ECLI:NL:RBARN:2010:BO5265
Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 207327 / HA ZA 10-2139 Vonnis van 24 november 2010 in de zaak van 1. de stichting STICHTING BETAALD VOETBAL "VITESSE-ARNHEM", gevestigd te Arnhem, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. VITESSE, gevestigd te Arnhem, 3. [eis.3], wonende te [woonplaats], 4. [eis.4], wonende te [woonplaats], 5. [eis.5], wonende te [woonplaats], 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE HUNNENSCHANS BEHEER B.V., gevestigd te Oosterbeek, gemeente Renkum, 7. de stichting STICHTING VRIENDEN VAN VITESSE, gevestigd te Arnhem, eisers, advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE GELDERLAND, zetelend te Arnhem, gedaagde, advocaat mr. W.E.M. Klostermann te Zwolle.
Partijen zullen hierna eisers en gedaagde genoemd worden.
1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.
2.2. Artikel 615b Rv. luidt:
De schuldenaar wordt veroordeeld de vastgestelde schade te voldoen. Op verlangen van de schuldeiser kan de rechter de schadeposten afzonderlijk toewijzen, zodra zij zijn komen vast te staan.
2.3. Zoals gedaagde terecht in haar akte aanvoert, opent een dergelijk verzoek geen incident. Een verzoek ex artikel 615b Rv. wordt immers in de hoofdzaak gedaan en dient ook in dat kader te worden behandeld. Gezien het petitum in de dagvaarding hebben eisers ook kennelijk niet bedoeld een incident te openen. Dat de rechtbank het bedoelde verzoek van eisers aanvankelijk wel heeft betiteld als incident, berust op een vergissing en heeft op zichzelf geen incident geopend.
2.4. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagde.
2.5. Nu gedaagde nog niet in de gelegenheid is geweest verweer te voeren tegen de vordering en tegen het verzoek de in r.ov. 2.1 bedoelde schadeposten “direct bij tussenvonnis toe te wijzen”, kan reeds op die grond thans geen sprake zijn van een dergelijke toewijzing.
2.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.