Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 120423 / HA ZA 04-2168 Vonnis van 21 september 2011 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. W.A.J. Hagen te Arnhem, tegen de naamloze vennootschap INTERPOLIS SCHADEVERZEKERING N.V., voorheen STERPOLIS SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Arnhem, gedaagde, advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem. Partijen zullen hierna [eiser] en Interpolis genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 30 maart 2011 - de akte van [eiser] - de antwoordakte van Interpolis. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De verdere beoordeling 2.1. Partijen hebben zich ingevolge de instructie in het vorige vonnis (nader) uitgelaten over de diverse schadeposten. De rechtbank oordeelt als volgt. A. Arbeidsvermogensschade (verlies verdienvermogen inclusief pensioenschade, verlies zelfwerkzaamheid en belastingschade) C. Surplus boven functiegroep 5 ad verlies verdienvermogen en pensioenschade: 2.2. De tot deskundige benoemde arbeidsdeskundige [deskundige1] komt in haar rapport van 14 juni 2010, kort samengevat, tot de volgende conclusies. [eiser] zou, het ongeval weggedacht, een carrièreverloop hebben gehad waarbij hij qua niveau niet boven de door hem behaalde functiegroep 5 binnen het GAK/UWV zou zijn uitgekomen. Hij zou hebben gewerkt tot de datum dat hij vervroegd had kunnen uittreden (bij 62 jaar en 8 maanden), daargelaten de huidige ontwikkelingen in het overheidsbeleid - die nog niet tot wetsaanpassingen hebben geleid - om de pensioenleeftijd te verhogen tot 66 of 67 jaar. Voorts concludeert [deskundige1] dat er in de huidige situatie geen passende arbeid voor [eiser] is aan te geven. 2.3. Interpolis heeft geen aanmerkingen op het rapport van [deskundige1]. [eiser] kan zich niet vinden in de conclusie van [deskundige1] dat hij zonder ongeval niet zou zijn doorgegroeid naar een niveau boven functiegroep 5. Hij heeft bewezen over een enorme wilskracht te beschikken, maar wordt nu afgerekend op zijn feitelijke prestaties in het verleden die in negatieve zin worden beïnvloed door het ongeval. Zonder ongeval zou hij veel meer hebben kunnen laten zien wat hij waard was. Er dient dan ook een zekere vergoeding toegekend te worden in verband met het missen van een redelijke kans op het maken van promotie. 2.4. Dit betoog van [eiser] wordt niet gevolgd. [deskundige1] heeft na een grondig onderzoek gemotiveerd uiteengezet (pg. 18 en 19 deskundigenbericht) dat het bereiken van functiegroep 6, het ongeval weggedacht, weinig waarschijnlijk is. Zij onderkent dat [eiser] een enorme inzet en doorzettingsvermogen heeft getoond waardoor hij na het ongeval toch het arbi-niveau 4 heeft gehaald, maar zij overweegt vervolgens dat het niveau dat iemand kan bereiken daarnaast wordt bepaald door intellectuele capaciteiten. Verder heeft zij erop gewezen dat op één collega na, geen van zijn collega’s met een vergelijkbare vooropleiding zijn gepromoveerd naar een functie met functiegroep 6. De collega bij wie dat wel het geval is, had een hogere vooropleiding. De voormalige leidinggevenden van [eiser] hebben voorts stellig aangegeven dat [eiser] aan het plafond van zijn intellectuele capaciteiten zat en niet verder zou zijn doorgegroeid naar functiegroep 6. Aan deze onderbouwing van het deskundigenbericht, in het bijzonder de rol van de intellectuele mogelijkheden bij het doorgroeien, doet het (nadere) betoog van [eiser] niet af. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij. Het deskundigenbericht zal op dit punt worden overgenomen zodat bij de begroting van het verlies van verdienvermogen ervan zal worden uitgegaan dat [eiser], zonder ongeval, tot zijn pensionering een inkomen gebaseerd op functiegroep 5 binnen het GAK/UWV zou hebben genoten. Dat brengt mee dat schadepost C (surplus verlies verdienvermogen boven functiegroep 5) zal worden afgewezen. 2.5. [eiser] kan zich, tegen de achtergrond van onder meer het huidige kabinetsbeleid, niet vinden in de opvatting van [deskundige1] dat hij vervroegd met pensioen zou zijn gegaan. Interpolis meent dat op dit moment onvoldoende concrete aanknopingspunten bestaan om af te wijken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. Daarbij gaat het om afwikkeling van toekomstige schade die bij voorbaat wordt begroot op basis van zowel goede als kwade kansen en dat er daarom van moet worden uitgegaan dat de pensioenleeftijd van 65 jaar de meest waarschijnlijke is. 2.6. De rechtbank acht het in het licht van de stand van het huidige maatschappelijke en politieke debat over de houdbaarheid van de leeftijd van 65 jaar als pensioengerechtigde leeftijd, anders dan Interpolis, niet erg waarschijnlijk dat [eiser] - het ongeval weggedacht - op zijn 65e met pensioen zou hebben gekund. Het ligt meer in de rede uit te gaan van een pensioenleeftijd van 67 jaar. Hieraan doet niet af dat de wetgeving nog niet is gewijzigd. Gezien de resterende looptijd van deze schadepost is geenszins ondenkbaar dat die wetswijziging er zal komen en dat die ook voor de hypothetische pensioenleeftijd van [eiser] gevolgen zal hebben. In zoverre volgt de rechtbank dus ook het rapport van [deskundige1] niet. De kans dat de regeling op grond waarvan [eiser] vervroegd met pensioen zou hebben gekund nog bestaat tegen de tijd dat hij daarop aanspraak zou hebben kunnen maken, acht de rechtbank klein. 2.7. De deskundige wordt wel gevolgd in haar - door Interpolis ook niet ter discussie gestelde - opvatting dat [eiser] geen daadwerkelijk aanwendbare restcapaciteit tot het verrichten van loonvormende arbeid heeft. 2.8. [eiser] heeft de arbeidsvermogensschade laten berekenen door Bureau Pals, uitgaande van functiegroep 5 als maximumniveau, 67 jaar als pensioenleeftijd en het volledig ontbreken van resterende arbeidscapaciteit. Daarbij is voorts uitgegaan van een rekenrente van 3%. Hij heeft echter ook berekeningen laten maken op grond van een rekenrente van 0% over de eerste vijf jaar en vervolgens 2%. De thans gevorderde schade is op die laatste berekening gebaseerd. Volgens [eiser] moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de rekenrente 3% bedraagt. [eiser] wijst op de financiële markt waarin het al jaren niet meer reëel is uit te gaan van een rendement van 6%. Volgens hem gaan er stemmen op het fictieve rendement van 4% dat geldt als uitgangspunt voor de vermogensrendementsheffing aanzienlijk te verlagen. Interpolis verzet zich tegen hantering van een andere rekenrente dan 3% onder verwijzing naar rechtspraak, de rente die momenteel op depositorekeningen kan worden behaald (4,5%) en de looptijd van de toekomstige schade. 2.9. De rechtbank volgt op dit punt de opvatting van Interpolis. Er is aanleiding ondanks het huidige economisch klimaat rekening te houden met de mogelijkheid dat ook gedurende de resterende looptijd van de schade sprake zal zijn van fluctuaties in te behalen rendement en inflatie. Daarom wordt op dit moment geen aanleiding gezien af te wijken van het hanteren van de tot op heden gebruikelijke (netto)rekenrente van 3%. De argumenten die [eiser] daartoe heeft aangevoerd, zijn onvoldoende onderbouwd. ad verlies van zelfwerkzaamheid: 2.10. [deskundige1] heeft in haar rapport tot uitdrukking gebracht dat [eiser] volledig ongeschikt is om onderhoud en doe-het-zelfwerkzaamheden aan woning en tuin te verrichten. Ook de rechtbank zal daarvan uitgaan. 2.11. In zijn laatste akte heeft [eiser] zijn eis wederom gewijzigd. Hij stemt ermee in dat voor het verleden (tot en met 2011) de schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid zal worden begroot aan de hand van een fictief bedrag, aangezien hij in het verleden over een netwerk van familie, buren en vrienden beschikte die in staat en bereid waren deze werkzaamheden te verrichten. [eiser] neemt daarbij het volgens de Aanbeveling verlies zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad voor een eigen woning met tuin vanaf 1 januari 2010 geldende normbedrag van € 1.080,-- per jaar tot uitgangspunt en voor de periode daarvoor het tot die datum geldende bedrag van € 1.000,-- per jaar. Voor de toekomst is het netwerk van [eiser] om uiteenlopende redenen niet langer beschikbaar voor deze werkzaamheden en komt hij met het normbedrag van € 1.080,-- niet langer uit, aldus [eiser]. Uitgaande van 71 uren per jaar ([deskundige1] volgend, hoewel hij deze inschatting te laag vindt) tegen een gemiddeld voor professionele diensten verschuldigd uurtarief van € 45,-- komt de toekomstige jaarschade te berekenen vanaf 2012 uit op (afgerond) € 3.200,--, een volgens [eiser] fors gematigd bedrag in het licht van de overgelegde offertes. Hij benadrukt dat van hem niet kan worden verlangd van ‘zwarte dienstverleners’ gebruik te maken, terwijl de door Interpolis aangedragen dienstverlener ‘Mijn Gemak’ met een lager uurtarief (€ 15,--) voor hem als niet-Univéverzekerde niet in te schakelen valt. Als einde looptijd hanteert [eiser] primair de 75-jarige leeftijd, subsidiair de 70-jarige leeftijd met stapsgewijze afbouw naar de 75-jarige leeftijd en meer subsidiair de 70-jarige leeftijd zonder afbouw. Interpolis meent dat voor het verleden niet uitsluitend van het voorlaatste normbedrag volgens de richtlijn van de Letselschaderaad moet worden uitgegaan. Onder verwijzing naar met de toenmalige en huidige belangenbehartiger van [eiser] gevoerde correspondentie - waarin, onder meer, sprake is geweest van jaarbedragen van fl. 500,-- (tot en met 1994), fl. 750,-- (voor de periode erna) respectievelijk fl. 2.000,-- (medio 1998) - is het volgens Interpolis voor de periode van 1993 tot 2011 redelijk uit te gaan van een normbedrag van € 650,-- per jaar en voor de jaren daarna van € 1.080,-- per jaar, tot aan het bereiken van de 70-jarige leeftijd door [eiser], zonder afbouw. 2.12. Geconstateerd wordt dat beide partijen kunnen instemmen met begroting van de verschenen schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid tot en met 2011 op basis van een forfaitair bedrag. [eiser] wordt niet gevolgd in zijn opvatting dat het forfaitaire bedrag van € 1.000,-- per jaar dat volgens de Richtlijn verlies van zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad gold in de periode 15 september 2006 - 1 januari 2010 ook voor de periode vóór 15 september 2006 kan worden gehanteerd. Aan de rechtbank zijn geen normbedragen uit richtlijnen of aanbevelingen van vóór 15 september 2006 bekend. Daarom zal deels aansluiting worden gezocht bij de door de toenmalige belangenbehartiger van [eiser] genoemde bedragen, zoals die blijken uit onder meer de brief van bureau Kremer van 9 december 1994 (prod. 19 bij de laatste akte van [eiser]). Over de periode vanaf het ongeval tot en met 1994 wordt de schade vastgesteld op - afgerond - fl. 500,-- per jaar, dus in totaal € 907,56 (fl. 2.000,--). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat kort na het ongeval door Sterpolis in verband met het opknappen en schilderen van de juist door [eiser] aangekochte woning bedragen zijn betaald van € 2.722,68 (fl. 6.000,--) en € 1.684,17 (fl. 3.711,42). Deze bedragen maken deel uit van de hierna, onder B ‘Materiële schade vanaf het ongeval tot en met november 1994’ begrote schade. Voor de periode 1995 tot (afgerond) medio 2006 wordt - conform het voorstel van Interpolis - uitgegaan van een jaarschade van € 650,--. Vanaf medio 2006 tot en met 2009 wordt de jaarschade vastgesteld op € 1.000,-- en voor de jaren 2010 en 2011 op € 1.080,--. In totaal bedraagt deze door Interpolis te vergoeden schade tot en met 2011 dan € 14.042,56 (€ 907,56 + (11,5 x € 650,--) + (3,5 x € 1.000,--) + (2 x € 1.080,--)). 2.13. [eiser] heeft gemotiveerd en onderbouwd met bescheiden aangevoerd dat en waarom voor de toekomstige schade het forfaitaire bedrag ontoereikend is en dat hij vanaf dat moment - anders dan voorheen - aangewezen zal zijn op professionele dienstverleners met een gemiddeld uurtarief van € 45,--. Hierop stuit het algemene verweer van Interpolis dat de normbedragen van de richtlijnen voor de totale looptijd van de schade moeten gelden, af. Het in haar voorlaatste akte gevoerde verweer dat het gemiddelde uurtarief van € 45,-- niet voor alle door [deskundige1] geïnventariseerde werkzaamheden zal worden gehanteerd en een deel ervan tegen een tarief van € 15,-- kan worden verricht, is genoegzaam door [eiser] weerlegd. Voor de jaarschade vanaf 2012 tot aan het einde van de looptijd zal daarom als uitgangspunt gelden het bedrag van (71 x € 45,-- = afgerond) € 3.200,-- per jaar. Als einde van de looptijd geldt het bereiken van de 70-jarige leeftijd van [eiser], af te ronden op ultimo 2034, zonder afbouw. Aangenomen wordt dat [eiser] vanaf die leeftijd ook zonder ongeval niet meer in staat zou zijn geweest tot het verrichten van de hier bedoelde werkzaamheden. De eigen stellingen van [eiser] over de reden waarom hij op zijn vader niet langer een beroep kan doen - die is inmiddels 70 jaar oud - liggen aan dit uitgangspunt mede ten grondslag. B. Materiële schade vanaf het ongeval tot november 1994 2.14. De partijen hebben zich na het laatste deskundigenbericht twee maal uitgelaten over deze schadepost, [eiser] uiteindelijk onder overlegging van delen van de correspondentie tussen zijn voormalige schaderegelaar en die van Interpolis. Beide partijen zijn, zo wordt uit hun laatste akten begrepen, bereid - mede op basis van die correspondentie - tot uitgangspunt te nemen dat over de genoemde periode de schade in elk geval gesteld mag worden op € 20.130,74 (fl. 44.362,32). De rechtbank zal de partijen hierin volgen. 2.15. Daarnaast wordt over de schadeposten waarover zij het oneens zijn als volgt beslist. Van deze door [eiser] in nr. 32 van zijn laatste akte opgesomde posten komen de volgende niet voor vergoeding in aanmerking: reparatie en beurt motormaaier (causaal verband met ongeval niet voldoende onderbouwd), vervoer per auto naar werk (onvoldoende onderbouwd in het licht van hetgeen separaat wordt gevorderd onder D.; zie hierna), de zelfwerkzaamheid op basis van fl. 500,-- per jaar (zal als onderdeel verlies arbeidsvermogen worden meegenomen; zie hiervoor onder 2.12.) en de eigen bijdrage voor het orthopedisch schoeisel (valt weg tegen de besparing van de kosten van normaal schoeisel). Van de overige schadeonderdelen staan naar het oordeel van de rechtbank, mede op grond van hetgeen hierna (onder 2.20.) wordt overwogen en beslist, de noodzaak tot het maken van die kosten en de causale relatie met het ongeval genoegzaam vast op grond van de stellingen van [eiser] en de overgelegde stukken. Het verweer hiertegen van Interpolis wordt als ontoereikend verworpen. Dit betekent dat wegens de schadepost onder B € 5.604,41 (fl. 12.350,50) bovenop het bedrag van € 20.130,74, dus in totaal € 25.735,15 voor vergoeding door Interpolis in aanmerking zou komen, ware het niet dat de ter zake van deze schadepost ingestelde vordering (zie het voorlaatste processtuk van [eiser]) slechts € 25.338,47 beloopt. Van laatstgenoemd bedrag moet daarom worden uitgegaan. D. Extra reiskosten woon-/werkverkeer 2.16. Ter staving van deze schadepost heeft [eiser] het volgende aangevoerd. Hij ontving van zijn werkgever een forfaitaire reiskostenvergoeding van ongeveer fl. 150,-- per maand, ongeacht of hij kosten van vervoer maakte. Voor het ongeval reisde [eiser] met het openbaar vervoer - hetgeen hem ongeveer fl. 35,-- per maand kostte - of reed hij gratis mee met een collega. Als gevolg van het ongeval was hij aangewezen op eigen vervoer, omdat hij vanwege afwijkende werktijden niet meer met collega’s kon meerijden. Dit kostte hem fl. 22,-- per dag (57 kilometer x fl. 0,40) en na zijn verhuizing naar [woonplaats] in 1997 fl. 32,-- per dag (80 kilometer x fl. 0,40). Uitgaande van 46 werkweken per jaar, dus 230 werkbare dagen, is dat fl. 5.060,--/€ 2.296,13 ([plaats]) respectievelijk fl. 7.360,--/ € 3.339,82 ([plaats]) per jaar. Daarop dient de besparing in verband met het openbaar vervoer in mindering te worden gebracht (12 x fl. 35,-- = fl. 420,--), zodat de jaarschades fl. 4.640,--/€ 2.105,54 ([plaats]) en fl. 6.940,--/€ 3.149,23([plaats]) bedragen. Dit resulteert in een schadepost over de Eibergse periode (van 24 augustus 1992 tot 15 december 1997, afgerond 5 jaar en 4 maanden) van fl. 24.744,--/€ 11.228,34 en over de [plaats]se periode (van 15 december 1997 tot de volledige arbeidsongeschiktheid van [eiser] per 28 november 2001, dus afgerond 3 jaar en 11 maanden) van € 12.332,84. In totaal is dat € 23.561,18. Interpolis voert het verweer dat die post ook fiscale consequenties heeft in het kader van salariëring en reiskosten. Volgens haar valt niet in te zien dat het maken van reiskosten hier als schadepost kan worden beschouwd. Niet is gebleken dat [eiser] na het ongeval niet met een collega kon meerijden. 2.17. Het verweer van Interpolis gaat niet op. Onbestreden is dat [eiser] voor het ongeval niet met eigen vervoer naar zijn werk reisde. Daardoor maakte hij toen hooguit kosten voor openbaar vervoer. Niet bestreden is dat [eiser] na het ongeval afwijkende werktijden had, zodat de rechtbank er op grond daarvan vanuit gaat dat het niet (goed) mogelijk was om met collega’s mee te rijden. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] na het ongeval genoodzaakt was met eigen vervoer naar het werk te gaan, hetgeen hem meer kostte dan voorheen. Geconcludeerd wordt dat [eiser] als gevolg van het ongeval aldus extra kosten moest maken om naar zijn werk te reizen. Die extra kosten vormen schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Hieraan doet niet af dat de forfaitaire reiskostenvergoeding die [eiser] ontving, (mogelijk) fiscale consequenties kon hebben gehad. Van die fiscale consequenties is uit het dossier niet gebleken. De juistheid van de door [eiser] bij de berekening van deze schadepost gehanteerde variabelen heeft Interpolis niet bestreden, evenmin als de berekening zelf. Het gevorderde bedrag van € 23.561,18 behoort tot de door Interpolis te vergoeden schade. E. Orthopedisch schoeisel 2.18. In zijn laatste akte heeft [eiser] zijn eis verminderd. De vordering die verband houdt met de kosten van orthopedisch schoeisel wordt niet meer gehandhaafd. Daarop hoeft derhalve niet meer te worden beslist. Over het voor de toekomst volgens [eiser] te maken voorbehoud ter zake van deze schadepost, waarover hij zich (ook) in dit verband heeft uitgelaten, zal hierna worden beslist (rov. 2.48.). F. Sociale kilometers 2.19. [eiser] vordert vergoeding van de ‘sociale’ kilometers – in verband met bezoeken in de privé-sfeer – die hij voorheen met de fiets of het openbaar vervoer aflegde, maar sinds het ongeval met de auto moet afleggen. In het bijzonder heeft hij aangevoerd dat hij gewoon was per fiets zijn familie te [plaats] te bezoeken en dat hij aan die bezoeken in de periode na het ongeval meer behoefte had (twee à drie keer per week). Mede op basis van de afstand [plaats]-[plaats] v.v. (ca. 35 kilometer) heeft hij het aantal kilometers op jaarbasis geschat op 5.000. Tot en met het jaar 1994 maakt deze schadepost deel uit van de hiervoor, onder B. beoordeelde vordering. In zijn laatste akte heeft hij de looptijd van deze schadepost teruggebracht tot het moment waarop hij naar [plaats] is verhuisd en vordert hij € 1.000,-- per jaar over de periode 1995-1997, dus in totaal € 7.000,--. Interpolis handhaaft ook na deze eisvermindering haar verweer dat het sociale verkeer van [eiser] regiogebonden is en dat niet zonder meer valt in te zien dat hij in vergelijking met de situatie voor het ongeval meer kilometers zou rijden dan met ongeval. 2.20. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor, onder 2.15. impliciet is overwogen, acht de rechtbank het aannemelijk dat [eiser] door het ongeval, gezien de aard en ernst van het letsel, meer op vervoer per auto is aangewezen. Niet bestreden is dat hij een aantal keren per week zijn familie in Winterwijk bezocht en dat daarvoor sinds het ongeval per keer 35 kilometers met de auto moesten worden gereden zolang hij in [plaats] woonde. Voor de periode waarin hij in [plaats] woonde, komt het door hem genoemde aantal ‘sociale’ kilometers van 5.000 per jaar de rechtbank daarom niet onredelijk voor. Weliswaar is, omgerekend, de vergoeding per kilometer voor de periode 1995-1997 wellicht aan de hoge kant, maar daar staat tegenover dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] in de periode na zijn verhuizing eind 1997 tot op zekere hoogte ook nog ‘sociale kilometers’ per auto aflegde en zal afleggen waar hij die zonder ongeval te voet of per fiets zou hebben afgelegd en waarvoor geen vergoeding meer wordt gevorderd. Het gevorderde bedrag van € 3.000,-- behoort tot de door Interpolis te vergoeden schade. G. Kosten bezoek artsen en ziekenhuizen 2.21. [eiser] vordert de gemaakte en in de toekomst – tot zijn 80e levensjaar – te maken kosten in verband met het bezoek van artsen en ziekenhuizen. Hiertegen heeft Interpolis het verweer gevoerd dat met de verrichte betalingen die schade, die zij overigens onvoldoende onderbouwd acht, zowel voor het verleden als voor de toekomst is vergoed. 2.22. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] in verband met behandelingen van (onder andere) pijnbestrijding vervoerskosten heeft gemaakt en zal maken. Met de bij dagvaarding overgelegde overzichten is deze schade voldoende onderbouwd. De vordering zal worden toegewezen zoals bij de voorlaatste akte gevorderd, met dien verstande dat inmiddels de kapitalisatiedatum 1 januari 2012 zal worden aangehouden bij een jaarschade van € 228,-- te berekenen tot het 80e levensjaar van [eiser], dus over de periode 2012 tot en met (afgerond) 2044 met een rekenrente van 3%. De voordien verschenen schade kan worden begroot op basis van de door [eiser] gestelde en door Interpolis niet (concreet) betwiste uitgangspunten. De verschenen schade in de periode van 1995 tot en met 2011 komt dan op in totaal € 3.010,50 (€ 1.481,-- + € 199,50 + (2 x € 209,-) + (4 x € 228,--)). H. Eigen bijdrage zorgverzekering 2.23. [eiser] vordert de aan zijn zorgverzekering verschuldigde eigen bijdrage tot zijn 70e levensjaar alsmede de gemiste no-claim over de jaren 2006 en 2007. Voorts geeft [eiser] aan dat hij, in verband met de bezuiniging op de zorgverzekering verwacht dat de eigen bijdrage/het eigen risico zal worden verhoogd en in verband daarmee wenst hij de schade open te houden in die zin dat hij de meerkosten wil kunnen blijven vorderen. Dit laatste past volgens Interpolis niet bij een afwikkeling van alle schade ineens op basis van goede én kwade kansen, terwijl Interpolis voorts aanvoert dat niet (zonder meer) aannemelijk is dat [eiser] zonder ongeval nimmer kosten voor medische zorg zou hebben hoeven te maken tot aan zijn 70e. 2.24. In dit laatste verweer wordt Interpolis gevolgd. De rechtbank zal dan ook een beperking aanbrengen in de looptijd van deze vordering. Concrete aanknopingspunten ter bepaling van het moment waarop [eiser] geacht wordt ook zonder ongeval voor medische kosten in de vorm van een eigen bijdragen zou zijn komen te staan ontbreken. Schattenderwijs wordt het moment waarop deze hypothetische kwade kans zich zou realiseren gesteld op het bereiken van de 55-jarige leeftijd door [eiser]. Het voorgaande betekent dat tot de te vergoeden, in de periode 2006-2011 verschenen schade behoort een bedrag van in totaal € 1.147,-- (op basis van de in nr. 37 van het voorlaatste processtuk van [eiser], door Interpolis niet betwiste bedragen). De toekomstige schade moet worden berekend over de periode van 2012 tot en met (afgerond) 2019 met als peildatum 1 januari 2012 op basis van een jaarschade van € 167,-- en met een rekenrente van 3%. Over het voor de toekomst volgens [eiser] te maken voorbehoud ter zake van deze schadepost, zal hierna worden beslist (rov. 2.48.). I. Kosten verhuizing [plaats] 2.25. In zijn laatste akte heeft [eiser] zijn vordering in verband met de verhuizing van [plaats] naar [plaats] verminderd naar € 1.800,--. [eiser] heeft aan dit bedrag ten grondslag gelegd de stelling dat zijn vader - in plaats van [eiser] zelf, die dit door het ongeval niet meer kon - de in- en uitpakwerkzaamheden die horen bij een verhuizing heeft verricht, evenals de werkzaamheden om het nieuwe huis bewoonbaar te maken en het oude schoon achter te laten. Daar was circa 120 uur mee gemoeid, hetgeen afgezet tegen een ‘zwart’ uurtarief van € 15,-- dat Interpolis in haar voorlaatste akte redelijk heeft genoemd neerkomt op € 1.800,--. Volgens Interpolis is deze schadepost ook nu onvoldoende onderbouwd. Zij wijst erop dat ook van de noodzaak van verhuizing naar [plaats] (door het ongeval) niet is gebleken. Het verdere verweer van Interpolis komt erop neer dat het hier hetzij schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid betreft hetzij werkzaamheden waarvoor het niet gebruikelijk is een professionele dienstverlener in te schakelen. 2.26. De rechtbank is met Interpolis van oordeel dat deze schadepost in wezen ziet op schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid. Deze schade vormt ook het onderwerp van een afzonderlijke vordering, waarop reeds is beslist (zie hiervoor, onder 2.12. en 2.13.). Het betreft hier echter buitennormale werkzaamheden, waarvoor het in de gegeven omstandigheden niet onredelijk is separaat vergoeding te vorderen, evenals ten aanzien van de eerste verhuizing van [eiser] (naar [plaats]) is geschied. Het gaat ook om werkzaamheden waarvoor men, als men ze zelf niet kan verrichten, professionele dienstverleners pleegt in te schakelen. In het midden kan blijven of het ongeval (mede) de reden is dat [eiser] is verhuisd. Voor zover Interpolis met het desbetreffende verweer tot algemeen uitgangspunt neemt dat een benadeelde zijn woonplaatskeuze moet laten bepalen door de financiële belangen van de aansprakelijke, wordt zij daarin niet gevolgd. In de keuze van zijn woonplaats is de benadeelde beginsel vrij, ook indien daardoor kosten ontstaan die voor rekening van de aansprakelijke komen. Het bedrag van € 1.800,-- aan verhuiskosten komt de rechtbank niet onredelijk voor en maakt deel uit van de door Interpolis te vergoeden schade. J. Studiekosten 2.27. [eiser] heeft bij dagvaarding gesteld dat hij in 1995 de opleiding Assurantie B heeft gevolgd en dat hij, omdat hij vanwege het ongeval toen parttime werkte, slechts een deel van de studiekosten vergoed heeft gekregen. Een bedrag van € 274,58 heeft hij zelf moeten betalen. Zonder het ongeval had hij fulltime gewerkt en had hij ook dat bedrag vergoed gekregen. Tegenover deze onderbouwing volstaat het verweer van Interpolis dat de studiekosten ertoe hebben geleid dat hij functiegroep 5 voor de gemiste verdiencapaciteit kan hanteren en dat de studiekosten niet als ongevalsgevolg vallen aan te merken, niet. Ook het verweer dat tevergeefs gemaakte studiekosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, faalt, aangezien [eiser] door de ongevalsgevolgen er niet in is geslaagd deze opleiding met een diploma af te ronden. Ook het bedrag van € 274,58 behoort dus tot de door Interpolis te vergoeden schade. K. Bedbank 2.28. [eiser] heeft in juli 2005 een elektrische bedbank aangeschaft van € 2.940,--. De zorgverzekeraar heeft de aangevraagde vergoeding van deze kosten afgewezen. Uitgaande van een verbruiksperiode van 10 jaar, komt deze schadepost neer op viermaal de aanschafkosten, derhalve op € 11.760,--, aldus [eiser]. Interpolis meent dat [eiser] vóór deze aanschaf, zoals te doen gebruikelijk, met haar in overleg had behoren te treden. Zij stelt zich voorts op het standpunt dat er ook goedkopere bedden zijn en zij betwist de gestelde noodzaak van vervanging van de bedbank iedere tien jaar. Het stuk dat [eiser] daarover heeft overgelegd, ziet volgens haar op alleen het matras. Interpolis ziet voor alles geen indicatie voor de aanschaf van zo’n bed. Zij meent dat een normale, verstelbare leunstoel volstaat. 2.29. Op zichzelf is het niet onredelijk dat [eiser], gelet op de aard van zijn letsel dat meebrengt dat hij niet langdurig kan zitten en vele uren per dag liggend in de woonkamer doorbrengt, een daarvoor geschikte bedbank met kussens heeft aangeschaft en dat in de toekomst zal blijven doen. De bevindingen van de deskundige [deskundige1] onderschrijven dat. Interpolis heeft aangegeven dat er ook goedkopere bedden en matrassen zijn. Wat daarvan ook zij, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het voor [eiser]s situatie geschikte modellen en uitvoeringen betreft. In zoverre wordt het verweer van Interpolis verworpen. Dat de gehele bedbank - en niet alleen de matras - iedere tien jaar moet worden vervangen, heeft [eiser] in het licht van het verweer van Interpolis onvoldoende onderbouwd. Daarom zal bij de begroting van deze schadepost schattenderwijs worden uitgegaan van niet vier maar drie maal de kosten van aanschaf van een dergelijke bedbank ad € 2.940,-- in de (door Interpolis niet bestreden) periode van 40 jaren. Dit betekent dat [eiser] aan verschenen schade een bedrag van € 2.940,-- toekomt en dat de toekomstige schade moet worden gekapitaliseerd, op basis van de volgende uitgangspunten. [eiser] zal steeds na 13 1/3 jaar, dus in november 2018 en in maart 2031, opnieuw voor een uitgave van € 2.940,-- staan. De te hanteren rekenrente is 3% en de peildatum 1 januari 2012. L. Aangepaste autostoel 2.30. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij een aangepaste autostoel nodig heeft. De kosten daarvan heeft hij aanvankelijk begroot op € 2.500,-- en, uitgaande van een levensduur van 7 jaar, deze totale schadepost op € 15.000,--. In zijn laatste akte handhaaft hij deze vordering. Ter staving van de vordering wijst [eiser] thans op bij Bever Autoaanpassingen te Hengelo ingewonnen informatie waaruit blijkt dat een aangepaste passagiersstoel (inclusief btw) € 7.140,-- kost. De levensduur van zo’n stoel, die in beginsel overplaatsbaar is, is ingeschat op 100.000 à 200.000 kilometer. In de binnenkort aan te schaffen nieuwe(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.