Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 188358 / HA ZA 09-1427 Vonnis van 23 maart 2011 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. P.J.A. Plattel te Arnhem, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd te [woonplaats], 2. [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagden, advocaat mr. C.J. van Dijk te Ede. Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 14 juli 2010 - het deskundigenbericht uitgebracht door C.J. Monincx RA op 9 december 2010 - de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres] - de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De verdere beoordeling 2.1. In het vonnis van 14 juli 2010 is de deskundige benoemd en is hem de vraag voorgelegd of Upperstream voor de financiering uit eigen en vreemd vermogen, gelet op haar stichtingskostenopzet en alle relevante omstandigheden – waaronder het functioneren van Codast – in redelijkheid de oplossing heeft kunnen hanteren die zij uiteindelijk gevolgd heeft. 2.2. De deskundige bericht dat hem niet is gebleken dat de omvang van de investeringen ten tijde van de ondertekening van de aannemingsovereenkomst onvoldoende was gecalculeerd. De raming van de stichtingskosten wordt door hem niet onrealistisch geacht. Als de deskundige de reactie van [eiseres] op zijn concept rapport heeft gelezen en kennis heeft genomen van de daarin opgenomen gegevens, blijft hij bij het standpunt dat niet gesteld kan worden “dat de stichtingskosten niet realistisch zijn begroot met de kennis ten tijde van de ondertekening (of zelfs daarvoor) van de aannemingsovereenkomst.” 2.3. Wat betreft de deelvraag of de financiering voldoende onderbouwd was, stelt de deskundige in zijn conceptrapport voorop dat waar er een leningovereenkomst overgelegd is, kan en moet worden gesteld dat de financiering voor de stichtingskosten ten laste van Upperstream voldoende was. Later voegt hij hieraan toe dat de overeenkomst van geldlening geen juiste voorstelling van zaken gaf betreffende het moment van daadwerkelijk ter beschikking stellen van de middelen. Kort gezegd is gebleken dat een lening van € 650.000,00 niet in zijn geheel ter beschikking van Upperstream is gesteld, maar slechts tot een bedrag van € 354.771,00. 2.4. Anders dan [eiseres] stelt, is het niet zo dat daarmee een vals beeld van de situatie is geschapen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en dat het oordeel van de deskundige op losse schroeven komt te staan. De deskundige betrekt in zijn rapport uiteindelijk de werkelijke situatie, zoals die aan het licht gekomen is en overigens ook al impliciet bij de conclusie van antwoord naar voren was gebracht. Uit zijn rapport blijkt dat hij ook met kennis daarvan niet kan concluderen dat van het begin af de intentie heeft bestaan het geleende bedrag niet geheel ter beschikking van Upperstream te stellen. De stelling van [eiseres] dat deze intentie wel heeft bestaan, is niet meer dan een veronderstelling en wordt daarom door de rechtbank gepasseerd. Pas in een later stadium, zo concludeert de deskundige, maar zeker niet bij de aanvang van de bouw, heeft de bestuurder van Upperstream besloten de lening niet in zijn geheel ter beschikking van Upperstream te stellen. 2.5. Dit roept de vraag op of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], gelet op het enorme gewicht dat kwam te liggen bij het rendement van Codast, niet te veel risico hebben willen lopen. Daarbij is van belang dat de zorgvuldigheidsnorm die hier aan de orde is – tussenvonnis onder 4.1 en hierna onder 2.11 – het een ondernemer niet verbiedt risico’s of zelfs heel grote risico’s te nemen. 2.6. Over het risico dat in het presteren van Codast lag, laat de deskundige zich uit. Het risico van niet goed renderen van Codast, schrijft de deskundige, lag in feite bij [gedaagde sub 1]. “Wel zijn wij van mening,” laat hij daarop volgen, “dat gezien de verwevenheid daar de verwachtingen van Codast in betrokken moeten worden.” Zonder economische crisis was het niet onwaarschijnlijk dat Codast op jaarbasis een winst van € 250.000,00 netto had kunnen behalen. 2.7. Als op het conceptrapport is gereageerd, concludeert de deskundige dat er geen voldoende argumenten zijn om te melden “dat bij het ondertekenen van de aannemingsovereenkomst Van Tongeren kon of behoorde te weten dat de financiering van de toen aangegane verplichting economisch onmogelijk of niet-realistisch waren.” 2.8. Dit alles geldt de opdracht die in april 2008 is ondertekend. De deskundige is al in het conceptrapport aanzienlijk kritischer ten aanzien van het verstrekken van de opdracht vanaf het vierde kwartaal van 2008. “Immers toen,” schrijft hij, “was volgens de verstrekte informatie het gemiddeld uurtarief gedaald, de verhouding opdrachten personele bezetting niet meer in evenwicht (…), de orders werden regelmatig uitgesteld, de orders kenden een lagere marge en de beursberichten waren voor langere termijn negatief. Op basis van deze constateringen is het verstrekken van opdrachten met een materiële omvang meer discutabel in het licht van de liquiditeitsontwikkelingen. Hoewel op dat moment de betalingen nog gedaan werden, ondanks vertragingen, moest aan de bestuurder bekend zijn dat de situatie sterk veranderd was. Opdrachten vanaf het vierde kwartaal zijn naar onze mening in een andere situatie gedaan en de bestuurder van Codast moest weten dat zijn bedrijfsverwachtingen anders lagen dan in april 2008.” 2.9. In zijn eindrapport gaat de deskundige opnieuw in op de latere investeringen, vanaf het vierde kwartaal van 2008. Daarbij komt hij tot de slotsom: “Van Tongeren had als bestuurder kunnen weten dat het aangaan van verplichtingen een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.