← Nederland

ECLI:NL:RBARN:2010:BN8133

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 10/1176 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 14 september 2010 inzake [eiseres], eiseres, wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

  1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 22 maart
  2. Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 januari 2010 gehandhaafd. Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 11 augustus
  3. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. van Cleef.
  4. Overwegingen Eiseres is geboren op 6 april
  5. Vanaf 6 april 2006 ontvangt zij een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Op 26 december 2009, bij verweerder ontvangen op 4 januari 2010, heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet gedurende 60 maanden voorafgaande aan de aanvraag een inkomen had niet hoger dan de bijstandsnorm. Mogelijk komt eiseres per 6 april 2011 voor het eerst in aanmerking voor de gevraagde toeslag, aldus verweerder. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Op hetgeen namens haar is aangevoerd, zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 36 van de Wwb luidt als volgt.
  6. Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
  7. (…).
  8. (…).
  9. De langdurigheidstoeslag wordt verleend met ingang van de datum waarop de persoon langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft.
  10. De artikelen 12, 43, 44, 49 en 52 zijn niet van toepassing.
  11. (…). Ingevolge artikel 8, eerste lid aanhef en onder d, van de Wwb, stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel
  12. De gemeenteraad van de gemeente Nijmegen heeft hieraan gevolg gegeven door vaststelling van de Verordening langdurigheidstoeslag 2009 (hierna: de Verordening). In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Verordening, voor zover hier van belang, wordt onder langdurig verstaan: een aaneengesloten periode van 60 maanden. In onderdeel c van deze bepaling wordt het begrip laag inkomen gedefinieerd als: een inkomen dat niet hoger is dan 100 % van de toepasselijke bijstandsnorm. Op grond van onderdeel d wordt als peildatum beschouwd de datum waarop in enig jaar het recht op langdurigheidstoeslag ontstaat. De rechtbank stelt vast dat in de Verordening niet is geregeld vanaf wanneer de referteperiode kan aanvangen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de referteperiode van 60 maanden eerst kan aanvangen op het moment waarop eiseres de leeftijd van 18 jaar had bereikt, zodat op het moment van de aanvraag niet kan worden gesproken van een langdurig laag inkomen. Eiseres heeft dit standpunt betwist en stelt dat zij in de 60 maanden voorafgaande aan het moment dat zij 21 jaar werd een laag inkomen had als bedoeld in de Verordening, zodat zij op grond van de Wwb in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag. De rechtbank acht de uitleg van artikel 36, eerste lid, van de Wwb in samenhang met de Verordening zoals verweerder die voorstaat in de bestreden beslissing niet onjuist. De uitleg van eiseres acht de rechtbank niet verenigbaar met het systeem van de Wwb. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Tot 1 januari 2009 luidde artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb als volgt: Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft. Uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de huidige formulering van artikel 36, eerste lid, van de Wwb (TK, vergaderjaar 2007-2008, 31 441, nr. 3) blijkt als volgt. De (oude) ondergrens van 23 jaar vond, aldus de wetgever, zijn rechtvaardiging in de termijn van vijf jaar (in het oude eerste lid, onderdeel a, van de artikel 36) in combinatie met de leeftijd waarop men meerderjarig is. Deze rechtvaardiging verliest zijn grondslag omdat de refertetermijn van vijf jaar in de Wwb komt te vervallen. Gemeenten kunnen zelf bepalen wat zij onder de term langdurig verstaan. Gekozen is om in de wet de ondergrens op 21 jaar te stellen omdat dit de leeftijd is waarop de ouderlijke onderhoudsplicht vervalt. Hiermee blijft de langdurigheidstoeslag aansluiten op het systeem van de wet ten aanzien van personen jonger dan 21 jaar. Uit deze toelichting blijkt dat de wetgever het bepalen van de duur van de referteperiode aan de gemeenten heeft overgelaten. Echter uit het systeem van de wet volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de referteperiode eerst kan aanvangen op de dag waarop belanghebbende de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Immers, het is naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met het doel en de strekking van de Wwb om personen jonger dan 18 jaar bijstandsrechten op te laten bouwen. Dat hiermee in combinatie met het hanteren van een referteperiode van 60 maanden, personen in de leeftijd van 21 tot 23 jaar in de gemeente Nijmegen nimmer voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking kunnen komen, leidt niet tot een ander oordeel en komt niet, zoals eiseres wel betoogd, in strijd met de Wwb. Zoals hiervoor weergegeven heeft de wetgever de invulling van criteria om voor langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen, overgelaten aan de gemeenten. Dit brengt mee dat het begrip “langdurig laag inkomen” in de gemeentelijke verordening nader moet worden gedefinieerd. De wetgever heeft evenwel ervoor gekozen een ondergrens voor een recht op een langdurigheidstoeslag vast te stellen op 21 jaar. Met de keuze voor deze ondergrens tezamen met de keuze om de duur van de referteperiode aan de gemeenten over te laten, moet de wetgever voor ogen hebben gehad het geval, zoals het onderhavige, dat gemeenten een referteperiode langer dan drie jaar hanteren, zodat betrokkenen in die gemeenten op een leeftijd ouder dan 21 jaar eerst in aanmerking kunnen komen voor een langdurigheidstoeslag. Bovenstaande brengt mee dat het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Verordening, waarin de referteperiode op 60 maanden is vastgesteld, niet in strijd is met artikel 36 van de Wwb. Nu eiseres vanaf 6 april 2006, de datum waarop zij 18 jaar werd, tot de datum van de aanvraag nog geen 60 maanden aaneengesloten een inkomen niet hoger dan de toepasselijke de bijstandsnorm had, was verweerder niet bevoegd tot het toekennen van de gevraagde langdurigheidstoeslag. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte ervan heeft afgezien haar te horen. De rechtbank kan eiseres hierin volgen. Van het horen mag ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts worden afgezien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier niet voor. Hoewel uit het bezwaarschrift blijkt dat geen geschil was omtrent het aangenomen feitencomplex, was niet aanstonds duidelijk dat de bezwaren van eiseres, gericht tegen de weigering van verweerder toepassing te geven aan zijn bevoegdheid om haar een langdurigheidstoeslag toe te kennen, ongegrond waren en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over die conclusie. Immers, eiseres heeft zich in bezwaar op het standpunt gesteld dat het bepaalde in de Wwb ertoe dient te leiden dat aan haar een langdurigheidstoeslag had moeten worden toegekend. Onder deze omstandigheden mocht verweerder niet afzien van het horen van eiseres en is het besluit in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb genomen. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet – gelet op het vorenoverwogene – geen aanleiding de zaak ter verdere afhandeling naar verweerder terug te verwijzen. Eiseres heeft haar standpunt ter zitting van de rechtbank in voldoende mate naar voren kunnen brengen. Zij heeft aldaar geen nadere feiten en omstandigheden gesteld. Voorts zijn de beschikbare gegevens toereikend om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor vergoeding van de door eiseres gemaakte kosten in de bezwaarprocedure. Ingevolge artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, acht de rechtbank wel termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Immers, nu eiseres beschikt over een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat beroepsmatig rechtsbijstand is verleend en daarvoor kosten zijn gemaakt. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging op grond van de Wrb heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
  13. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; - veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874; - bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd; - bepaalt voorts dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan haar vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op 14 september
  14. Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op:14 september 2010

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.