RECHTBANK ARNHEM Sector strafrecht Meervoudige kamer Promis II Parketnummer : 05/504715-09 Datum zitting : 5 juli 2010 Datum uitspraak : 19 juli 2010 Tegenspraak In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen: naam : [verdachte], geboren op : 20 maart 1961 te Zutphen, adres : [adres], plaats : [woonplaats] Raadsman : mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem. 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 15 december 2007 te Arnhem, althans in Nederland, een of meermalen door giften (te weten geldbedragen) of beloften van geld of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (te weten het grote leeftijdsverschil), een persoon, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden, te weten dat verdachte die [slachtoffer] heeft gepijpt en/of heeft afgetrokken en/of zijn, verdachtes vinger in en/of tegen de anus van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of dat verdachte door die [slachtoffer] is afgetrokken; althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt: hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2006 tot en met 15 december 2007 te Arnhem, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboortedatum [x], die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met verdachte tegen betaling terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht daarin, dat verdachte die [slachtoffer] heeft gepijpt en/of heeft afgetrokken en/of zijn, verdachtes vinger in en/of tegen de anus van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of dat verdachte door die [slachtoffer] is afgetrokken; 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 5 juli 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem. Als benadeelde heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: - [slachtoffer]. Namens de benadeelde partij is verschenen de heer [betrokkene]. De officier van justitie, mr. W. Gerretschen, heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of FPK De Tender, dan wel een soortgelijke instelling. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie verzocht deze geheel toe te wijzen en hij heeft gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 3. De beslissing inzake het bewijs Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Vaststaande feiten Op grond van de bewijsmiddelen worden de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan, vastgesteld. Verdachte heeft in 2006 of 2007 meermalen te Arnhem ontuchtige handelingen verricht met [slachtoffer]. Verdachte heeft [slachtoffer] gepijpt, heeft hem afgetrokken en heeft zich door [slachtoffer] laten aftrekken. Verdachte heeft [slachtoffer] telkens opzettelijk bewogen tot het plegen of dulden van deze handelingen door hem daarvoor te betalen. [slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] en was dus op 15 december 2007 nog geen 18 jaren oud. Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte de tenlastegelegde handelingen heeft gepleegd in de periode van 1 juli 2007 tot en met 15 december 2007, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] in die periode nog geen 18 jaar oud was. Verder acht de officier van justitie, naast de bij de vaststaande feiten genoemde ontuchtige handelingen, ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn vinger in/tegen de anus van [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de handelingen pas zijn begonnen vanaf juli 2007. Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte niet wist dat [slachtoffer] jonger was dan18 jaar oud en dat hij dit ook niet redelijkerwijs hoefde te vermoeden. De raadsman heeft verzocht om verdachte daarom vrij het spreken van het primair tenlastegelegde. Verdachte ontkent zijn vinger in/tegen de anus van [slachtoffer] te hebben geduwd of gebracht. Beoordeling van de standpunten Periode Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 15 december 2007 ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Verdachte verklaart daarover dat de handelingen in juli 2007 zijn begonnen, [slachtoffer] stelt dat de handelingen zijn begonnen in 2004. Zowel verdachte als [slachtoffer] verklaren dat zij elkaar leerden kennen toen [slachtoffer] in een band speelde. [slachtoffer] verklaarde dat deze band in die tijd [bandnaam1] “ging heten”. Andere leden van de band waren [bandlid1], [bandlid2], [bandlid3], [bandlid4]” en “[bandlid5]”. Deze band oefende in een ruimte van de stichting [naam stichting] (hierna: [naam stichting]) te Arnhem en in deze oefenruimte zouden verdachte en [slachtoffer] elkaar voor het eerst hebben ontmoet. In het dossier bevindt zich een ‘gebruikersovereenkomst huur oefenruimte’ (hierna huurcontract) waaruit blijkt dat de band “[bandnaam2]” vanaf 16 september 2006 gebruik is gaan maken van de oefenruimte van de [naam stichting]. Eén van de toenmalige leden van de band,[bandlid5] ([bandlid5]), verklaart dat hij met een band genaamd “[bandnaam3]” gebruik is gaan maken van de oefenruimte van de [naam stichting]. Uit zijn verklaring volgt dat deze band uit dezelfde, hiervoor genoemde, leden bestond als de band waarin [slachtoffer] toen speelde. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [slachtoffer] en [bandlid5] het over dezelfde band hebben en dat deze band op enig moment - voor of nadat de band “[bandnaam1]” ging heten - “[bandnaam3]”of “[bandnaam2]” heette (waarbij zij ervan uitgaat dat, hoewel de naam van deze band in het proces-verbaal van verhoor en in het huurcontract verschillend is gespeld, dezelfde band wordt bedoeld). Nu uit het huurcontract volgt dat deze band in september 2006 is gaan oefenen in de [naam stichting] en verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben leren kennen in de [naam stichting], acht de rechtbank in ieder geval aannemelijk dat verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben leren kennen ná september 2006. Dit maakt dat de verklaring van [slachtoffer] op dit punt niet kan worden gevolgd en de rechtbank daarom wat betreft de datum waarop de handelingen zijn begonnen uitgaat van de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2010. Gelet op die verklaring acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in juli 2007 is begonnen met het plegen van ontuchtige handelingen, terwijl de tenlastegelegde periode eindigt op 16 december 2007 (namelijk op het moment dat [slachtoffer] 18 jaar oud werd en daarmee het strafbare karakter van verdachtes handelen kwam te vervallen). Leeftijd Voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde is noodzakelijk dat wordt bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] in de periode van 1 juli 2007 tot en met 15 december 2007 nog geen 18 jaar oud was. Verdachte stelt dat [slachtoffer] tegen hem heeft gezegd dat hij op het moment dat de ontuchtige handelingen een aanvang namen 18 jaar oud was, [slachtoffer] ontkent dit. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om [slachtoffer] op dit punt ongeloofwaardig te achtte, gaat zij ervan uit dat [slachtoffer] helemaal niet tegen verdachte over zijn leeftijd heeft gelogen door te zeggen dat hij 18 jaar oud was. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] in juli 2007 nog op school zat, dat hij nog thuis woonde, dat hij nog op bepaalde tijdstippen thuis moest zijn en dat zijn moeder nog regelmatig belde waar hij was. Verdachte was van deze feiten op de hoogte. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat niet kan worden gezegd dat [slachtoffer] een levensstijl had die erg afwijkt van de gemiddelde jongen van 17 jaar oud. Ook de overige leden van de band waren jonge jongens: zo was [bandlid1] op 1 juli 2007 18 jaar oud , was [bandlid5] 16 jaar oud en was [bandlid2] 17 jaar oud. Het was dus ook niet zo dat de omgeving van [slachtoffer] bestond uit jongens die veel ouder waren dan hij zelf was. Verdachte heeft bovendien verklaard dat [slachtoffer] eruit zag als een jongen van 18 jaar oud. Hieruit leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] er ook niet veel ouder uitzag dan hij in werkelijkheid was. [slachtoffer] oogde dus als iemand van zijn leeftijd, gedroeg zich als iemand van zijn leeftijd en had vrienden van zijn eigen leeftijd. Daaruit volgt dat er voor verdachte geen enkele aanleiding is geweest om [slachtoffer] ouder te schatten dan hij daadwerkelijk was. Daarbij komt dat verdachte in 1999 eerder is veroordeeld voor een zedendelict. Verdachte wist vanaf 1999 al dat er een leeftijdsgrens is wat betreft het plegen van seksuele handelingen met een ander persoon. Verdachte was dus een gewaarschuwd man. De vraag is nu of verdachte, gelet op het bovenstaande, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] jonger was dan 18 jaar. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “weten” is voldoende dat wettig en overtuigend wordt bewezen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] jonger was dan 18 jaar, dat verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans en dat verdachte vervolgens het risico dat [slachtoffer] jonger was maar op de koop toe heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving van de levensstijl, vrienden en het uiterlijk van [slachtoffer] volgt dat er naar algemene maatstaven een aanmerkelijke kans bestond dat een jongen die aan die omschrijving voldoet, jonger was dan 18 jaar oud. Bewezen is verklaard dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden gedurende een periode van ruim vijf maanden. Gelet op de lengte van deze periode én gelet op het feit dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten (en dus een gewaarschuwd man was), acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte zich in die hele periode niet één keer heeft afgevraagd of [slachtoffer] wel 18 jaar oud was. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte op enig moment wist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] jonger was dan 18 jaar. Op het moment dat [slachtoffer] 18 jaar werd, hebben de seksuele handelingen nog enige tijd plaatsgevonden. Verdachte heeft dus ergens in de tenlastegelegde periode geweten van de aanmerkelijke kans én heeft zijn handelen toen niet gestaakt. Daarmee heeft verdachte het risico dat de aanmerkelijke kans intrad ook aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat [slachtoffer] in de tenlastegelegde periode jonger was dan 18 jaar oud. Welke ontuchtige handelingen zijn gepleegd?. [slachtoffer] heeft, naast de bij de vaststaande feiten genoemde ontuchtige handelingen, ook aangifte gedaan van het feit dat verdachte meermalen zijn vinger in zijn anus heeft gebracht. Verdachte bekent de overige tenlastegelegde handelingen te hebben gepleegd, maar ontkent stellig zijn vinger in, dan wel tegen de anus van [slachtoffer] te hebben gebracht. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] op sommige punten onaannemelijk verklaart. Zo verklaart hij bijvoorbeeld dat de ontuchtige handelingen in 2004 zijn begonnen, terwijl uit het dossier volgt dat verdachte en [slachtoffer] elkaar pas in 2006 hebben leren kennen. Dit maakt dat de rechtbank, bezien de stellige ontkenning van verdachte, alleen de verklaring van aangever omtrent het binnendringen met de vinger onvoldoende vindt om tot een bewezenverklaring hiervan te komen. Weliswaar verklaart [slachtoffer] ook over een fles massageolie die zou zijn gebruikt bij het binnendringen en weet hij die fles te omschrijven, maar de rechtbank acht dit niet doorslaggevend. Immers, die fles bevond zich in de badkamer van verdachte en [slachtoffer] is vele malen bij verdachte thuis geweest. [slachtoffer] kan die fles dus ook gewoon een keer in de badkamer hebben zien staan. Nu er zich in het dossier geen overige bewijsmiddelen bevinden die ondersteunen dat verdachte zijn vinger in, dan wel tegen de anus van [slachtoffer] heeft gebracht, acht de rechtbank deze handeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.