Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 207172 / HA ZA 10-2114 Vonnis van 20 juli 2011 in de zaak van
(2007)ongeveer 90% van de verwachte eindzetting is opgetreden, heeft zij op pagina 6 geschreven: “de nog resterende zakking van de bestrating die éénmalig is aangelegd bedraagt circa 10% van de maximaal verwachte eindzetting (van circa 0,40 en circa 0,60 m). De resterende zakking van de huidige bestrating (die éénmalig is aangelegd) zal op basis van de resultaten van het rapport van Fugro en het rapport van Geodelft naar verwachting Maximaal respectievelijk 0,04 m tot circa 0,06 m bedragen”, en verder, op pagina 8: “Indien besloten wordt de bestrating rondom de bedrijfsgebouwen opnieuw aan te leggen op het oorspronkelijk aanlegniveau, dan zal deze aanvullende ophoging de aandrijvende kracht zijn voor het tot stand komen van aanvullende zakkingen. Verwacht wordt dat deze zakking van de bestrating circa 0,05 m tot 0,10 m kan bedragen. Als gevolg van de thans aanwezige ophooglaag wordt nog een zakking van de bestrating verwacht van circa 0,05 m (10% van de maximale zakking). Hiermee komt de resterende zakking van de bestrating in totaal op naar verwachting circa 0,10 m tot 0,15 m”. Met restzetting heeft het Hof dan ook, zo moet worden aangenomen, bedoeld de zetting die nog (vanaf 2007) optreedt als gevolg van de thans aanwezige ophooglaag en die wordt gesteld op circa 10%, wat neerkomt op een zakking van 0,04 - 0,06 m. In die zin zal de deskundige daarmee bij de beantwoording van de vragen rekening moeten houden. 14. Voor de begroting van de schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming moeten twee situaties met elkaar worden vergeleken: de situatie waarin [eis.1] en [eis.2] werkelijk zijn komen te verkeren met de hypothetische situatie waarin zij verkeerd zouden hebben indien de tekortkoming achterwege zou zijn gebleven, of anders gezegd de overeenkomst onberispelijk zou zijn nagekomen. Vastgesteld zullen moeten worden de kosten voor ophoging en straatwerk die in de huidige werkelijke situatie door [eis.1] en [eis.2] moeten worden gemaakt vanaf de levering tot aan het moment waarop de verzakkingen en zettingen zijn voltooid. Volgens het Hof moet bij die situatie worden betrokken dat
- i)met enige mate van zetting rekening moest worden gehouden,
- ii)een deel van de zakkingen en zettingen toch zouden zijn opgetreden indien de aanbevelingen voor voldoende voorbelasting van het terrein waren opgevolgd en iii) dat met een restzetting van 10 procent moet worden gerekend. Verder moeten worden vastgesteld de kosten voor ophoging en straatwerk die [eis.1] en [eis.2] ook bij onberispelijke nakoming van de overeenkomst gedurende die periode hadden moeten maken. 15. De rechtbank stelt zich voor dat aan de deskundige in ieder geval de navolgende vragen ter beantwoording worden voorgelegd: a. Wat zijn, naar objectieve maatstaven berekend, de kosten voor ophoging en straatwerk die [eis.1] en [eis.2] hadden moeten maken als de Gemeente de overeenkomsten met hen onberispelijk zou zijn nagekomen, zulks berekend over de periode van de levering van de grond (19 juni 2001 wat betreft [eis.1] en 13 december 2001 wat betreft [eis.2]) tot aan het moment waarop de verzakkingen en zettingen zouden zijn voltooid, b. Wat zijn de kosten van herstel, naar objectieve maatstaven berekend en over dezelfde periode als onder a bedoeld, die de kopers thans hebben moeten maken en in de toekomst nog moeten maken, ervan uitgaande dat in 2001 50% zetting van de maximaal te verwachten eindzetting (0,40 - 0,60
- m)is bereikt en dat dat gedurende de periode van 2001-2007 40% is geweest? Wilt u bij de beantwoording van deze vraag de hiervoor onder 14 i, ii en iii weergegeven uitgangspunten van het Hof in acht nemen, waarbij het uitgangspunt als genoemd onder 14.iii moet worden uitgelegd in de zin als onder 13 is overwogen? c. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak? 16. De zaak zal weer naar de rol worden verwezen om de partijen in de gelegenheid te stellen gelijktijdig bij akte (zo mogelijk gezamenlijk) een voorstel te doen welke persoon zij als deskundige benoemd willen zien en voorstellen te doen voor vragen die zij eventueel nog verder aan de deskundige ter beantwoording willen voorleggen. 17. [eis.1] en [eis.2] zullen op de voet van het bepaalde in art. 195 Rv worden belast met betaling van het voorschot op het loon en de kosten van de deskundige. 18. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. De beslissing De rechtbank verwijst de zaak naar de zitting van 24 augustus 2011 voor het nemen van een akte door de beide partijen zoals onder 16 is overwogen, houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2011. Coll.: ED