RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, belastingkamer registratienummers: AWB 11/322 en 11/324 uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 maart 2011 in het geding tussen [X], wonende te [Z], verzoeker, en de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Nijmegen, verweerder. 1. Procesverloop Verweerder heeft aan verzoeker voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H77) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete en heffingsrente. Verweerder heeft aan verzoeker voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].K87) vermogensbelasting opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete en heffingsrente. Tegen deze besluiten heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt. Bij brief van 24 januari 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 maart 2011 te Arnhem. Namens verzoeker is daar verschenen mr. [gemachtigde], advocaat te [Z]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde] en [A]. 2. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid achterwege kan laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan. In het zevende lid is bepaald dat gewichtige redenen in ieder geval niet aanwezig zijn, voor zover ingevolge de Wet Openbaarheid van Bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen. 2.3 Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorziening te treffen dat verweerder wordt gelast alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te verstrekken, waaronder in elk geval een eventueel draaiboek of ander beleidsstuk, het achterliggende FIOD-rapport, het identificatieproces, gegevens over de kennelijke tipgever en de overeenkomst die de Staat met deze persoon heeft gesloten alsmede de berekeningswijze van de aanslagen, dan wel ieder ander stuk dat relevant zou kunnen zijn. 2.3 Verweerder heeft in de eerste plaats aangevoerd dat niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste omdat de verzoeken geen betrekking hebben op een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of kan worden gemaakt. Ook ontbreekt volgens verweerder een spoedeisend belang dat zou nopen tot het treffen van een voorlopige voorziening. 2.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verzoeken betrekking hebben op de procedures inzake de door verweerder opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 en vermogensbelasting 1998 waartegen verzoeker bezwaar heeft gemaakt en waartegen, nadat uitspraak op de bezwaren is gedaan, beroep bij deze rechtbank kan worden ingesteld. Anders dan verweerder kennelijk meent, hebben de verzoeken dus geen betrekking op een zelfstandig verzoek om informatie waartegen ingevolge de belastingwetgeving geen bezwaar en beroep openstaat. Voor zover verweerder heeft gewezen op de mogelijkheid om uitstel van betaling te vragen zodat geen sprake kan zijn van een spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een fundamenteel belang heeft bij een tijdige en volledige informatieverstrekking zodat zorgvuldig op zijn bezwaren kan worden beslist. Dit is niet mogelijk zonder volledige inzage in alle relevante stukken, waaronder ook – nu sprake is van het opleggen van boetes – voor verzoeker ontlastende informatie en stukken. Ook het argument van verweerder dat in de beroepsprocedure door de rechter de vraag kan worden beoordeeld welke stukken door verweerder dienen te worden overgelegd kan niet leiden tot het oordeel dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft bij kennisname van de relevante stukken in de bezwaarfase, nu de bezwaarfase een volledige heroverweging van de primaire besluitvorming impliceert en dus een volledig en volwaardig debat tussen verzoeker en verweerder (vgl. Voorzieningenrechter Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2004, 03/2778, LJN AP0827, V-N 2004/38.2 en de daar aangehaalde parlementaire geschiedenis Awb). Dit debat zou illusoir worden indien verzoeker pas in de beroepsfase de beschikking zou krijgen over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Overigens staat geen geschreven of ongeschreven regel eraan in de weg dat de voorzieningenrechter in een procedure als de onderhavige de vraag of en, zo ja, welke stukken verweerder in de bezwaarfase ter inzage dient te geven zonder terughoudendheid toetst. 2.5 Verweerder heeft in de tweede plaats aangevoerd dat reeds inzage is gegeven in alle relevante stukken. Dat zijn in dit geval een kopie van een deels onleesbaar gemaakte pagina uit een FIOD-rapport met daarop naam, adres en telefoonnummer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.