vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 176522 / KG ZA 08-675 Vonnis in kort ge[woonplaats]an 3 februari 2009 in de zaak van [eisers], wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. D.P. Poppe te Amersfoort, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRANSPORTBEDRIJF [gedaagde] B.V., gevestigd te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. G.J. van Brakel te Huissen. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met bijbehorende producties - de door gedaagde overgelegde producties - de mondelinge behandeling van 4 december 2008 - de pleitnota van gedaagde - de aanhouding ten behoeve van schikkingonderhandelingen - het verzoek van eisers om een nadere aanhouding van de zaak d.d. 14 januari 2009 - het daartegen door/namens gedaagde bij brief van 15 januari 2009 gemaakte bezwaar met daarin tevens (onder overlegging van een productie) het verzoek om vonnis te wijzen - de reactie daarop van de advocaat van eisers bij brief van 16 januari 2009. 1.2. De voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat heden vonnis zal worden gewezen. 2. De feiten 2.1. Eisers huren sinds 1 juni 2004 de woning op het industrieterrein te [woonplaats] aan de [adres] krachtens een op die datum met de vennootschap J[betrokkene] te [woonplaats] gesloten huurovereenkomst. Gedaagde is eigenares van het aangrenzend perceel [adres] en oefent daar een transportbedrijf uit. Zij heeft ongeveer 100 vrachtauto’s in haar bezit, bestemd voor nationaal en internationaal wegtransport. Voor laatstgenoemd transport maakt zij gebruik van koelvrachtauto’s die voornamelijk van en naar Zuid Italië rijden. 2.2. Naar aanleiding van klachten van eisers over geluidsoverlast in de avond- en nacht uren afkomstig van vrachtwagens van gedaagde en het verzoek van eisers aan de gemeente [woonplaats] van 1 juli 2008 om handhavend jegens gedaagde op te treden, heeft op 19 juli 2008 om 03.30 uur een geluidsmeting op het perceel van gedaagde plaatsgevonden door [ ], inspecteur/toezichthouder bij de piketdienst van de gemeente Arnhem. Daarbij is - na toepassing van een stoorcorrectie en een bedrijfsduur- en gevelcorrectie - een waarde van 55,8 dB(A) geconstateerd, zijnde een overschrijding van de geldende geluidsnorm voor de nachtelijke periode krachtens het toepasselijke Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (ook wel Activiteitenbesluit genoemd) met 10,8 db(A). 2.3. Bij brief van 6 augustus 2008 heeft de gemeente [woonplaats] aan gedaagde verzocht om binnen vier weken aan de geldende geluidsnorm te voldoen en daarbij te kennen gegeven dat bij gebreke daarvan het voornemen bestaat aan gedaagde een last onder dwangsom op te leggen. Gedaagde is daarbij tevens uitgenodigd om uiterlijk op 29 augustus 2008 haar zienswijze op dat voornemen aan de gemeente kenbaar te maken. Bij brief van 27 augustus 2008 heeft het onderzoeksbureau Peutz B.V. te Mook namens gedaagde de zienswijze van gedaagde op voormeld voornemen aan de gemeente [woonplaats] toegezonden en daarbij een groot aantal bezwaren tegen de wijze van de meting en de uitslag daarvan aangevoerd. 2.4. Op 21 november 2008 heeft opnieuw een meting plaats gehad op het terrein van gedaagde door [ ] voornoemd. De resultaten daarvan zijn samengevat in een brief van/namens de gemeente [woonplaats] aan gedaagde van 6 januari 2009 - door gedaagde als productie overgelegd bij haar brief aan de voorzieningenrechter (met afschrift aan de advocaat van eiseres) van 15 januari 2009 - waarin als conclusie is opgenomen dat er bij de in die brief omschreven bedrijfssituatie van gedaagde geen overschrijding van de geldende geluidsnorm meer is en dat gedaagde, voor zover dat tijdens de controle kon worden nagegaan, voldoet aan de bepalingen van de toepasselijke wet- en regelgeving. Eisers hebben bij hun brief van 16 januari 2009 aan de voorzieningenrechter (met afschrift aan gedaagde) de uitkomsten van die meting uitdrukkelijk betwist en daarbij te kennen gegeven dat zij overwegen om bezwaar aan te tekenen tegen het besluit van de gemeente [woonplaats]. 3. Het geschil 3.1. Eisers stellen dat zij stelselmatig, voornamelijk ’s avonds, ‘s nachts en in de weekenden, ernstige geluidsoverlast, afkomstig van het perceel van gedaagde, ondervinden. Die overlast bestaat volgens eisers hierin dat vrachtwagens van gedaagde met koeling in de nabijheid van de woning van eisers worden geparkeerd en dat vrachtwagens met draaiende motor en koeling in of vóór de onlangs - eveneens in de nabijheid van eisers’ woning - door gedaagde gerealiseerde (vrachtwagen) wasstraat staan. Door voornoemde handelwijze van gedaagde worden eisers in hun visie op ontoelaatbare wijze in hun woongenot aangetast en handelt gedaagde onrechtmatig jegens eisers. 3.2. Eisers vorderen op grond van het vorenstaande gedaagde te veroordelen om: a. vorenbedoelde onrechtmatige geluidshinder met onmiddellijke ingang te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, in het bijzonder door het zodanig verplaatsen van de vrachtwagens met koeling dan wel het aansluiten van de vrachtwagens met koeling op netstroom, dat wordt voldaan aan de ter plaatse geldende geluidsnormen volgens het Activiteitenbesluit, versterkt met een dwangsom, b. binnen 4 weken na de datum van het te wijzen vonnis zodanige geluidsbeperkende maatregelen op haar perceel te (doen) treffen en aldaar in stand te (doen) houden, in het bijzonder door het plaatsen van geluidsschermen, dat wordt voldaan aan de ter plaatse geldende geluidsnormen volgens het Activiteitenbesluit, eveneens versterkt met een dwangsom. 3.3. Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling de ontvankelijkheid 4.1. Gedaagde voert allereerst het verweer dat eisers niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat zij huurders en geen eigenaren van de door hen bewoonde woning zijn en het hier toepasselijke artikel 5:37 BW alleen geschreven is voor de eigenaren van erven. Dat verweer faalt, omdat volgens vaste rechtspraak en literatuur het artikel van overeenkomstige toepassing is op gebruikers/niet-eigenaren (o.a. huurders, erfpachters) van erven (vgl. TM, Parl.Gesch. 5, p. 4 en HR 24 januari 1992, NJ 1992, 280/1). Aan de in dit verband geponeerde stelling van gedaagde (indien al juist) dat eisers hun woning illegaal bewonen, nu het een bedrijfswoning betreft en eisers geen werknemers zijn van het bouwbedrijf dat de woning aan eisers verhuurt, moet worden voorbijgegaan. Voorshands is immers niet aannemelijk geworden dat de gemeente [woonplaats] voornemens is om op korte termijn aan die beweerde illegale bewoning een einde te maken c.q. handhavend jegens eisers op te treden en eisers in elk geval tot die tijd geen onrechtmatige hinder door gedaagde (indien daarvan al sprake
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.