Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 210002 / KG ZA 10-824 Vonnis in kort geding in hoofdzaak en vrijwaring van 28 december 2010 in de zaak van [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, advocaten mrs. N.U.N. Kien en M.E.H. Maas te Rotterdam, tegen
(2009). In deze verklaring, door [eiseres] overgelegd als productie 8, staat onder andere: ‘de keuze van een medicament bij een eventuele start van therapie (TNF-a-remmer, een zogeheten inductiebehandeling, vergt een geheel andere set van gegevens, literatuur en geneeskundige date dan het omzetten of veranderen van een reeds ingestelde zogeheten onderhoudstherapie, zoveel te meer als deze over een langere tijd geschikt is gebleken (zie Richtlijn IBD) het aangetoonde risico van verminderde effectiviteit van een tweede TNF-a-remmer, zoals dat blijkt uit een veelheid aan studies waar een tweede TNF-a-remmer minder vaak een gunstig therapeutisch resultaat geeft het hogere risico op bijwerkingen bij terugzetten op de oorspronkelijke TNF-a-remmer bij een verminderde kans op effectiviteit, in het bijzonder bij infliximab aangetoond verlies van effectiviteit bij omzetten van succesvol, langdurig therapeutisch gebruik van infliximab naar adalimumab (Van Assche et al, 2010), omgekeerd zijn geen wetenschappelijke data beschikbaar, net zo min als aangetoond is dat bij omzetten van TNF-a-remmers, anders dan onder speciale geneeskundige omstandigheden (bijvoorbeeld antistofvorming tegen infliximab) veilig is’ 4.
- De Stichting bestrijdt de conclusies in het Abstract en de verklaringen van dr. Van Bodegraven. Volgens de Stichting blijkt uit studies dat de doelmatigheid van infliximab en adalimumab exact gelijk is, zodat de behandelend arts kan kiezen tussen beide geneesmiddelen. De Stichting voert verder aan dat er geen richtsnoer is met betrekking tot het voortzetten van een eenmaal gekozen behandeling en dat het daarom aan de behandelend arts zelf is om naar beste weten er voor te kiezen om een behandeling voort te zetten dan wel van behandelwijze te veranderen. Volgens de Stichting heeft prof. Drenth de afgelopen jaren ervaring opgedaan met adalimumab die uitwijst dat zonder problemen een behandeling met infliximab kan worden omgezet in een behandeling met adalimumab. Daarbij heeft behandeling met adalimumab, aldus de Stichting, ten opzichte van behandeling met infliximab een aantal voordelen. Ten eerste wijst de Stichting op het patiëntencomfort. De patiënt krijgt het geneesmiddel niet per infuus maar middels een injectie toegediend. Voorts is er minder risico op infecties omdat adalimumab uit menselijke moleculen is ontwikkeld en ten derde kan de patiënt adalimumab bij zichzelf thuis toedienen en hoeft hij daarvoor dus niet meer naar een ziekenhuis of kliniek te komen. 4.
- Gelet op het verweer van de Stichting kan zonder nader onderzoek, dat niet thuis hoort in een kort geding, niet worden beoordeeld of het medisch onverantwoord is om [eiseres] voortaan te behandelen met adalimumab. Die vraag zal dan ook beantwoord moeten worden in een bodemprocedure. Dat betekent evenwel niet dat in dit kort geding de vorderingen van [eiseres] zullen moeten worden afgewezen. Ook als niet valt te zeggen welke wending de zaak in een mogelijke bodemprocedure zou nemen, kan een afweging van de belangen van partijen een voorziening toch rechtvaardigen (HR 6 april 1990, NJ 1991, 559, Natco/Canadian Land). 4.
- Zoals is overwogen, staat vast dat [eiseres] 5 jaar lang is behandeld met infliximab. Het Radboud Ziekenhuis wil deze behandelwijze, waarvan de Stichting niet heeft betwist dat die succesvol is gebleken bij [eiseres], stopzetten om [eiseres] voortaan te behandelen met adalimumab. De Stichting heeft niet aangegeven welke specifiek op [eiseres] betrekking hebbende medische redenen daaraan ten grondslag liggen, maar heeft slechts gewezen op de hiervóór genoemde voordelen in algemene zin van adalimumab ten opzichte van infliximab. [eiseres] heeft evenwel verklaard niet te hechten aan patiëntencomfort. Voor haar is voortzetting van een succesvolle behandelwijze belangrijker dan gemak. Daarbij heeft zij onweersproken gesteld dat de afgelopen 5 jaar het door de Stichting aangevoerde infectiegevaar zich niet heeft verwezenlijkt. Volgens [eiseres] is de eigenlijke reden dat het ziekenhuis haar voortaan wil behandelen met adalimumab gelegen in het feit dat behandelingen met adalimumab voor het ziekenhuis goedkoper zijn dan behandelingen met infliximab, omdat toediening van adalimumab niet in het ziekenhuis of in een kliniek hoeft plaats te vinden waardoor behandelingen met adalimumab niet, althans veel minder, ten koste komen van het ziekenhuisbudget. Van het feit dat het geneesmiddel adalimumab op zichzelf veel duurder is dan infliximab, heeft het ziekenhuis dan ook geen last, aldus [eiseres]. In reactie daarop heeft de Stichting verklaard dat ook financiële redenen ten grondslag liggen aan de beslissing van het ziekenhuis om [eiseres] voortaan met adalimumab te behandelen. 4.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt onder deze omstandigheden het belang van [eiseres] bij voortzetting van de behandeling met infliximab zwaarder dan het belang van de Stichting bij stopzetting ervan. Vanzelfsprekend is het Radboud Ziekenhuis niet verplicht om infliximab toe te dienen bij [eiseres] als dat uit medisch oogpunt niet nodig is, maar zolang daarover geen duidelijkheid bestaat, dienen de behandelingen met infliximab dan ook voortgezet te worden. Tegen 29 december 2010 als datum waarop de behandeling voor het eerst weer zal moeten worden hervat is op zichzelf geen verweer gevoerd. 4.
- De vorderingen zullen dan ook toegewezen worden op de wijze als hierna is vermeld. 4.
- VGZ en de Stichting zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op: - dagvaarding € 147,78 - vast recht 255,00 - salaris advocaat 816,00 Totaal € 1.218,78 Verdere beoordeling van de vrijwaringszaak 4.
- De Stichting heeft desgevraagd verklaard dat zij ter zitting niet alleen in de hoofdzaak is verschenen, maar tevens, bij wijze van vrijwillige verschijning, in de vrijwaringszaak en dat die gelijktijdig kan worden behandeld met de hoofdzaak. 4.
- Ook VGZ heeft niet duidelijk kunnen maken wat de rol van de Holding in dit kort geding is. Om die reden zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen jegens de Holding. 4.
- VGZ zal veroordeeld worden in de kosten van de Holding. Die worden hier begroot op nihil. 4.
- De Stichting heeft tegen de door VGZ ingestelde vorderingen in vrijwaring geen ander inhoudelijk verweer gevoerd dan tegen de vorderingen in de hoofdzaak. Daarop gelet en op hetgeen hiervóór in de hoofdzaak is overwogen, zullen de vorderingen van VGZ jegens de Stichting dan ook worden toegewezen als volgt. 4.
- De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de advocaatkosten van VGZ, te begroten op € 816,00 te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze als hierna volgt.
- De beslissing De voorzieningenrechter in het incident 5.
- wijst het verzoek van de Stichting tot oproeping in vrijwaring van de Holding en de Stichting toe, zoals reeds ter zitting mondeling is beslist; 5.
- begroot de kosten in het incident op nihil; in de hoofdzaak 5.
- verleent verstek tegen de Holding; 5.
- verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens de Holding, 5.
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van de Holding in deze procedure en begroot die kosten op nihil; 5.
- veroordeelt VGZ tot nakoming in haar zorgplicht zodat de behandeling van [eiseres] met infliximab uiterlijk woensdag 29 december 2010 kan plaatsvinden; 5.
- veroordeelt de Stichting ervoor zorg te dragen dat de behandeling van [eiseres] met infliximab uiterlijk woensdag 29 december 2010 kan plaatsvinden zolang deze medisch geïndiceerd is; 5.
- veroordeelt VGZ en de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.218,78, 5.
- verklaart dit vonnis voor wat betreft het bepaalde in 5.6, 5.7 en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af; in de zaak in vrijwaring 5.
- verklaart VGZ niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens de Holding; 5.
- veroordeelt VGZ in de kosten van de Holding in deze procedure en begroot die kosten op nihil; 5.
- veroordeelt de Stichting ervoor zorg te dragen dat de behandeling van [eiseres] met infliximab uiterlijk woensdag 29 december 2010 kan plaatsvinden zolang deze medisch geïndiceerd is; 5.
- veroordeelt De Stichting in de proceskosten, aan de zijde van VGZ in deze procedure begroot op € 816,00 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis; 5.
- verklaart dit vonnis voor wat betreft het bepaalde in 5.13 en 5.14 uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 28 december
- De feiten en de motivering waarop de beslissing rust zijn afzonderlijk vastgelegd op 7 januari 2011