← Nederland

ECLI:NL:RBARN:2010:BO9721

RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht Rekestnummers: 10/1382 en 10/1383 uitspraakdatum: 9 december 2010 Verzoek gedwongen schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet In de zaak van: [verzoe[verzoeker 2], beiden wonende te [woonplaats], nader te noemen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2].

  1. De procedure [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben bij de rechtbank op 4 november 2010 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Daarbij is tevens verzocht om de weigerachtige schuldeiser ING Incasso te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn door de rechtbank gehoord ter terechtzitting van 30 november
  2. Tevens was aanwezig mevrouw J. Doorenbosch van het Budget Advies Centrum te Arnhem (BAC). Namens ING Incasso is de heer H.J. Reitsma verschenen.
  3. De feiten 2.1 Het verzoek betreft het opleggen van een schuldregeling aan de schuldeisers, inhoudende een betaling van 48,15% van de totale vordering tegen finale kwijting. Het betreft een prognose aanbod, waarbij maandelijks het meerdere boven het conform de uniforme rekenmethode van Recofa vast te stellen vrij te laten bedrag wordt gereserveerd voor de schuldeisers. Het gereserveerde bedrag wordt elk jaar (drie keer in totaal) aan de schuldeisers uitgekeerd. Voor deze werkzaamheden wordt door het BAC 9% van de gereserveerde bedragen aan bemiddelingskosten ingehouden. De kosten van het financieel beheer bedragen € 6,- per maand. 2.2 ING Incasso heeft als redenen voor weigering gegeven dat de gemeente in het voorstel niet heeft gemeld waarom [verzoeker 2] niet fulltime werkt en dat zij er daarom vanuit gaat dat verzoekers voldoende perspectief hebben om de inkomenspositie in de nabije toekomst te verbeteren. Bovendien heeft [verzoeker 1] enkele maanden voor aanmelding bij de schuldhulpverlening nog een nieuw krediet afgesloten. Tevens heeft [verzoeker 1] in september 2009, dus minder dan 6 maanden voor de aanmelding, nog gebruik gemaakt van zijn creditcard. Tot slot heeft ING Incasso gesteld dat in de dagelijkse praktijk blijkt dat de wettelijke regeling leidt tot terugbetaling van een hoger percentage en dat de wettelijke regeling meer zekerheden biedt in verband met de postblokkade en het huisbezoek, waarbij de inboedel wordt bekeken. 2.3 [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn niet gehuwd en er is geen gemeenschap van goederen. De schuldenlast van [verzoeker 1] bedraagt € 42.975,66 en de schuldenlast van [verzoeker 2] bedraagt € 5.821,02, beide bedragen zijn inclusief één gezamenlijke schuld van € 290,
  4. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn samenwonend en hebben één zoon van vijf jaar. Ze hebben ter zitting verklaard dat [verzoeker 1] fulltime werkt en [verzoeker 2] 20 uur per week. [verzoeker 2] heeft meegedeeld dat zij niet verwacht meer uren te kunnen werken in verband met het huishouden en de zorg voor haar zoon. Verder hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] verklaard dat een deel van de schulden in 2009 is ontstaan, omdat ze vanwege de schuldhulpverlening bij het BAC een andere bankrekening moesten openen. 2.4 Mevrouw Doorenbosch heeft ter zitting verklaard dat het gebruikelijk is om bij mensen die samenwonen één schuldregeling op te zetten. Verder heeft zij verklaard dat bij het minnelijk traject jaarlijks wordt gecontroleerd of iemand maximaal heeft afgelost, maar dat daarbij niet wordt gecontroleerd of iemand heeft gesolliciteerd naar fulltime werk. 2.5 De heer Reitsma heeft, in aanvulling op de opgegeven redenen voor weigering, ter zitting verklaard dat ING Incasso grote problemen heeft met het feit dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] de creditcardschuld vlak voor de aanvang van de schuldregeling zijn aangegaan. 2.6 De totale schuldenlast van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] bedraagt € 48.506,
  5. De vordering van ING Incasso bedraagt € 8.002,55 en beslaat 16,50% van de totale schuldenlast. Tien van de elf schuldeisers gaan akkoord met de aangeboden schuldregeling, zij vertegenwoordigen 83,50% van de totale schuldenlast.
  6. De beoordeling 3.1 Het verzoek tot het opleggen van deze schuldregeling aan ING Incasso dient te worden toegewezen indien de weigerachtige schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004/05 nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van artikel 287a Fw. kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van deze vraag. 3.2 Allereerst is de vraag of het voorstel goed is gedocumenteerd en of voldoende duidelijk is dat het bod het uiterste is waartoe [verzoeker 1] en [verzoeker 2] financieel in staat moeten worden geacht. De schuldregeling is door het BAC voorbereid en getoetst, dit betreft derhalve een onafhankelijke en deskundige partij. Het verzoek is verder goed onderbouwd en gedocumenteerd. 3.3 Ten aanzien van de vraag of voldoende duidelijk is dat het bod het uiterste is waartoe [verzoeker 1] en [verzoeker 2] financieel in staat zijn, overweegt de rechtbank verder het volgende. [verzoeker 2] werkt thans 20 uur per week en zou derhalve in de wettelijke schuldsaneringsregeling een aanvullende sollicitatieplicht hebben. De controle op de naleving van de sollicitatieplicht gedurende de schuldsaneringsregeling is streng. Een schuldenaar zal de bewindvoerder iedere maand vier schriftelijke bewijzen van sollicitatieactiviteiten moeten overleggen. De schuldenaar dient te solliciteren op diverse fulltime banen. De bewindvoerder beoordeelt de naleving van de sollicitatieplicht onder toezicht van de rechter-commissaris. Deze controle kan het BAC niet garanderen. Bovendien biedt de wettelijke regeling meer zekerheden door het huisbezoek, het onderzoek naar activa en de postblokkade. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet voldoende vast is komen te staan dat de uitvoering van het aanbod leidt tot een uitbetaling aan de schuldeisers die als het uiterste moet worden beschouwd waartoe [verzoeker 1] en [verzoeker 2] financieel in staat zijn, indien dit wordt afgezet tegen hetgeen in een wettelijke schuldsaneringsregeling geldt. 3.4 Voorts kan de kwestie van de goede trouw worden betrokken bij de primaire vraag of de schuldeiser in kwestie kan worden bevolen medewerking te verlenen aan een dwangakkoord. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben in een relatief korte periode diverse leningen afgesloten en een creditcardschuld laten ontstaan, waardoor er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk is en waarvan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op het moment van aangaan wisten of redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat zij niet in staat zouden zijn om deze te financieren. Een deel van deze schulden, waaronder de schuld aan ING Incasso, zijn [verzoeker 1] en [verzoeker 2] bovendien zeer recent aangegaan en zij hebben ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald gelaten. De rechtbank acht de kans dat het onderliggende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden toegewezen dan ook klein. 3.5 Verder is van belang dat toewijzing van een dwangregeling een inbreuk vormt op het eigendomsrecht van de crediteuren bestaande in het vorderingsrecht. De vraag die voorligt is of deze inmenging in het eigendomsrecht in dit concrete geval te billijken is, namelijk of de weigerende schuldeiser gerechtvaardigde redenen had om medewerking aan de onderhavige schuldregeling te weigeren. 3.6 Tegen de achtergrond van genoemde feiten en omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat ING Incasso in redelijkheid niet tot weigering van instemming kon komen. Het verzoek om ING Incasso te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zal derhalve worden afgewezen. 3.7 Op het verzoek van verzoekers tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zal daarom op een nader te bepalen datum worden beslist. De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af; - bepaalt dat op de verzoeken van verzoekers tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op een nader te bepalen datum zal worden beslist. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Boon en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december
  7. de griffier, de rechter,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.