Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 207541 / HA ZA 10-2169 Vonnis in vrijwaring van 18 mei 2011 in de zaak van [eisers] eisers, advocaat mr. ing A. Klein te Arnhem, tegen [gedaagde], gedaagde, niet verschenen. De partijen zullen hierna [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [gedaagde] worden genoemd.
- De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding. Vervolgens is vonnis bepaald.
- De overwegingen 2.
- [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. Tegen hem is verstek verleend. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is. 2.
- De zaak betreft de aansprakelijkstelling door Stichting Woning Onderhoud te Arnhem (hierna: de stichting) van onder meer [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [gedaagde] als oud bestuurders van deze stichting op grond van onbehoorlijk bestuur en/of onrechtmatige daad. Bij vonnis van heden worden vrijwel alle vorderingen van de stichting toegewezen. Op een aantal onderdelen is daarbij sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] en/of [gedaagde] tegenover de stichting op grond van onbehoorlijk bestuur. 2.
- Als grond van hun vordering tot vrijwaring voeren [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan dat zij “zich jegens de stichting op een uitermate correcte en transparante wijze van hun taken als bestuurder hebben gekweten”. Zij betwisten derhalve dat zij tot vergoeding van enig bedrag aan de stichting zijn gehouden. Als de rechtbank, vervolgen zij, “desalniettemin van mening is dat er op een onjuiste en onzorgvuldige wijze is omgesprongen met gelden van de [stichting], dan kan dit enkel zijn te herleiden tot het doen of nalaten van [gedaagde].” 2.
- Dit laatste wordt door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet onderbouwd. Daargelaten de beslissing van de rechtbank in de andere zaak, zou zo’n onderbouwing noodzakelijk zijn omdat uit het betoog dat zij niet onbehoorlijk bestuurd hebben, niet logisch voortvloeit dat [gedaagde] dat wel gedaan heeft. Ten onrechte stellen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ongemotiveerd dat dit anders is. 2.
- De aangevoerde grondslag acht de rechtbank dan ook onvoldoende. Het betoog van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bevat geen grondslag voor aansprakelijkheid van [gedaagde] tegenover hen voor het geval [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tegenover de stichting in het ongelijk gesteld worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voorliggende vordering ongegrond is. 2.
- [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moeten worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en in de proceskosten worden verwezen. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
- De beslissing De rechtbank 3.
- wijst de vorderingen af, 3.
- veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2011.