vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector kanton Locatie Nijmegen zaakgegevens 586511 \ CV EXPL 08-9365 \ 282fh uitspraak van 24 april 2009 Vonnis in de zaak van de besloten vennootschap Delek Nederland B.V. gevestigd te Rotterdam eisende partij gemachtigden mrs. N. Eeken en R. de Vries tegen
(2)Alle installaties, materialen en dergelijke die Texaco in het kader van een eerdere overeenkomst inzake de levering van motorbrandstoffen en smeermiddelen aan retailer in bruikleen heeft afgestaan, worden bij de aanvang van de onderhavige overeenkomst om niet aan retailer overgedragen, met uitzondering van de Texaco identificatie- en reclamematerialen, tenzij anderszins schriftelijk tussen partijen is overeengekomen. De door Texaco aan retailer over te dragen goederen zijn: Alle opstallen zowel boven als ook ondergronds, onder anderen de tanks, pompbalies, kassa apparatuur, pompcontroller, beveiligings apparatuur en shopinventaris.”
- De vordering en het verweer 2.
- Delek vordert dat de kantonrechter, primair, haar ex artikel 7:307 BW zal machtigen [rechtspersoon B] in haar plaats te stellen als huurder van het tankstation; subsidiair, [gedaagden] c.s. zal veroordelen om medewerking te verlenen aan contractsoverneming ex artikel 6:159 BW op straffe van een dwangsom van € 10.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag dat zij hiermee in gebreke blijven; primair en subsidiair [gedaagden] c.s. zal veroordelen in de kosten van het geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf het einde van bedoelde termijn voor voldoening; een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad. 2.
- De vordering is, tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, primair gegrond op de stelling, kort gezegd, dat Delek - vooruitlopend op de indeplaatsstelling - in augustus 2006 haar onderneming aan [rechtspersoon B] heeft verkocht en hiermee haar bedrijfsvoering overgedragen. Voorts heeft zij een zwaarwichtig belang bij de indeplaatsstelling, dat hierin gelegen is dat zij in ruil hiervoor de exploitatie van het tankstation aan de [adres] kon overnemen, wat zij zeer graag wilde omdat zij met [rechtspersoon C] “Nijmegen” B.V. één huurovereenkomst had gesloten voor zowel de [adres] als de [adres] te Nijmegen. Dit laatste had zij reeds zelf in exploitatie. Door de ruil zou zij uit de bezwaarlijke situatie geraken dat zij twee tankstations huurde, waarvan zij er een wel en het andere niet zelf exploiteerde. Bovendien was Delek in de periode eind 2005-2007 verwikkeld in een overnametraject van Texaco door Delek, waardoor er bij haar grote terughoudendheid bestond ten aanzien van het plegen van investeringen. Achterwege blijven van indeplaatsstelling bergt het risico in zich dat [rechtspersoon B] na ommekomst van de looptijd van de leveringsovereenkomst kan overstappen naar een andere maatschappij en Delek dan nog lange tijd als hoofdhuurder in de rechtsverhouding zou blijven bestaan, terwijl opzegging van de huur dan gelet op het belang van [rechtspersoon B] onmogelijk geacht moet worden. [rechtspersoon B] biedt voldoende waarborgen voor behoorlijke nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering. 2.
- Als grondslag voor de subsidiaire vordering stelt Delek dat weigering om mee te werken aan de indeplaatsstelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 2.
- [gedaagden] c.s. voeren gemotiveerd verweer. De kantonrechter zal hierna op het verweer ingaan, voor zover dat voor de beslissing noodzakelijk is.
- De beoordeling 3.
- Het bepaalde in artikel 7:307 BW veronderstelt dat de vordering van de huurder tot machtiging om een derde in zijn plaats te stellen, wordt ingesteld vóórdat de bedrijfsoverdracht wordt gerealiseerd. De machtiging kan ook naderhand nog worden gevorderd, mits de huurder zo spoedig mogelijk na de bedrijfsoverdracht het nodige doet om tot huuroverdracht te komen. Dit geldt niet alleen voor het geval dat de huurder na de bedrijfsoverdracht de machtiging vordert, maar ook voor de situatie waarin hij buiten rechte de verhuurder verzoekt in te stemmen met contractsoverneming. In geval van afwijzing van een dergelijk verzoek moet de huurder alsnog spoedig zijn vordering in rechte aanhangig maken. 3.
- In dit geval heeft Delek, naar zij zelf stelt, in augustus 2006 vooruitlopend op de indeplaatsstelling haar onderneming aan [rechtspersoon B] verkocht en hiermee haar bedrijfsvoering overgedragen. Uit de hiervoor onder 1.7 bedoelde brief van [rechtspersoon A] van 15 november 2005 volgt echter, dat Delek toen reeds wist dat [gedaagden] c.s. niet van plan waren in te stemmen met contractsoverneming; op een in die brief gedaan tegenvoorstel van [gedaagden] c.s. heeft Delek op 2 februari 2006 - eerst na rappel van [rechtspersoon A] - geantwoord dat dat voorstel voor haar niet acceptabel was. 3.
- Vervolgens heeft het tot 17 maart 2008 geduurd dat Delek - ditmaal via haar gemachtigde - weer contact met [rechtspersoon A] opnam over de indeplaatsstelling. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat Delek, nadat haar inspanning om [gedaagden] c.s. over te halen om in te stemmen met contractsoverneming niet tot het gewenste resultaat geleid had, haar vordering in rechte spoedig heeft ingesteld. 3.
- Ter zitting heeft Delek verklaard dat zij aan handen en voeten gebonden was door instructies van hogerhand, verband houdende met het overnametraject bij Texaco: in afwachting van een due diligence onderzoek mocht niet worden gehandeld. 3.
- De kantonrechter overweegt dat het hier om een omstandigheid in de rechtsverhouding tussen Delek en [rechtspersoon B] gaat die [gedaagden] c.s. niet raakt. 3.
- Zou niettemin moeten worden aangenomen dat Delek haar vordering met voldoende voortvarendheid heeft ingesteld, dan is de door [gedaagden] c.s. opgeworpen vraag aan de orde of sprake is van bedrijfsoverdracht. 3.
- De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Het was blijkens de exploitatieovereenkomst (zie hiervoor onder 1.5) reeds vóór augustus 2006 [rechtspersoon B], niet Delek, die het tankstation voor eigen rekening en risico exploiteerde, en wel met installaties en uitrusting die [rechtspersoon B], naar ter zitting is betoogd, van Texaco in bruikleen had. De hiervoor onder 1.9 bedoelde “verkoop” heeft kennelijk tot doel gehad een en ander in eigendom aan [rechtspersoon B] over te dragen, maar heeft geen wezenlijke verandering gebracht in de bedrijfsuitoefening door [rechtspersoon B]. Uit artikel 2 van de onderhuurovereenkomst (zie onder 1.11) blijkt dat [rechtspersoon B] reeds voordien bevoegd was het tankstation naar eigen inzicht in te richten mits met inachtneming van de huisstijl van Texaco, zoals dat ook thans het geval is (artikel 9 lid 1 aanhef en onder d en e van de leveringsovereenkomst, zie onder 1.12). 3.
- Dat geen onderneming is overgedragen, valt ook af te leiden uit het feit dat Texaco geen substantiële tegenprestatie van [rechtspersoon B] verlangde: in artikel 9 lid 2 van de leveringsovereenkomst is vermeld, dat alle installaties, materialen en dergelijke die Texaco in het kader van een eerdere overeenkomst inzake de levering van motorbrandstoffen en smeermiddelen aan [rechtspersoon B] in bruikleen heeft afgestaan, bij de aanvang van die overeenkomst om niet aan [rechtspersoon B] worden overgedragen; in de koopovereenkomst wordt een prijs van € 1,- genoemd. Wel neemt [rechtspersoon B] de verplichting op zich om onderhoud te (laten) verrichten voor een bedrag van € 123.500,-, maar uit niets blijkt dat (een deel van) dit bedrag aan Delek ten goede komt. Het mag zo zijn dat Delek door de overdracht van de installaties bevrijd is van de onderhoudslasten, maar op grond van algemene ervaringsregels mag het ervoor worden gehouden dat in het andere geval die lasten nu of later door aanpassing van de huurprijs op [rechtspersoon B] zouden zijn afgewenteld. 3.
- Nu geen sprake is van bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 7:307 lid 1 BW, zal de primaire vordering van Delek worden afgewezen en hoeft niet te worden onderzocht of Delek een zwaarwichtig belang heeft bij indeplaatsstelling en of [rechtspersoon B] voldoende waarborgen biedt voor volledige nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst. 3.
- De subsidiaire vordering stelt de vraag aan de orde of het onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagden] c.s. weigeren mee te werken aan contractsoverneming. 3.
- De kantonrechter stelt voorop dat het aan Delek is om feiten en omstandigheden te stellen die kunnen leiden tot een bevestigend antwoord op de onder 3.10 geformuleerde vraag. 3.
- De wettelijke indeplaatsstelling voorziet in een regeling voor het geval dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de huurder van bedrijfsruimte die voornemens is het door hem daarin uitgeoefende bedrijf over te dragen aan een derde of dat al heeft gedaan, ná die overdracht aansprakelijk zou blijven voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurverhouding. In een geval als het onderhavige is er in beginsel naast de beoordeling van een vordering ex artikel 7:307 BW geen ruimte om op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid contractsoverneming af te dwingen. 3.
- Naast hetgeen Delek heeft gesteld inzake bedrijfsoverdracht heeft zij haar belang bij de ruil van het tankstation tegen de exploitatie van het benzinestation aan de [adres] naar voren gebracht. Zij heeft de huurovereenkomst overgelegd die zij heeft gesloten met de besloten vennootschap [rechtspersoon C] (verder: [rechtspersoon C]); de akte waarin die overeenkomst is vastgelegd dateert van 23/31 oktober
- 3.
- Daargelaten dat Delek niet heeft toegelicht waarom het overnametraject waarin zij verwikkeld was wel een verhindering vormde voor verdere stappen om tot indeplaatsstelling te komen, maar niet voor het sluiten van de huurovereenkomst met [rechtspersoon C], wist zij al in de loop van 2005 dat [gedaagden] c.s. niet wensten mee te werken aan contractsoverneming. Door niettemin die huurovereenkomst aan te gaan heeft zij zichzelf in de - naar zij stelt voor haar bezwaarlijke - positie gebracht dat zij twee tankstations huurt, waarvan zij er een wel en het andere niet zelf exploiteert. Onder deze omstandigheden is de weigering van [gedaagden] c.s. om aan contractsoverneming mee te werken, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. 3.
- Ook verder zijn in deze zaak geen andere feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die - mede gelet op het beginsel van contractsvrijheid - tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Niet voldoende is dat [gedaagden] c.s., naar Delek stelt, geen belang hebben dat zich tegen indeplaatsstelling (respectievelijk contractsoverneming) verzet. 3.
- Delek zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De aan de zijde van [gedaagden] c.s. gevallen kosten worden begroot op nihil voor verschotten en twee punten à € 700,- volgens het liquidatietarief voor salaris gemachtigde, totaal € 1.400,-. BESLISSING De kantonrechter - wijst de vordering af; - veroordeelt Delek in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] c.s. begroot op € 1.400,-; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2009.