vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 196377 / HA ZA 10-281 Vonnis van 13 oktober 2010 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE WAGENINGEN, zetelend te Wageningen, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. F.J. van Beek te Arnhem, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] PROJECTONTWIKKELING B.V., gevestigd te [woonplaats], gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. T.J. van Veen te Ede. Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 juni 2010 - het proces-verbaal van comparitie van 18 augustus 2010 - de conclusie van antwoord in reconventie. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1 [gedaagde] is een projectontwikkelaar. Haar rechtsvoorgangster in deze zaak is [X] Bouw B.V., van wie zij de rechten en verplichtingen heeft overgenomen. [X] Bouw B.V. zal hierna - buiten geciteerde passages - eveneens [gedaagde] worden genoemd. 2.2 Op 31 maart 2004 heeft de gemeente een aantal projectontwikkelaars uitgenodigd een aanbieding te doen betreffende een te ontwikkelen project nabij de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie B, nummers 9290 en 9720 (gedeeltelijk) (hierna: het terrein). 2.3 Bij brief van 13 mei 2004 heeft [gedaagde] de volgende aanbieding gedaan: Optie 1: - Gemeente [woonplaats] levert de benodigde bouwgrond ten behoeve van het te ontwikkelen en te realiseren bouwplan zoals door ons heden wordt gepresenteerd en overeenkomstig de verstrekte stedenbouwkundigeplankaart, - [X] bouw b.v. neemt alle kosten, incl. leges-bouwvergunning, ten behoeve van de planontwikkeling voor haar rekening, - gemeente [woonplaats] past het bestemmingsplan aan tot een bestemmingsplan waarin het beoogde plan past; hierbij komen tevens de benodigde rapportages, procedures en risico planschade voor rekening van de gemeente [woonplaats]. - [X] bouw b.v. neemt de bouwgrond, na het verlenen van de bouwvergunning, af tegen betaling van een koopsom ad. € 355.000,00 K.K. (..) Optie 2: - Als optie 1, met de navolgende aanvulling: - De gemeente past de parkeernorm aan tot 1,6 parkeerplaats per appartement, hiermee kan [X] bouw b.v. het aantal appartementen aanpassen tot 30 stuks, - [X] bouw b.v. neemt de bouwgrond, na het verlenen van de bouwvergunning, af tegen betaling van een gewijzigde koopsom ad. € 460.000,00 K.K. (..) Optie 3: - Als optie 1 en 2, met de navolgende aanvulling: - [X] bouw b.v. neemt de bouwgrond, na het verlenen van de bouwvergunning en nadat er 70 % van het aantal appartementen is verkocht, af tegen betaling van een gewijzigde koopsom ad. € 575.000,00 K.K. (..) 2.4 Op 3 augustus 2004 heeft de gemeente aan [gedaagde] laten weten dat zij met haar verder wilde onderhandelen, met als doel te komen tot een “verkoopovereenkomst” met betrekking tot het terrein en het vaststellen van de voorwaarden waaronder [gedaagde] op het terrein het project zou gaan ontwikkelen. 2.5 Op 20 juni 2005 heeft [gedaagde] een bouwvergunning voor de op het terrein te stichten opstallen aangevraagd. 2.6 Bij brief van 22 augustus 2005 heeft de gemeente [gedaagde] onder meer het volgende meegedeeld: Onder verwijzing naar uw brief van 13 mei 2004 bieden wij u hierbij aan: de percelen grond gelegen te [woonplaats] aan de [adres] (..) De koopprijs wordt conform optie 3 uit uw bovenvermelde brief bepaald op € 575.000,- kosten koper. (..) Thans heeft u een plan ontwikkeld voor de realisatie van 30 appartementen (..) De sloop van de bestaande bebouwing (..) is voor rekening van de gemeente. (..) Juridische levering vindt in beginsel plaats binnen 1 maand nadat de verleende bouwvergunning onherroepelijk is geworden en u 70 % van het totaal aantal appartementen heeft verkocht. (..) Bij de aanvaarding van deze aanbieding verzoeken wij u ons op te geven: (..) of u het perceel belast met overdrachtsbelasting dan wel belast met omzetbelasting (BTW) geleverd wenst te krijgen (..) 2.7 Bij brief van 23 september 2005 heeft [gedaagde] het aanbod van de gemeente aanvaard en daarbij onder meer opgemerkt: Wij verzoeken u het perceel belast met overdrachtsbelasting aan ons te leveren. Dit betekend dat het perceel niet de kwalificaties van “bouwterrein” in de zin van de wet op de omzetbelasting 1968 dient te bezitten. 2.8 Bij brief van 11 november 2005 heeft [gedaagde] de gemeente het volgende geschreven: Na aanleiding van ons schrijven d.d. 23 september 2005 en ons onderhoud van vandaag bevestigen wij dat het uitgangspunt in onze bieding d.d. 13 mei 2005 is dat het perceel belast met overdrachtsbelasting aan ons geleverd wordt. Dit betekend dat het perceel niet de kwalificaties van “bouwterrein” in de zin van de wet op de omzetbelasting 1968 dient te bezitten. Feitelijk houdt dat in dat de locatie incl. de bebouwing geleverd wordt. Van u heb ik begrepen dat het thans voor de gemeente problematisch is om aan dit uitgangspunt te kunnen voldoen. De reden daarvan zou zijn dat het opstal door hangjongeren gebruikt wordt en door brand beschadigd is geraakt. Op dit moment heeft de gemeente het opstal voorzien van noodafsluiting. U gaf ons aan dat de gemeente voornemens is om de opstallen -omwille van de veiligheid- te slopen. Aangezien dat sloopwerk, in de zin van de wet op de omzetbelasting, als een vervaardigingshandeling wordt gezien zal dit voor [X] Bouw B.W. nadelige gevolgen hebben. Wij verzoeken u dan ook om zich als gemeente maximaal in te spannen om het genoemd uitgangspunt te kunnen realiseren. Wanneer dit inhoud dat de gemeente met extra omzetbelasting over de sloopkosten -die niet als voorbelasting verrekend kan worden- belast, dan zullen deze kosten door [X] Bouw B.V. gecompenseerd worden. Wij hebben u op de hoogte gebracht van het feit dat [X] Bouw B.V. ervaring heeft opgedaan met soortgelijke gevallen. Wij willen u dan ook graag van informatie voorzien die voor u bij de afhandeling van belang kan zijn. 2.9 Bij brief van 25 november 2005 heeft de gemeente aan de belastingdienst gevraagd om ermee te kunnen instemmen dat de sloop van de bebouwing op het terrein niet zal leiden tot de vervaardiging van een bouwterrein in de zin van artikel 11 lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wob), zodat zou kunnen worden geleverd “in de overdrachtsbelastingsfeer”. Bij brief van 29 november 2005 heeft de inspecteur ([Y]) daarop onder meer als volgt gereageerd: (..) Het pand staat leeg, er zijn onlangs diverse vernielingen aangericht, er is asbest verwerkt in het pand, er is gepoogd brand te stichten, de nutsvoorzieningen zijn afgesloten en het pand is dichtgespijkerd. De bestemmingsplanprocedure moet nog worden gestart en duurt naar verwachting nog ongeveer een jaar. Op basis van bovenvermelde informatie leidt het enkel slopen van een pand in dit verband niet tot een bouwterrein zoals bedoeld in art. 11 lid 4 van de Wet OB. Wanneer echter bewerkingen aan de grond zelf plaatsvinden met het oog op de bebouwing dan is er wel sprake van een bouwterrein en is er bij verkoop omzetbelasting verschuldigd. (..) 2.10 Bij brief van 9 december 2005 heeft de gemeente [gedaagde] het volgende bericht: In reactie op uw brief van 11 november jl. bericht ik u als volgt. In tegenstelling tot hetgeen u schrijft ben ik van mening dat het uitgangspunt van uw bieding van 13 mei 2005, namelijk levering van een bouwterrein na het verlenen van de bouwvergunning, een met BTW belaste levering oplevert. In uw brief van 23 september heeft u aangegeven dat u het perceel grond belast met overdrachtsbelasting geleverd wenst te krijgen, waarmee u heeft gedoeld op levering in bestaande staat, dus een perceel grond met opstallen. Nu de gemeente uit veiligheidsoverwegingen genoodzaakt is het pand te slopen, een vervaardigingshandeling op grond van de Wet op de Omzetbelasting, is het voor de gemeente in beginsel niet mogelijk het perceel met overdrachtsbelasting te leveren. Met de heer [Z] is op 23 november jl. afgesproken de noodzaak van sloop aan de inspecteur van de belastingdienst voor te leggen en hen te verzoeken te bevestigen dat sloop met het oog op de veiligheid (en niet gericht op bebouwing van de grond) niet zal leiden tot vervaardiging van een bouwterrein zoals bedoeld in art. 11 lid 4 van de Wet op de Omzetbelasting. De belastingdienst heeft inmiddels schriftelijk bevestigd dat het enkel slopen van het pand niet tot een bouwterrein leidt (een kopie van deze brief is bijgevoegd). De gemeente heeft zich hiermee naar mijn mening maximaal ingespannen om ervoor te zorgen dat conform uw wens in de overdrachtsbelastingsfeer kan worden geleverd. Ik wijs u erop dat mocht er om welke reden dan ook te zijner tijd bij de juridische levering van het perceel toch sprake zijn van een met BTW belaste levering, de gemeente genoodzaakt zal zijn het perceel belast met omzetbelasting aan u te leveren. Tot slot bevestig ik hierbij dat de door de gemeente over de sloopkosten te betalen en niet als voorbelasting te verrekenen omzetbelasting door u zal worden gecompenseerd. 2.11 Begin 2006 zijn de opstallen op het terrein gesloopt. 2.12 Op 12 april 2006 hebben partijen de beoogde “verkoopovereenkomst” betreffende het terrein gesloten, tegen een koopsom van € 575.000,- “kosten koper”. Artikel 2 van de overeenkomst bepaalt onder meer: Alle kosten, rechten en belastingen op deze overeenkomst en de eigendomsoverdracht vallende zijn voor rekening van de koper. Hiertoe behoren de notariële kosten en de omzetbelasting over de door de gemeente betaalde sloopkosten. In de overeenkomst is verder bepaald dat levering zal plaatsvinden uiterlijk een maand nadat zowel een bruikbare bouwvergunning zal zijn verleend als 70% van de te realiseren appartementen zal zijn verkocht. In de overeenkomst is tevens een bouwplicht voor [gedaagde] opgenomen. 2.13 Op 27 september 2006 is aan [gedaagde] een bouwvergunning voor het terrein verleend. 2.14 Op 14 juli 2008 is het terrein door de gemeente aan [gedaagde] geleverd. In de akte van levering staat in artikel 1 opgenomen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.