RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummers: AWB 09/3709 en AWB 10/74 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 juni
- inzake [Eiseres], eiseres, wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.M.E. van der Haar, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.
- Aanduiding bestreden besluiten I Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2006 (registratienummer: AWB 09/3709); II Besluit van verweerder van 16 november 2009 (registratienummer: AWB 10/74).
- Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2006 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) over de periode van 4 januari 2005 tot en met 31 augustus 2005 ingetrokken en de over deze periode ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van in totaal € 2504,75 van eiseres teruggevorderd. Verweerder heeft tevens aan eiseres een maatregel opgelegd van 20% gedurende twee maanden, indien eiseres binnen 12 maanden opnieuw aanspraak maakt op een bijstandsuitkering. Bij besluit op bezwaar van 11 september 2006 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar van eiseres gegrond verklaard, in zoverre dat de opgelegde maatregel wordt ingetrokken. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en is het besluit van 15 maart 2006 betreffende de intrekking en de terugvordering van bijstand gehandhaafd. Bij uitspraak van 4 april 2007 (registratienummer: AWB 06/5448) heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 september 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Bij brief van 11 september 2009 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een ter uitvoering van voornoemde uitspraak nieuwe beslissing op bezwaar (besluit I). Naar aanleiding van de uitspraak van 4 april 2007 heeft verweerder bij besluit II de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 15 maart 2006 gegrond verklaard, in zoverre dat de opgelegde maatregel wordt ingetrokken. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en is het besluit van 15 maart 2006 onder wijziging van de wettelijke grondslag gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 april
- Namens eiseres is aldaar verschenen mr. J.M.E. van der Haar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij verweerders gemeente.
- Overwegingen Ten aanzien van besluit I Ingevolge het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of, indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld, binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Niet is gebleken dat in het onderhavige geval een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld. Bij de uitspraak van 4 april 2007 heeft deze rechtbank geen termijn gegeven waarbinnen verweerder opnieuw op de bezwaren van eiseres diende te beslissen, zodat moet worden uitgegaan van de in artikel 7:10 van de Awb aangegeven termijnen. Als aanvang van de termijn waarbinnen het nieuwe besluit op bezwaar moet zijn genomen, geldt de datum waarop de uitspraak is verzonden, te weten 4 april
- Vaststaat dat verweerder de ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb juncto artikel 7:10, derde lid, van de Awb geldende termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar ter uitvoering van de uitspraak heeft overschreden. Voorts staat vast dat verweerder, hangende het beroep, bij besluit II alsnog op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 15 maart 2006 heeft beslist. Gesteld noch gebleken is dat eiseres belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het uitblijven van een tijdige nieuwe beslissing op het bezwaar. Anders dan door eiseres wordt betoogd, kan in de omstandigheid dat het bestreden besluit ruim anderhalf jaar na de uitspraak van 4 april 2007 is genomen niet een dergelijk belang gelegen zijn. Het beroep, voor zover gericht tegen besluit I, dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. In het niet tijdig beslissen door verweerder ziet de rechtbank evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de aan het indienen van het beroepschrift verbonden proceskosten, waarbij de gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) dient te worden toegepast. Voor vergoeding komt dan ook in aanmerking een bedrag van € 80,
- Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Ten aanzien van besluit II Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, wordt het beroep van eiseres geacht mede te zijn gericht tegen besluit II. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Eiseres ontving vanaf 4 januari 2005 een (aanvullende) bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Bij haar bijstandsaanvraag heeft eiseres melding gemaakt dat zij in het bezit was van onroerend goed in Turkije. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara ingeschakeld voor een nader vermogensonderzoek. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in een rapportage van 11 april
- Hieruit volgt dat de onroerende zaken van eiseres, alle gelegen in Karaman te Turkije, de nalatenschap betreffen van de op 22 augustus 1992 overleden echtgenoot van eiseres. Ten tijde van de bijstandsaanvraag van eiseres bestond deze nalatenschap uit drie werkplaatsen en drie appartementen. Een lokale makelaar M. Tunç (hierna: Tunç) heeft voornoemd gebouw met drie verdiepingen ter plaatse bezichtigd en heeft tevens kennis genomen van de desbetreffende aangiften onroerende zaakbelasting
- Rekening houdend met de toestand, leeftijd en dergelijke eigenschappen van het gebouw is, blijkens diens taxatierapport van 5 april 2005, de actuele marktverkoopprijs als volgt door hem bepaald: - drie winkels/werkplaatsen á 10 m²: YTL 30.000; - de woning op de 1e verdieping opp. 120 m²: YTL 30.000; - de woning op de 2e verdieping opp. 120 m²: YTL 27.000; - de woning op de 3e verdieping (terras) opp. 100 m²: YTL 22.000; Totaal : YTL 109.000 (€ 46.662). Aangezien eiseres volgens Turks erfrecht gerechtigd is tot ¼ deel van de erfenis, kon eiseres volgens verweerder ten tijde van haar bijstandsaanvraag beschikken over een vermogen van € 11.665,
- Gelet hierop heeft verweerder bij primair besluit van 15 maart 2006 het recht op bijstand van eiseres over de periode van 4 januari 2005 tot en met 31 augustus 2005 ingetrokken wegens overschrijding van het voor haar geldende vrij te laten vermogen. Eiseres heeft een eigen taxatierapport van 6 juni 2006 van makelaar M. Özkan (hierna: Özkan) te Karaman – beëdigd makelaar en taxateur in onroerend goed – ingebracht, waaruit blijkt dat de totale waarde van de drie winkels en de drie appartementen YTL 61.000 bedraagt. Deze taxatie is als volgt opgesteld: - drie winkels/werkplaatsen á 10 m², 6,5 m² en 8 m², totaal: YTL 27.000; - de woning op de 1e verdieping opp. 90 m²: YTL 13.000; - de woning op de 2e verdieping opp. 90 m²: YTL 13.000; - de woning op de 3e verdieping opp. 40 m²: YTL 8.
- De rechtbank heeft in de eerdergenoemde uitspraak van 4 april 2007 overwogen dat, gelet op het aanzienlijke verschil tussen de taxatie die in opdracht van eiseres is verricht en de taxatie die in opdracht van verweerder is verricht, het op de weg van verweerder had gelegen om uit een oogpunt van zorgvuldigheid zijn standpunt nader te motiveren. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder nader onderzoek laten verrichten door het Internationaal Bureau Fraude informatie (hierna: IBF). De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 januari
- Dit rapport omvat een door de makelaars Tunç en A. Içkol (hierna: Içkol) uitgevoerde taxatie, alsmede hun schriftelijke reactie op het door eiseres ingebrachte taxatierapport van 6 juni
- Onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen van het IBF heeft verweerder aan besluit II ten grondslag gelegd dat eiseres vanaf de datum van toekenning van de bijstandsuitkering redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen dat meer bedraagt dan het voor eiseres geldende vrij te laten vermogen van € 5.105,
- Volgens verweerder zijn met het nadere rapport van 10 januari 2008 de bevindingen van makelaar Özkan volledig weerlegd. Deze is uitgegaan van onjuiste oppervlakten en heeft bovendien een verkeerd beeld van de actuele marktwaarde van het onroerend goed. Gelet hierop heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de Wwb en de over deze periode ten onrechte verstrekte bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb van eiseres teruggevorderd. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat de door de makelaars Tunç en Içkol vastgestelde oppervlaktes van de garage, de derde winkel en de woningen niet juist zijn. Volgens eiseres moet worden uitgegaan van de oppervlaktes, zoals opgenomen in het door haar ingebrachte taxatierapport van 6 juni 2006 van makelaar Özkan. Gelet op deze gegevens ligt het vermogen van eiseres onder het vrij te laten vermogen. Verder voert eiseres aan dat verweerder in zijn berekening ten onrechte uitgaat van de volledige eigendom van de drie winkels. Onder verwijzing naar pagina 2 van het rapport van 11 april 2005 stelt eiseres dat het gaat om de eigendom van 1/10 deel. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Gezien de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank van 4 april 2007, waartegen partijen geen rechtsmiddel hebben ingesteld, staat in rechte vast dat eiseres ten tijde in geding recht had en nog steeds heeft op ¼ deel van een nalatenschap, bestaande uit onroerende zaken, zodat zij redelijkerwijs over het desbetreffende vermogen kan beschikken in de zin van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb. Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij de vermogensvaststelling de waarde van de in geding zijnde onroerende zaken, zoals opgenomen in het nieuwe rapport van 10 januari 2008, thans op zorgvuldige wijze heeft vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil, zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, dat eiseres recht heeft op ¼ deel van de volgende onroerende zaken in Turkije: - drie appartementen; - 1/10 deel van drie winkels/werkplaatsen. In dit verband heeft verweerder ter zitting naar voren gebracht dat bij besluit II abusievelijk van de volledige eigendom van de drie winkels/werkplaatsen uit is gegaan. Volgens verweerder moet er gelet op het rapport van 11 april 2005 – dat aan het door deze rechtbank vernietigde besluit ten grondslag lag – vanuit worden gegaan dat de echtgenoot van eiseres 1/10 deel van de winkels/werkplaatsen bezat. Reeds om die reden kan het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank zal het beroep tegen dit besluit dan ook gegrond verklaren. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat besluit II niet in stand blijven. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft de vermogensvaststelling onder meer doen steunen op het rapport van 10 januari
- Blijkens dit rapport hebben de taxateurs Tunç en Içkol de totale waarde van de onroerende zaken van eiseres vastgesteld op YTL 102.
- Deze taxatie is als volgt opgesteld: - drie winkels/werkplaatsen á 10 m², 15m² en 10m²: YTL 30.000; - de woning op de 1e verdieping opp. 120 m², totaal: YTL 30.000; - de woning op de 2e verdieping opp. 120 m²: YTL 31.000; - de woning op de 3e verdieping (terras) opp. 50m²: YTL 11.
- De taxateurs Tunç en Içkol hebben de oppervlakte van de winkel, waarin DVD-VCD’s worden verhuurd, na bezichtiging op 10m² vastgesteld, hetgeen eiseres niet heeft betwist. Over de overige twee winkels hebben zij het volgende gesteld: “De winkel aan de rechterkant (…) waarop ‘garage’ vermeld staat, heeft een oppervlakte van minimaal 15m², aangezien men in deze ruimte een auto moet kunnen parkeren. Wij denken niet dat de andere winkel die helemaal rechts is, een oppervlakte van minder dan 10m² kan hebben.” Naar het oordeel van de rechtbank hebben de taxateurs hiermee niet op concrete en objectief verifieerbare wijze de oppervlakten zoals opgenomen in het door eiseres ingebrachte taxatierapport van Özkan van 6 juni 2006 weerlegd. Uit het taxatierapport van 10 januari 2008 kan worden afgeleid dat de taxateurs de vastgestelde oppervlaktematen hebben gebaseerd op hun eigen vermoedens, hetgeen onvoldoende is om deze oppervlaktematen voor juist te houden. De rechtbank acht hierbij nog van belang dat de door Özkan verrichte taxatie tot stand is gekomen na bezichtiging van de winkels, hetgeen verweerder niet heeft betwist. Over de drie woningen hebben de taxateurs Tunç en Içkol in reactie op het door eiseres ingebrachte taxatierapport van 6 juni 2006 het volgende opgemerkt: “Aangezien het gebouw op een kavel van 300m² is gebouwd en de gebouwen naast elkaar gebouwd zijn, denken wij dat het gebouw een bouwoppervlakte van 120m² en ieder appartement een woonoppervlakte van 120m² (van buitenaf) heeft.” Deze onderbouwing acht de rechtbank onvoldoende redengevend om de oppervlaktematen en de daarop gebaseerde waardebepaling van de taxateurs Tunç en Içkol voor juist te houden. Daar komt nog bij dat de rechtbank niet duidelijk is geworden op grond waarvan thans in het taxatierapport van 10 januari 2008 ten aanzien van de derde woning wordt uitgegaan van een oppervlakte van 50m², terwijl aanvankelijk in het rapport van 11 april 2005 het oppervlak op 100m² was vastgesteld. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het taxatierapport van 10 januari 2008 en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de in opdracht van verweerder verrichte taxatie tot stand is gekomen zonder dat de onroerende zaken van binnen zijn bezien en zonder dat daarbij bouwtekeningen van de in geding zijnde onroerende zaken zijn betrokken. Dit, terwijl vast staat dat Özkan de onroerende zaken van binnen heeft bekeken. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank van de juistheid van de door verweerder gehanteerde oppervlaktematen van de onroerende zaken, en daarmee ook de daarop gebaseerde waardebepaling, niet worden uitgegaan. In het taxatierapport van 10 januari 2008 ontbreekt een deugdelijke onderbouwing van en toelichting op de gehanteerde schattingsmethode en de totstandkoming van de vaststelling van de waarde van de in geding zijnde onroerende zaken. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende invulling gegeven aan zijn onderzoeksplicht in de zin van artikel 3:2 van de Awb en heeft verweerder uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming het taxatierapport van 10 januari 2008 niet zonder meer aan besluit II ten grondslag mogen leggen. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:9 en artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank moet voorts vaststellen dat er inmiddels bijna 5 jaar is verstreken sinds de melding van eiseres bij haar bijstandsaanvraag dat zij in het bezit was van onroerend goed. Verweerder is er tot twee keer toe niet in geslaagd een zorgvuldig onderzoek en daarmee een steekhoudende motivering ten grondslag te leggen aan het standpunt dat eiseres over vermogen kan beschikken dat het vrij te laten vermogen te boven gaat. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat een onderzoek in het buitenland, mede gelet op de afhankelijkheid van andere instanties, tijdrovend kan zijn, moet op grond van het voorgaande worden geconcludeerd dat verweerder kennelijk niet in staat is voor de (handhaving van de) intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres een deugdelijke motivering te geven. Dit oordeel geeft de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 15 maart 2006 te herroepen. De kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb. De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
- Beslissing De rechtbank verklaart het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen besluit II gegrond; vernietigt besluit II; herroept het besluit van 15 maart 2006; veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 80,50 inzake AWB 09/3709 en € 874 inzake AWB 10/74; bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan haar vergoedt. Aldus gegeven door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op 22 juni
- Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 22 juni 2010.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.