 een aanslag ([aanslagnummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.170. Hierbij is aan eiseres bij beschikking tevens een bedrag van € 210 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 september 2007 de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen bij brief van 15 oktober 2007, ontvangen bij de rechtbank op 16 oktober 2007, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2008 te Arnhem. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [Y] (echtgenoot). Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B]. Namens eiseres is ter zitting een pleitnota voorgedragen en zijn exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. De rechtbank rekent de pleitnota tot de stukken van het geding. Verweerder heeft ter zitting een kopie van het Verslag van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven d.d. 15 november 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, nr 31 260, nr. 12) overgelegd aan de rechtbank en aan eiseres. De rechtbank rekent het Verslag tot de stukken van het geding. 2. Feiten Eiseres is woonachtig en werkzaam in [Z]. Zij heeft een dochter uit een vorig huwelijk. Eiseres heeft gedurende enkele jaren een affectieve relatie met [Y] met wie zij op 28 april 2005 in het huwelijk is getreden (hierna: haar echtgenoot). Haar echtgenoot is voorafgaand aan het huwelijk woonachtig in [Q] en werkzaam in [R]. Er zijn huwelijkse voorwaarden gemaakt, houdende uitsluiting van gemeenschap van goederen. Na het huwelijk is eiseres in [Z] blijven wonen en haar echtgenoot in [Q]. Op 9 november 2005 is er uit dit huwelijk een kind geboren. Dit kind woont sindsdien bij eiseres. In haar aangifte vermeldt eiseres dat zij recht heeft op de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Het verzamelinkomen volgens de aangifte bedraagt € 25.170. Bij het opleggen van de aanslag is verweerder afgeweken van de ingediende aangifte. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag geen rekening gehouden met de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Het verzamelinkomen volgens de aanslag bedraagt € 25.170. Het verzamelinkomen van haar echtgenoot bedraagt € 60.447. Eiseres is hiertegen in bezwaar gekomen. Dit bezwaar is door verweerder afgewezen. Eiseres heeft zich ook gewend tot de Staatssecretaris van Financiën en verzocht om toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Dit verzoek is afgewezen. Tevens heeft eiseres zich gewend tot de Commissie voor de Verzoekschriften van de Tweede Kamer. Blijkens het Verslag van deze Commissie d.d. 15 november 2007 heeft de Commissie voorgesteld het verzoek van eiseres af te wijzen, met welk voorstel de Tweede Kamer zich op 29 november 2007 heeft verenigd. 3. Geschil In geschil is of eiseres recht heeft op de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of eiseres en haar echtgenoot duurzaam gescheiden leven. 4. Beoordeling van het geschil 4.1 Is er sprake van duurzaam gescheiden leven? Op grond van artikel 8.12, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is één van de voorwaarden om voor de kinderkorting in aanmerking te komen dat het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 60 447. Op grond van artikel 8.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 geldt de aanvullende kinderkorting voor de belastingplichtige indien de kinderkorting geldt en het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 30 225. Op grond van artikel 8.13, tweede lid, van de Wet IB 2001 bedraagt de aanvullende kinderkorting: - bij een gezamenlijk verzamelinkomen van niet meer dan € 28 491: € 690; - bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 491 maar niet meer dan € 30 225: € 504. Op grond van artikel 8.15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 geldt, voor zover hier relevant, de alleenstaande-ouderkorting voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden geen partner heeft. Op grond van artikel 8.16, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 2001 geldt, voor zover hier relevant, de aanvullende alleenstaande-ouderkorting voor de belastingplichtige indien voor hem de alleenstaande-ouderkorting geldt. Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt in de Wet IB 2001 en de daarop berustende bepalingen onder partner verstaan de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot. Op grond van artikel 1.2, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt een persoon die duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot leeft, voor de toepassing van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 gelijkgesteld met een ongehuwde. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot leeft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt voorop dat eiseres zelf in haar beroepschrift heeft gesteld dat er sprake is van een affectieve relatie. Daarnaast heeft de Hoge Raad in haar arrest van 10 februari 1960, nr. 14, BNB 1960/77 als hoofdregel geformuleerd dat van duurzaam gescheiden leven sprake is: “(…) indien ten aanzien van haar en haar echtgenoot de toestand is ingetreden, dat, na de door beiden of een hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met den ander gehuwd, en deze toestand door hen beiden, althans door een hunner, als bestendig is bedoeld; (…) indien de echtelijke samenleving is verbroken doordat een door geen van beide echtelieden gewilde toestand is ingetreden, welke voor de voortzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt, terwijl redelijkerwijze niet valt te verwachten, dat indien toestand binnen afzienbaren tijd een wijziging zal komen, welke de mogelijkheid tot hervatting van de echtelijke samenleving zou openen;” Ook heeft de Hoge Raad in haar arrest van 21 februari 1973, nr. 17.009, BNB 1973/89 het volgende overwogen: “dat artikel 5, lid 1, eerste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in zijn redactie, geldende voor het jaar 1969, bepaalde, dat de bestanddelen van het belastbare inkomen van een gehuwde vrouw worden aangemerkt als bestanddelen van het belastbare inkomen van haar man, tenzij de echtgenoten duurzaam gescheiden leven; dat echtgenoten slechts geacht kunnen worden duurzaam gescheiden te leven in de zin van voormelde bepaling, indien ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd, en deze toestand door de echtgenoten, althans door een hunner, als bestendig is bedoeld; dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld: dat de echtelieden bij huwelijkse voorwaarden hadden bepaald, dat zij voornemens waren duurzaam gescheiden te blijven wonen, ieder op zijn eigen adres; dat zij ook in feite gescheiden zijn blijven wonen na de voltrekking van hun huwelijk, belanghebbende op zijn adres te Z en zijn echtgenote op haar adres te A; dat zij slechts nu en dan op het adres van een van beiden met elkaar een dag doorbrachten en op het adres in Z ook wel een nacht en dat zij met elkaar uitgingen naar de schouwburg en dergelijke en gezamenlijk met vacantie gingen; dat die vaststelling inhoudt, dat de beide echtgenoten elkaar min of meer geregeld en voor kortere of langere tijd ontmoetten en samen leefden, zodat de toestand van duurzaam gescheiden leven in de zin van hogergenoemde wetsbepaling tussen hen niet bestond;” De situatie van eiseres komt grotendeels overeen met de situatie in het hierboven genoemde arrest. Eiseres heeft namelijk in het beroepschrift gesteld en ter zitting verklaard dat zij en haar echtgenoot elkaar in het weekend ontmoeten (in wezen één dag en twee avonden per week) en daarnaast ook (een deel van) de vakanties en vrije dagen samen doorbrengen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat er tijdens het huwelijk, respectievelijk in 2005 en 2007, twee kinderen zijn geboren. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een sterke aanwijzing dat de situatie van duurzaam gescheiden leven, geen bestendig karakter heeft. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij en haar echtgenoot duurzaam gescheiden leven, verwezen naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 19 maart 2004, nummers 03/567 en 02/2772 inzake AOW-uitkeringen. In beide uitspraken formuleert de Centrale Raad van Beroep de volgende hoofdregel: “Voorop moet worden gesteld dat blijkens vaste rechtspraak sprake is van duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van gehuwden, waarmee geregistreerde partners gelijk zijn gesteld, de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één hunner, als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Voorts heeft de Raad in zijn rechtspraak al eerder tot uitdrukking gebracht, onder meer in zijn uitspraak van 16 juni 1999, AB 1999/423, dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap de betrokken partners de intentie hebben een echtelijke samenleving -al dan niet op termijn- aan te gaan, maar dat de Raad het niet uitgesloten acht dat onder omstandigheden vanaf de huwelijks- datum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.” In de zaak met nummer 02/2772 komt de Centrale Raad van Beroep tot het oordeel dat er geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De Centrale Raad van Beroep overweegt daartoe: “De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat een dergelijke situatie zich in dit geval niet voordoet. De Raad acht hierbij doorslaggevend dat appellant tijdens het buitendienstonderzoek heeft verklaard dat hij iedere week van vrijdag tot en met dinsdag bij zijn partner in [plaatsnaam] verblijft, dat zij al jaren samen op vakantie gaan en ook andere activiteiten gezamenlijk ondernemen. Aan deze conclusie doet niet af dat appellant en zijn partner ieder over een eigen huishouden beschikken en dat er geen financiële verstrengelingen zijn. Ook het gestelde dat appellant en zijn partner een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan om de nalatenschap na het overlijden veilig te stellen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.” In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep met nummer 03/567 werd wel geoordeeld dat er sprake was van duurzaam gescheiden leven. In dat geval speelde echter een (bijzondere) rol dat het huwelijk (enkel en alleen) was ingegeven om een zakelijke regeling te treffen ten aanzien van de erfenis van de echtgenoot met het oog op zijn op korte termijn te verwachten overlijden. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Eiseres en haar echtgenoot hebben twee kinderen gekregen. Het huwelijk van eiseres is dan naar het oordeel van de rechtbank niet (enkel en alleen) ingegeven door zakelijke motieven. Ook heeft eiseres nog aangevoerd dat het niet mogelijk is om in [Z] te gaan samenwonen met haar echtgenoot, aangezien de reistijd naar [R] (de plaats waar de echtgenoot werkzaam
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.