uitspraak RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer registratienummer: AWB 09/1421 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 30 september 2010 inzake [X], wonende te [Y], eiser, tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Wageningen, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) parkeerbelastingen opgelegd, ten bedrage van € 49,90. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 februari 2009 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 29 maart 2009, ontvangen bij de rechtbank op 31 maart 2009, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2010 te Arnhem. Eiser is daar, met bericht, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde]. De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:68 Awb het onderzoek heropend omdat was gebleken dat het onderzoek niet volledig was. Verweerder heeft desgevraagd nadere stukken ingediend die in kopie naar eiser zijn verzonden. De rechtbank heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2010 te Arnhem. Eiser is daar, bijgestaan door zijn echtgenote, verschenen. Verweerder is, met bericht, niet verschenen. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. 2.1 Op donderdag 8, vrijdag 9 en zaterdag 10 januari 2009 heeft eiser zijn auto geparkeerd in de [A-straat] te [Q] om zijn dochter te helpen met haar nieuwe woning. Bij de parkeerautomaat heeft eiser op voormelde dagen na betaling van € 5 parkeerkaarten verkregen die geldig waren tot respectievelijk 18:00 uur, 21:00 uur en 17:00 uur. Op de parkeerkaarten staat vermeld dat zij goed leesbaar op het dashboard van de auto moeten worden geplaatst. Daarnaast beschikken de kaarten over een uniek nummer en vermelden zij achtereenvolgens de vertrektijd, de datum, het bedrag van € 5, de parkeerautomaat waar de kaart is verkregen: [A-straat 1 ] [Q], en de dag en het tijdstip van betaling. 2.2 Op 10 januari 2009 is eiser, nadat hij de parkeerkaart om 9:57 uur had aangeschaft, vergeten de kaart op het dashboard van zijn auto te plaatsen en is hij eerst met zijn echtgenote koffie gaan drinken bij zijn dochter. Eiser is kort daarna teruggekeerd om deze alsnog op de vorenbedoelde plek te leggen. Bij terugkomst trof eiser evenwel de parkeercontroleur die kort tevoren, te weten om 10.22 uur, een naheffingsaanslag had opgelegd. De controleur raadde eiser aan bezwaar te maken om op deze wijze de aanschaf van de parkeerkaart alsnog te kunnen aantonen. 2.3 In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. In de uitspraak staat onder meer het volgende vermeld: “ Op de parkeerplaats in [Q] waar u stond, moet parkeerbelasting op aangifte betaald worden. Dat betekent dat u van tevoren geld in de automaat moet gooien. Als bewijs van de betaalde parkeerbelasting krijgt u een parkeerkaart met een tijd tot wanneer u de belasting heeft voldaan. U heeft van de gemeente Wageningen een naheffingsaanslag parkeerbelasting gekregen, omdat deze belasting niet zichtbaar was voldaan. (…) Het is vervolgens aan u om aannemelijk te maken dat de opgelegde naheffingsaanslag onterecht is. U stelt dat u wel parkeerbelasting heeft betaald, maar dat u de gekochte parkeerkaart had meegenomen. Als u achteraf alsnog een parkeerkaart toont, is er niet meer na te gaan dat deze daadwerkelijk voor het door u geparkeerde voertuig is aangeschaft. Het is daarom geen overtuigend bewijs om aan de juistheid van de opgelegde naheffingsaanslag te twijfelen.” 2.4 Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. 3. Geschil 3.1 In geschil is of verweerder aan eiser terecht een naheffingsaanslag parkeerbelastingen heeft opgelegd. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel degelijk parkeerbelasting heeft voldaan; hij heeft immers voor € 5 een parkeerkaart aangeschaft. Ten bewijze daarvan heeft hij zowel de kaart van 10 januari 2009 overgelegd, als de kaarten die hij de dagen daarvoor heeft aangeschaft. Volgens eiser dient de naheffingsaanslag dan ook te worden vernietigd. 3.2 In het verweerschrift heeft verweerder zich, anders dan in de uitspraak op bezwaar, op het standpunt gesteld dat eiser wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij een parkeerkaart heeft gekocht, maar dat de naheffingsaanslag toch in stand moet blijven. Daartoe heeft verweerder aangevoerd, dat de door eiser aangeschafte parkeerkaart een vergunning is voor één dag (hierna ook: de dagvergunning). Op grond van artikel 4, aanhef en onder e, van de Verordening parkeerbelastingen 2009 hoeft geen parkeerbelasting op aangifte te worden voldaan, indien het vergunningsbewijs van buitenaf goed leesbaar achter de voorruit van het voertuig is aangebracht. Aan deze eis heeft eiser niet voldaan. Nu eiser voorts ook geen parkeerbelasting op aangifte heeft voldaan, op de grond dat de betaling moet worden aangemerkt als betaling voor de vergunning en niet als de voldoening op aangifte van parkeerbelasting, is de naheffingsaanslag volgens verweerder terecht opgelegd. 3.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4. Beoordeling van het geschil 4.1 De Verordening parkeerbelastingen 2009 van de gemeente Wageningen luidt, voor zover thans van belang, als volgt: “ Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: (…) e. vergunning: een door het college van burgemeester en wethouders verleende vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Parkeerverordening 2005, krachtens welke het is toegestaan een voertuig te parkeren op de daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen; (…) l. dagdeelvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Parkeerverordening 2005, met dien verstande dat deze vergunning slechts gedurende één dagdeel geldig is; m. dagdeel: een periode van 00.00 uur tot 13.30 uur en een periode van 12.00 uur tot 24.00 uur; n. ontheffing: een door het college van burgemeester en wethouders verleende ontheffing als bedoeld in artikel 8 van de Parkeerverordening 2005 en artikel 3 van deze verordening; (…) Artikel 2. Belastbaar feit [tekst is gelijk aan artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet; toevoeging rechtbank] Onder de naam parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens de deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel 4. Vrijstelling De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven ter zake van: (…) e. voertuigen voorzien van een geldig vergunningsbewijs, mits deze goed leesbaar achter de voorruit van het voertuig is aangebracht; (…) Artikel 5. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel 6. Ontstaan van de belastingschuld 1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Artikel 9. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd, geschiedt door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. “ 4.1.1 In de Tarieventabel parkeerbelastingen, als bedoeld in artikel 5 van de Verordening parkeerbelastingen 2009, is onder meer vermeld: “ (…) 1. Het belastingtarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onder a, bedraagt: (…) 2. Het belastingtarief voor een parkeervergunning, als bedoeld in artikel 2, onder b bedraagt per voertuig per jaar of gedeelte daarvan: a. voor een vergunning als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a van de parkeerverordening 2005: € 33,00. b. voor een vergunning als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b van de parkeerverordening 2005: € 432,00. 3. Het belastingtarief voor een parkeervergunning, als bedoeld in artikel 2, onder b bedraagt per voertuig per kwartaal of gedeelte daarvan: a. voor een vergunning als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a van de parkeerverordening 2005: € 12,00. b. voor een vergunning als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b van de parkeerverordening 2005: € 123,40. 4. Het belastingtarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onder b bedraagt per voertuig bij een geldigheidsduur van 1 dag tot 24:00 uur van die dag: € 5,00. (…) “ 4.1.2 De Parkeerverordening 2005 luidt, voor zover thans van belang, als volgt: “ Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: (…);
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.