RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 11/476 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 7 juli
- inzake [Eiseres], eiseres, wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.E.L.Th. Balkema, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.
- Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 2 februari 2011, verzonden door het UWV te Arnhem.
- Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft verweerder op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) aan eiseres per 11 november 2010 een recht op arbeidsondersteuning alsmede een inkomensondersteuning van € 572,03 bruto per maand toegekend. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 april
- Namens eiseres is aldaar verschenen haar gemachtigde mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.C. Hofmans-Lim, werkzaam bij het UWV te Arnhem.
- Overwegingen Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren. Eiseres is geboren op [geboortedatum]. Op [datum] is zij 18 jaar geworden. Zij heeft een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend die door verweerder op 22 juli 2010 is ontvangen. Naar aanleiding van de Wajong-aanvraag is eiseres onderzocht door verzekeringsarts J.J.M. Richter, waarvan de resultaten zijn weergegeven in zijn rapport van 23 augustus
- De verzekeringsarts heeft daarin geconcludeerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van eiseres is gelegen vóór haar 17e levensjaar. Vervolgens heeft de verzekeringsarts voor eiseres per einde wachttijd wegens een dysthyme stoornis beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren vastgesteld, die zijn neergelegd in een Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 augustus
- In de toelichting op de beperkingen heeft de verzekeringsarts vermeld dat eiseres wat betreft doelmatigheid, zelfstandigheid en sufficiënt persoonlijk en sociaal functioneren binnen en buiten de arbeidsmarkt, is aangewezen op meer dan normale begeleiding, hulp, toezicht en structurering van buitenaf. Daarbij heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Op basis van de vastgestelde belastbaarheid heeft arbeidsdeskundige J.J.W. van Brandenburg in zijn rapport van 14 september 2010 vastgesteld dat geen functies zijn te selecteren, waardoor eiseres op de beoordelingsdatum niet in staat wordt geacht om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiseres op termijn participatiemogelijkheden heeft. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het recht op arbeidsondersteuning niet eerder kan ontstaan dan zestien weken na de aanvraag. Op 22 juli 2010 is de aanvraag van eiseres door het UWV ontvangen. Eiseres heeft daarom met ingang van 11 november 2010 recht op arbeidsondersteuning. Voorts ontstaat pas recht op inkomensondersteuning op het moment dat eiseres recht heeft op arbeidsondersteuning. Eiseres heeft daarom vanaf 11 november 2010 recht op inkomensondersteuning. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij stelt zich op het standpunt dat niet is onderbouwd waarom de Wajong-uitkering niet is toegekend met ingang van een jaar voor de aanvraagdatum, althans met ingang van de datum waarop zij 18 jaar is geworden. Indien het recht op Wajong-uitkering van rechtswege ontstaat, dan is het recht al op [datum achttiende verjaardag] ontstaan. Verweerder heeft niet onderbouwd dat het recht pas op aanvraag ontstaat. Indien het recht op Wajong-uitkering wel pas op aanvraag ontstaat, dan kan de aanvraag mogelijk met terugwerkende kracht worden gedaan. De wettekst is hierover niet duidelijk. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat niet is onderbouwd waarom de Wajong-uitkering niet is ingezet met ingang van de aanvraagdatum, althans de vroegst mogelijke datum daarna. Eiseres betwist het standpunt van verweerder dat het recht op inkomensondersteuning pas ontstaat na zestien weken recht op arbeidsongeschiktheidsondersteuning. Dit volgt volgens eiseres niet uit de wet. Verder heeft verweerder volgens eiseres onvoldoende beoordeeld of sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid, in welk geval de hoofdregel dat het recht op inkomensondersteuning ontstaat na het ontstaan van recht op arbeidsondersteuning, niet geldt. Eiseres heeft tevens gesteld dat verweerder door toekenning van een Wajong-uitkering, zonder terugwerkende kracht en met ingang van zestien weken na het ontstaan van recht op arbeidsondersteuning, inbreuk heeft gemaakt op haar eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook een gerechtvaardigde verwachting dat aanspraak bestaat op een eigendomsrecht, levert een op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol te respecteren recht op. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij recht heeft op een Wajong-uitkering met ingang van een jaar voor de aanvraagdatum, althans met ingang van de datum waarop zij 18 jaar is geworden, overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft de aanvraag voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend op 22 juli
- Aangezien de bepalingen van de Wet Wajong in werking zijn getreden op 1 januari 2010 volgt uit artikel 3:6, eerste lid, van de Wet Wajong dat eiseres geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering. In dit verband merkt de rechtbank op dat uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) (Tweede Kamer, 2008-2009, 31 780, nr. 3, bladzijde 23), volgt dat het ook de bedoeling van de wetgever is geweest dat de nieuwe Wajong geldt voor degenen die op of na de inwerkingtreding van de wetswijziging een aanvraag hebben ingediend. De rechtbank wijst voorts op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 december 1996, LJN: ZB6639, waarin het volgende is overwogen: “De hiervoor weergegeven benadering van kwesties inzake de temporele werking van wetgeving, ligt besloten in de bestendige jurisprudentie van de Raad, waaruit naar voren komt dat, wanneer bij verandering van wetgeving geen specifieke, van de regel van onmiddellijke werking afwijkende, voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken van een verzekerde dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving, zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak, waarop de aanspraken betrekking hebben.” Een aanspraak moet derhalve worden beoordeeld naar de regels die golden op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraak betrekking heeft, tenzij er andersluidend overgangsrecht is. Art. 3:6, eerste lid, Wet Wajong bevat zulk overgangsrecht. Uit deze bepaling volgt immers dat de jonggehandicapte die onder de WAJONG recht zou hebben gehad op een uitkering, dat recht niet meer heeft indien de aanvraag voor het eerst is ingediend op of na 1 januari
- Hierdoor heeft de wetgever, in afwijking van het uitgangspunt van de onmiddellijke werking, ingegrepen in de rechtspositie van die jonggehandicapten. De uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 8 april 2011 (LJN: BP4794), waarnaar door eiseres ter zitting is verwezen, maakt dat niet anders. Het betoog van eiseres dat zij recht heeft op een Wajong-uitkering met ingang van de datum waarop zij 18 jaar is geworden, faalt derhalve. Aangezien eiseres haar aanvraag heeft ingediend na 1 januari 2010, heeft verweerder, gelet op artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet Wajong, terecht beoordeeld of eiseres recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong. De bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong geven verweerder geen bevoegdheid om recht op arbeidsondersteuning met terugwerkende kracht toe te kennen. In artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong is bepaald dat het recht op arbeidsondersteuning niet eerder ontstaat dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend. In artikel 2:39, eerste lid, van de Wet Wajong is bepaald dat de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning op aanvraag inkomensondersteuning ontvangt met ingang van de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Gelet op de systematiek van deze bepalingen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres pas recht heeft op inkomensondersteuning op het moment dat zij recht heeft op arbeidsondersteuning. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de Wet Wajong, in welk verband de rechtbank verwijst naar de rapportage van de verzekeringsarts J.J.M. Richter van 23 augustus
- In dat rapport heeft de verzekeringsarts beargumenteerd gesteld dat de mogelijkheden van eiseres naar verwachting zullen toenemen indien haar sociale omstandigheden zijn verbeterd. Op de beoordeling door verweerder is het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” niet van toepassing. Dit beoordelingskader geldt immers slechts voor beoordelingen in het kader van de Wet WIA. Eiseres heeft betoogd dat door haar eerst met ingang van 11 november 2010 een Wajong-uitkering toe te kennen, verweerder inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. In dat verband heeft eiseres het standpunt ingenomen dat uit de hiervoor genoemde uitspraak van de HR van 8 april 2011 volgt dat een recht op uitkering van rechtswege bestaat indien aan de daarvoor gestelde materiële voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog en overweegt daartoe het volgende. Nog daargelaten dat de uitspraak van de HR de uitleg betreft van de zinsnede “recht had op kinderbijslag” in artikel 27 van het in die uitspraak aan de orde zijnde KB, volgt uit die uitspraak niet dat recht bestaat op toekenning van een uitkering per de datum dat het recht op uitkering is ontstaan. Ingevolge het tot 1 januari 2010 geldende artikel 28 van de WAJONG wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend. Aangezien eiseres niet vóór 1 januari 2010 een WAJONG-uitkering heeft aangevraagd kon zij niet de legitieme verwachting hebben dat haar een WAJONG-uitkering zou worden toegekend. De wetswijziging per 1 januari 2010 kan dan ook niet worden aangemerkt als inbreuk op een “possession”. De wetswijziging per 1 januari 2010 is op 22 december 2009 in het Staatsblad gepubliceerd. Op basis van deze publicatie had eiseres zelfs de verwachting moeten hebben dat haar geen WAJONG-uitkering zou worden toegekend, indien zij de aanvraag na 1 januari 2010 zou doen. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
- Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk, griffier. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op 7 juli
- Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 7 juli 2011.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.