ECLI:NL:RBARN:2011:BU5151
Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 195922 / HA ZA 10-224 Vonnis van 2 november 2011 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. F.A. Geevers te Utrecht, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. G.W. Boogaard te Leerdam.
Partijen zullen hierna [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] genoemd worden.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2.2. De akte van levering dateert van 11 mei 2007.
2.3. BLG Hypotheekbank N.V. (hierna: BLG) heeft ten behoeve van de financiering van de woning een geldlening verstrekt van € 198.000,00. Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit deze geldleningsovereenkomst is ten behoeve van BLG door [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie] gezamenlijk een recht van hypotheek op de woning gevestigd. De hypotheekakte dateert van 11 mei 2007.
2.4. [gedaagde in conventie] heeft de woning na de aankoop samen met de moeder van partijen bewoond.
2.5. [eiser in conventie] heeft bij [gedaagde in conventie] tevergeefs aangedrongen op verdeling van de gemeenschap, waarbij de woning aan [gedaagde in conventie] zou worden toegescheiden.
2.6. Bij brief van 10 juni 2011 heeft BLG wegens achterstand in de betaling van de (voorheen door [gedaagde in conventie] gedragen) hypotheeklasten de executoriale verkoop van de woning aangezegd.
Bij zijn tweede akte wijziging (vermeerdering) van eis heeft [eiser in conventie] zijn vordering aangevuld met de vordering dat de rechtbank bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
3.2. [gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd tegen de bij dagvaarding ingestelde eis en de eis zoals die na de eerste eiswijziging is komen te luiden (onderdelen 1 tot en met 4).
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde in conventie] heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank [eiser in conventie] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan [gedaagde in conventie] van:
3.5. [eiser in conventie] voert verweer.
3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De medewerking/toestemming van BLG is daarvoor vereist (art. 3:177 BW en de artt. 3:179 lid 3 jo. 6:155 BW). De door [gedaagde in conventie] (kennelijk) gestelde voorwaarde voor toescheiding van de woning aan [eiser in conventie] - dat [gedaagde in conventie] de woning blijft bewonen en dat de na de toedeling de door [eiser in conventie] te betalen woonlasten worden verrekend met hetgeen [gedaagde in conventie] voor [eiser in conventie] heeft voorgeschoten - zal niet aan deze wijze van verdeling worden verbonden, reeds omdat [gedaagde in conventie], zoals [eiser in conventie] onweersproken heeft gesteld, de woning inmiddels heeft ontruimd en verlaten.
4.2. [eiser in conventie] heeft voorts de veroordeling van [gedaagde in conventie] tot medewerking aan de hierboven vastgestelde wijze van verdeling gevorderd (zie onder 2). [eiser in conventie] heeft tevens gevorderd bij gebreke van deze medewerking te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de tot levering van de woning bestemde akte of een deel daarvan, op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW. Ook deze vordering is toewijsbaar. De daarnaast door [eiser in conventie] gevorderde dwangsom is niet toewijsbaar, (reeds) omdat [gedaagde in conventie] de medewerking van de bank (en zijn moeder en zuster; zie hierna onder 4.8) en het Bureau Krediet Registratie niet in zijn macht heeft.
4.3. Het volgende geschilpunt tussen partijen betreft de vraag wie er bij de uit te spreken wijze van verdeling van de woning en de toedeling van de hypotheekschuld aan [eiser in conventie] is overbedeeld. In dat verband zijn de partijen verdeeld over de waarde van de woning, de omvang van de hypothecaire lening en de vraag of de door [gedaagde in conventie] gestelde leningen van de zus en de moeder van de partijen ook bij deze verdeling moeten worden betrokken.
4.4. [eiser in conventie] heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel de woning en de hypothecaire schuld in de verdeling moeten worden betrokken. De woning vertegenwoordigt volgens [eiser in conventie] een waarde van € 182.500,00 en de hypothecaire schuld bedraagt volgens [eiser in conventie] € 198.000,00. Per saldo bestaat er volgens [eiser in conventie] over het geheel genomen dus een negatieve waarde van € 15.500,00. [eiser in conventie] is gerechtigd tot 40% (€ 6.200,00) daarvan en [gedaagde in conventie] tot 60% (€ 9.300,00). Met de toedeling van de woning en de hypothecaire schuld aan [eiser in conventie], zal [gedaagde in conventie] wegens overbedeling aan [eiser in conventie] een bedrag van € 9.300,00 moeten betalen.
4.5. [gedaagde in conventie] heeft zich (bij conclusie van antwoord, toen nog de toescheiding aan hem werd gevorderd) op het standpunt gesteld dat naast de woning en de hypothecaire schuld de eveneens op de woning betrekking hebbende schulden aan de zus (€ 13.391,34) en de moeder (€ 900,00) in de verdeling moeten worden meegenomen. De woning heeft volgens [gedaagde in conventie] een waarde van € 186.000,00 en de hypothecaire schuld bedraagt volgens hem € 189.750,00. Per saldo is er dan volgens [gedaagde in conventie] een negatieve waarde van de woning van € 18.041,34. Het aandeel van [eiser in conventie] daarin bedraagt € 7.216,54 en zijn eigen aandeel € 10.824,80. [gedaagde in conventie] heeft na de eerste eiswijziging van [eiser in conventie] volhard in deze berekening. Bij toedeling van de woning aan [eiser in conventie] zou [gedaagde in conventie] dan volgens zijn eigen berekening wegens overbedeling een bedrag van € 10.824,80 aan [eiser in conventie] verschuldigd zijn.
4.6. De rechtbank constateert dat de partijen slechts in geringe mate verdeeld zijn voor wat betreft de waarde van de woning. De kosten die gemoeid zijn met benoeming van een gerechtelijke deskundige ter voorlichting van de rechtbank over die waarde gaan naar verwachting het uiteindelijke financiële belang van elk der partijen ter verkrijging van hun gelijk op dit standpunt te boven. Er is een recente inschatting van de marktwaarde van de woning (tussen € 180.000,00 en € 185.000,00) gemaakt door de makelaar die heeft getracht de woning te verkopen, zo heeft [eiser in conventie] in zijn (eerste) akte wijziging van eis gesteld. [gedaagde in conventie] heeft deze inschatting niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van dit alles ziet de rechtbank aanleiding bij de hierna te maken berekenen uit te gaan van € 182.500,00 als marktwaarde van de woning.
4.7. De hypothecaire schuld bedraagt blijkens de hypotheekakte en de notarisafrekening € 198.000,00.
4.8. Voor wat betreft de schulden aan de moeder en de zus geldt het volgende. In art. 3:179 lid 1 BW is bepaald, voor zover hier van bepaling, dat ingeval verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, ieder der deelgenoten kan verlangen dat alle voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen. [gedaagde in conventie] heeft gesteld dat ten behoeve van de woning € 20.000,00 is geleend van de zus van partijen. Van dit bedrag is volgens hem een gedeelte aangewend ter (nadere) financiering van de aankoop van de woning en een gedeelte voor de installatie van een vaste trap naar de zolder en een nieuwe keuken in de woning. Daarnaast heeft [gedaagde in conventie] gesteld dat de moeder van partijen € 900,00 heeft geïnvesteerd in de woning ten behoeve van het aanbrengen van een dakkapel en een vergunning daarvoor.
Ter comparitie heeft [gedaagde in conventie] gesteld dat hij € 7.000,00 op de schuld aan de zus van partijen heeft afgelost. [eiser in conventie] heeft al deze stellingen onvoldoende gemotiveerd betwist. Er zijn stukken in het geding gebracht ter staving van de stellingen van [gedaagde in conventie], zoals de notarisafrekening en de stand van de lening van de zus. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bij de verdeling ervan uitgaan dat sprake is van schulden aan de zus en de moeder van partijen die verband houden met investeringen in de (aankoop van de) woning en die bij de verdeling moeten worden betrokken. Naast de hypothecaire schuld van € 198.000,00 zullen derhalve ook het resterende deel van de schuld aan de zus van € 13.391,34 en de schuld aan de moeder van € 900,00 aan [eiser in conventie] worden toegedeeld.
4.9. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tegenover de waarde van de woning (€ 182.500,00) een daarmee verband houdende schuld van in totaal € 212.291,34 staat. De negatieve waarde van de woning en de daarmee verbonden schulden bedraagt € 29.791,34. Bij de te gelasten wijze van verdeling, waarbij als voorwaarde zal gelden dat [eiser in conventie] ook de schulden aan de moeder en de zus van partijen met hun toestemming (artt. 3:179 lid 3 jo. 6:155 BW) als eigen schulden overneemt, is sprake van overbedeling van [gedaagde in conventie] ter grootte van 60% van de negatieve waarde, derhalve € 17.874,80. Vanaf het moment van verdeling zal [gedaagde in conventie] dit bedrag aan [eiser in conventie] verschuldigd zijn, behoudens voor zover dit bedrag door verrekening teniet zal zijn gegaan (zie hierna, onder 4.13) .
4.10. [eiser in conventie] heeft onder 3 gevorderd dat de notariële kosten van de overdracht door de partijen bij helfte gedeeld zullen worden. [gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat het niet meer dan gebruikelijk is dat een koper (in casu [eiser in conventie]) de (notaris-) kosten die betrekking hebben op de levering van een woning voldoet. [gedaagde in conventie] ziet geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. De rechtbank oordeelt als volgt. De notariskosten die gepaard gaan bij de overdracht zullen bij helfte door partijen gedragen moeten worden, nu beide partijen gelet op hun gezamenlijke eigendom belang hebben bij de (verdeling en de) overdracht. Voor wat betreft de overdrachtsbelasting heeft te gelden dat die door [eiser in conventie], als kopende partij aan wie wordt overgedragen, zal moeten worden gedragen. Het onder 3 gevorderde ziet echter niet mede op de overdrachtsbelasting, maar slechts op de notariskosten en kan derhalve worden toegewezen.
4.11. [gedaagde in conventie] heeft geen verweer gevoerd tegen hetgeen [eiser in conventie] bij tweede akte wijziging eis heeft gevorderd onder punt 5. Deze vordering heeft betrekking op bedragen die [eiser in conventie] recentelijk heeft voldaan aan BLG (€ 6.500,00) en aan de SNS bank (€ 2.620,89). Naar [eiser in conventie] stelt, hebben deze betalingen, waarvan hij stukken heeft overgelegd, betrekking op schulden waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn, maar die in hun onderlinge verhouding door [gedaagde in conventie] moeten worden gedragen. [gedaagde in conventie] heeft het voorgaande niet betwist, zodat van de juistheid van de stellingen van [eiser in conventie] wordt uitgegaan. Het gevorderde bedrag van € 9.121,00 zal worden toegewezen, inclusief de per 3 augustus 2011 daarover gevorderde wettelijke rente.
4.12. Dan resteert in conventie het beroep op verrekening van [gedaagde in conventie]. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde in conventie] ten behoeve van [eiser in conventie] schulden heeft afgelost tot een bedrag groot € 17.667,00. Tussen partijen staat bovendien vast dat sprake is van een leningsovereenkomst en dat dus in beginsel op [eiser in conventie] een terugbetalingsverplichting rust. [eiser in conventie] heeft echter gesteld dat [gedaagde in conventie] ooit tegen hem gezegd heeft dat hij het geld niet terug hoefde. [eiser in conventie] heeft desgevraagd ter comparitie aangegeven dat hij niet kan aantonen dat [gedaagde in conventie] gezegd heeft dat hij het geld niet terug hoefde, dat hij zich niet meer herinnert wanneer [gedaagde in conventie] dat gezegd heeft, dat daar geen andere personen bij waren, dat hij dat niet helemaal zeker weet, maar dat hij geen namen kan noemen van personen die daarbij aanwezig waren. [gedaagde in conventie] heeft de stelling van [eiser in conventie] betwist.
4.13. Het bewijs van de stelling dat [gedaagde in conventie] heeft gezegd dat die het geld niet terughoefde rust op [eiser in conventie], aangezien hij zich op de rechtsgevolgen ervan beroept (art. 150 Rv). In zijn laatste akte heeft [eiser in conventie] alsnog bewijs aangeboden van zijn stelling, door het horen van hemzelf, zijn zus en zijn moeder als getuigen. Tegen de achtergrond van zijn verklaring ter comparitie roept dit bewijsaanbod vragen op. Het had op de weg van [eiser in conventie] gelegen nader toe te lichten wat deze getuigen zouden kunnen verklaren, mede in het licht van het bepaalde in art. 163 Rv. Bij gebreke daarvan geldt het bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd en wordt het gepasseerd.
De stelling van [eiser in conventie] dat [gedaagde in conventie] het geld niet terughoefde, wordt verworpen. Enig ander verweer tegen de vordering van [gedaagde in conventie] is niet gevoerd, behalve dat op grond van de verklaringen van beide partijen ter comparitie kan worden vastgesteld dat € 100,00 is terugbetaald. [eiser in conventie] heeft geen bewijs aangeboden van zijn stelling dat nog twee maal € 100,00 door hem is terugbetaald, zodat aan die (door [gedaagde in conventie] betwiste) stelling voorbij wordt gegaan. Als vaststaand wordt aangenomen dat [gedaagde in conventie] van [eiser in conventie] een bedrag van (in hoofdsom) € 17.567,00 te vorderen heeft. Het beroep op verrekening met de overbedelingsvordering van [eiser in conventie] ad € 17.874,80 (zie onder 4.9) slaagt derhalve.
Het bedrag dat [gedaagde in conventie] wegens overbedeling aan [eiser in conventie] moet betalen op het moment van de verdeling, komt daarmee op € 307,80.
4.14. Met het voorgaande is nog niet beslist op de vordering tot vergoeding van rente over het aan [eiser in conventie] geleende bedrag, waarop [gedaagde in conventie] eveneens aanspraak heeft gemaakt. Het betreft volgens [gedaagde in conventie] de rente van 7,2% per jaar die hijzelf moet betalen over de lening die hij is aangegaan om de schulden van [eiser in conventie] af te lossen. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde in conventie] en [eiser in conventie] zijn overeengekomen dat [eiser in conventie] die rente zou vergoeden. Een andere grondslag voor dit deel van de vordering is evenmin aangevoerd. Bij deze stand van zaken is er geen grond aan te nemen dat [eiser in conventie] gehouden is die rente aan [gedaagde in conventie] te vergoeden. In zoverre wordt het verrekeningsverweer afgewezen. in reconventie 4.15. [gedaagde in conventie] heeft zijn vordering in reconventie ingesteld, onder de voorwaarde dat zijn beroep op verrekening niet zou slagen. Nu het beroep op verrekening in conventie voor zover mogelijk is gehonoreerd en in conventie is beslist dat [gedaagde in conventie] een bedrag wegens overbedeling aan [eiser in conventie] moet vergoeden, is de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld niet vervuld, zodat er in reconventie niets te beoordelen valt. in conventie en in reconventie 4.16. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie, tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.
Coll.: AB