vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 205805 / KG ZA 10-627 Vonnis in kort geding van 1 november 2010 in de zaak van 1. [eis.1], wonende te [woonplaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eis.2]., gevestigd te [vestigingsplaats], 3. [eis.3], wonende te [woonplaats], 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eis.4]., gevestigd te [vestigingsplaats], eisers, advocaat mr. C.M. van der Corput te Veldhoven, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon WATERSCHAP HOOGHEEMRAADSCHAP DE STICHTSE RIJNLANDEN, zetelend te Houten, gedaagde, advocaten mrs. D.C. Theunis en S. Baks te Utrecht. Partijen zullen hierna [eisers] en het Hoogheemraadschap genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de mondelinge behandeling - de pleitnota van [eisers] - de pleitnota van het Hoogheemraadschap. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Eisers sub 1 en 3 zijn broers. Eiser sub 1 is enig bestuurder van eiseres sub 2. Eiser sub 3 is enig bestuurder van eiseres sub 4. 2.2. Tot 2 oktober 2008 waren eisers (indirect) bestuurders van Beheermaatschappij [naam BV] B.V. (hierna: [naam BV]). Op of rond die datum hebben zij hun aandelen in [naam BV] voor € 1,00 verkocht en geleverd aan Administratiekantoor Deventer B.V. 2.3. Rond 10 december 1997 heeft (een rechtsvoorganger van) [naam BV] als aanneemster een aannemingsovereenkomst gesloten met het Hoogheemraadschap. In dat kader is een geschil gerezen, waarna beide partijen een zaak aanhangig hebben gemaakt bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw. 2.4. Bij eindvonnis (in beide zaken) van 18 april 2006 heeft de Raad van Arbitrage (per saldo) het Hoogheemraadschap – kort weergegeven – veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan de vennootschap naar buitenlands recht CRC Limited (hierna: CRC), die als tussenkomende partij was toegelaten omdat [naam BV] op enig moment haar vorderingen op het Hoogheemraadschap had overgedragen aan CRC. Het Hoogheemraadschap heeft uitvoering gegeven aan het vonnis van 18 april 2006. 2.5. Bij vonnis van 14 april 2008 is in hoger beroep het vonnis van 18 april 2006 van de Raad van Arbitrage vernietigd. Daarbij zijn CRC en [naam BV] hoofdelijk veroordeeld tot – samengevat – terugbetaling aan het Hoogheemraadschap. 2.6. Nadat [naam BV] geen gevolg had gegeven aan de sommatie van het Hoogheemraadschap tot voldoening aan het vonnis van 14 april 2008, is door het Hoogheemraadschap executoriaal beslag gelegd op onroerende zaken van [naam BV]. Dat heeft geresulteerd in een executoriale veiling op 29 april 2009. Op de veiling heeft de raadsman van [eisers] hun standpunt verwoord dat de onroerende zaken belast zijn met recht van vruchtgebruik. De onroerende zaken zijn op de veiling verkocht voor € 140.000,00. De geveilde onroerende zaken hadden op dat moment een executoriale verkoopwaarde van (ongeveer) € 250.000,00. De uit het vonnis van 14 april 2008 voortvloeiende vordering van het Hoogheemraadschap bedroeg ten tijde van de veiling (afgerond) € 520.000,00. 2.7. Met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 28 december 2009 heeft het Hoogheemraadschap ten laste van [eisers] als inmiddels voormalige (indirect) bestuurders van [naam BV] conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken van hen, tot zekerheid van een door het Hoogheemraadschap gestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige daad van € 550.000,00 met inbegrip van rente en kosten. Het Hoogheemraadschap heeft beslag gelegd omdat het Hoogheemraadschap [eisers] aansprakelijk houdt voor het niet betaald zijn van de (restant)vordering die uit de arbitrageprocedures is voortgevloeid, stellende dat [eisers] verantwoordelijk zijn voor onttrekking van vermogensbestanddelen – en daarmee van verhaalsmogelijkheden voor het Hoogheemraadschap – aan [naam BV] ten tijde van hun (indirect) bestuurderschap en stellende dat de raadsman van [eisers] op de veiling van 29 april 2009 ten onrechte heeft verklaard dat de onroerende zaken bezwaard zijn met recht van vruchtgebruik, als gevolg waarvan de veilingopbrengst laag was. De bodemprocedure ter zake is aanhangig gemaakt voor de rechtbank ’s-Hertogenbosch. 2.8. Bij vonnis van 25 november 2009 van de rechtbank Amsterdam is de vordering van [naam BV] en CRC tot vernietiging van het arbitrale vonnis van 14 april 2008 afgewezen. Hoger beroep tegen het vonnis van 25 november 2009 loopt thans. 3. Het geschil 3.1. [eisers] vorderen – samengevat – opheffing van de ten laste van hen door het Hoogheemraadschap gelegde conservatoire beslagen. [eisers] leggen daaraan ten grondslag dat [naam BV] ten tijde van de beëindiging van hun (indirect) bestuurdersschap op 2 oktober 2008 voldoende vermogen had voor voldoening van de vordering van het Hoogheemraadschap. Voorts stellen [eisers] dat het niet onrechtmatig is dat op de veiling als hun standpunt is kenbaar gemaakt dat de onroerende zaken zijn belast met vruchtgebruik. [eisers] stellen ook dat de beslagen vexatoir zijn omdat volgens hen de beslagen onroerende zaken gezamenlijk een overwaarde hebben van ruim € 9.000.000,00. [eisers] voeren verder aan dat zij door de – volgens hen – overmatige beslaglegging belemmerd worden bij de verkoop van onroerende zaken. 3.2. Het Hoogheemraadschap voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Als meest verstrekkend verweer heeft het Hoogheemraadschap aangevoerd dat [eisers] geen spoedeisend belang hebben bij de vordering tot opheffing van de beslagen en zij mitsdien niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. 4.2. De voorzieningenrechter overweegt in dat verband het volgende. De vordering is mede gegrond op artikel 705 Rv. Dat artikel biedt een eigen rechtsgang ten behoeve van de opheffing van beslagen, welke rechtsgang plaatsvindt in de vorm van een kort geding. Een spoedeisend belang is blijkens de parlementaire geschiedenis geen voorwaarde voor toegang tot deze rechtsgang. Zo lichtte de regering artikel 705 Rv als volgt toe: ‘Door het schrappen van de vanwaardeverklaringsprocedure neemt het belang van een behoorlijke regeling van de vordering tot opheffing van het beslag toe. In het eerste lid is buiten twijfel gesteld dat steeds opheffing kan worden gevorderd in kort geding voor de voorzieningenrechter die het verlof heeft gegeven, zowel door de beslagenen als door andere belanghebbenden’ (Parl. Gech. Wijziging Rv e.a.w. (inv. 3, 5 en 6), p. 313). Reeds hierom faalt dit verweer. 4.3. Het Hoogheemraadschap voert verder aan dat de gevraagde voorzieningen geweigerd moeten worden omdat de zaak te ingewikkeld is om in kort geding te behandelen. Het Hoogheemraadschap stelt daartoe dat partijen op een groot aantal punten verschil van inzicht hebben. Ook dit verweer slaagt niet. 4.4. Indien, zoals in het onderhavige geval, op basis van een summier onderzoek door de voorzieningenrechter verlof is gegeven voor het leggen van conservatoir beslag (artikel 700 lid 2 Rv), gaat het niet aan, nu de beslagene juist de mogelijkheid heeft om in kort geding opheffing van het beslag te vorderen (artikel 705 Rv), als beslaglegger te bepleiten dat de zaak te ingewikkeld is voor behandeling in kort geding. Hierna zal de zaak dan ook inhoudelijk worden behandeld. 4.5. Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. 4.6. De voorzieningenrechter begrijpt dat het Hoogheemraadschap in de bodemprocedure zijn geldvordering onder meer baseert op het verwijt aan [eisers] dat zij destijds als (indirect) bestuurders van [naam BV] er bewust voor hebben gekozen om het vermogen van [naam BV] uit te hollen, zodat aan de terugbetalingsvordering van het Hoogheemraadschap niet voldaan zou kunnen worden. 4.7. In dat verband staat voorop dat naar Nederlands recht de rechtspersoon als zelfstandig rechtssubject in beginsel uitsluitend zelf aansprakelijk is voor zijn schulden. Daarom kan slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding bestaan om de aan die rechtspersoon verbonden andere (rechts)personen – zoals de (indirect) bestuurders – op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk te houden voor schulden van de eerst bedoelde rechtspersoon. 4.8. Ingeval van benadeling zoals [eisers] wordt verweten, zal, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kunnen bestaan voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.