beschikking RECHTBANK ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer / rekestnummer: 215383 / HA RK 11-127 Beschikking van 21 september 2011 in de zaak van [verzoekster] verzoekster, advocaat mr. H.A. Zandijk te Utrecht, tegen de naamloze vennootschap RVS SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Ede, verweerster, advocaat mr. drs. H.M. Kruitwagen te Arnhem. De partijen worden verder [verzoekster] en RVS genoemd.
(2006)blz 4 onder Doelgroep schrijft de commissie juist nadrukkelijk dat het nu juist niet de bedoeling is om de richtlijn 2008 hiervoor te gebruiken. In voorlaatste alinea haalt van Marle terecht de richtlijn functieverlies 2007 aan. En dat er geen sprake is van een neurologisch substraat en beperking bij een chronisch pijnsyndroom, dat men “postwhiplash syndroom” of “whiplash” noemt (aanhalingstekens origineel). Hij merkt dan weer op (dit laat onverlet…) dat dit wat strijdig is met de richtlijn 2008. Dat klopt helemaal want die richtlijn gaat over een totaal ander beeld en totaal andere diagnose (in fase van acute klachtend is geen chronisch pijn syndroom, of "postwhiplash-syndroom" !!!!!). Bovenaan blz 3 schrijft van Marle wel nadrukkelijk dat dat hij de NVN volgt ten aanzien van het substraat en en dat eveneens met betrekking tot het percentage functieverlies (DUS: GEEN BEPERKINGEN BIJ DF GESTELDE PSYCHIATRISCHE DIAGNOSE). In 2e alinea blz 3 gaat van Marle opnieuw ten onrechte uit van beide neurologische richtlijnen. Hij snapt mijn opmerking niet dat hij niet mag spreken over een neurologische aandoening. Dat begrijp ik wel enigszins want hij spreekt steeds over een een ander doelgroep, als ware betrokkene nog deel van de doelgroep acute klachten (richtlijn 2008), of dat er geen onderscheid is tussen acute klachten en het "postwhiplash-syndroom". De neurologische expertise bij klachten van een "postwhiplash-syndroom" dient louter en uitsluitend om een neurologische aandoening (die erop kan lijken bijvoorbeeld een nekhernia met zenuwcompressie) uit te sluiten. Als dat gebeurt is, ais er geen aandoening, geen neurologisch of organisch substraat is, is er dus ook geen neurologische aandoening. Er is sprake van neurologische k1achten die, na onderzoek, niet op een neurologische aandoening wijzen. In alinea 4 van blz 3 gaat van Marl ervan uit dat de hij met het postwhiplash syndroom de vaste combinatie aan lichamelijke klachten die betrokkene consistent in tijd naar voren brengt. Hii beschouwt dit als bron van de aanpassingsstoornis (zie boven). en legt het indexongeval als oorzaak van de lichamelijke klachten (zie boven) Nogmaals: dat is essentieel en aantoonbaar onjuist: met een chronisch pijnsyndroom zonder organisch substraat is er per definitie geen causaal verband meer met de oorspronkelijke bron (het index ongeval). Van Marle kent blijkbaar, want hij gebruikt een en ander voor zijn diagnostiek, het essentiële onderscheid niet tussen de diagnose acute klachten (met hooguit tijdelijke beperkingen) en de diagnose van een echt chronisch pijnsyndroom (met een biopsychosociaal spectrum). Zie de, ook door van Marle aangehaalde, zeer fraaie beschrijvingen over de essentie van het CPS op blz 32 van de AMA 6e ed. De opvattingen van van Marle, diagnose aanpassingsstoornis komt voort uit lichamelijke klachten die weer voortkomen uit ongeval, zijn aantoonbaar niet gebaseerd op de stand van wetenschap op dit gebied (AMA 6e ed en richtlijnen NVN, en actuele medische literatuur hierover). Hij laat ook na aan te geven c.q. maakt geen onderscheid in objectiveerbare beperkingen en ervaren/door betrokkene aangeven beperkingen (zie richtlijn Medisch Specialistische Rapportage 2010). Verder blijf ik van mening dat onder de klachten/syndroom van het CPS (bio-psycho-sociaal) reeds de klachten van betrokkene gevat zijn die thans als aanpassingsstoornis geduid worden. Ik kan mij niet voorstellen dat lichamelijke klachten van niet organisch aard een stressfactor zijn, als deze subjectieve klachten zelf al geduid worden als niet-lichamelijk, een stresskarakter hebben. Van belang lijkt mij dat van Marle uiteindelijk, zelfs met een ten onrechte niet gemaakt onderscheid tussen acute klachten en het chronisch pijnsyndroom (CPS) waarbij de pijnklachten geen causaal geen verband hebben met de oorspronkelijke aanleiding en met geen onderscheid in ervaren en geobjectiveerde beperkingen, geen gevolgen in vorm van beperkingen aan zijn diagnose verbindt, door zich te conformeren aan de uitkomst van neurologische expertise.” 2.10. RVS stelt zich op basis van de bevindingen van Prince op het standpunt dat de bevindingen van Van Marle niet als uitgangspunt kunnen dienen voor de verdere schadeafwikkeling. 2.11. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van artikel 1019w Rv bepaalt:
- a)dat de bevindingen en conclusies als neergelegd in het psychiatrisch eindrapport van juli 2008 en het psychiatrisch briefrapport van 10 oktober 2009 alsmede de nog te ontvangen reactie op de brief van Prince van 15 oktober 2009, als uitgangspunt hebben te dienen bij de verdere beoordeling en behandeling van de claim van [verzoekster] jegens RVS tot vergoeding van haar schade;
- b)dat het voor de hand ligt dat partijen de expertiserend psychiater die zij gemeenschappe¬lijk hebben verzocht om een psychiatrisch onderzoek in deze te verrichten, zullen verzoeken om een psychiatrisch eindonderzoek te verrichten. RVS voert verweer dat hierna aan de orde zal komen. 2.12. RVS heeft bezwaren tegen de inhoud van de bevindingen van Van Marle. In dat verband is het volgende van belang. Uit het hierboven geciteerde volgt dat de aanpas¬sings¬stoornis die Van Marle heeft gecon¬sta¬teerd daarop is gebaseerd dat [verzoekster] zich, vanwege haar rigide karakterstructuur, psychisch niet goed heeft kunnen aanpassen aan de, onder postwhiplashsyndroom (PWS) of whiplash associated disorder (WAD) te scharen lichame¬lijke klachten die zij na het ongeval ervaart. Deze klachten betreffen volgens Van Marle beperkingen op neurologisch gebied (toevoe¬ging rapport van juli 2008). Van Marle gaat er van uit dat whiplash en postwhiplashsyn¬droom begrippen zijn uit het neurologisch vakgebied en niet de psychiatrie (briefrapport 28 mei 2011). Uit het briefrapport van 10 oktober 2009 blijkt dat Van Marle er van uit gaat dat sprake is van lichamelijk gebaseerde klachten. In zijn rapport van 28 mei 2011 maakt Van Marle onderscheid tussen de door hem gediagnosticeerde psychiatrische aandoening (de aanpassingsstoornis) en de bron ervan (het postwhiplashsyndroom). Hij maakt daarbij bezwaar tegen de opmerking van Prince dat er geen aanpassingsstoornis mogelijk zou zijn als er geen organisch substraat is. Volgens Van Marle hebben vele psychiatrische aandoeningen geen organisch substraat. Hoe verder op neurologisch terrein de WAD en PWS worden gediagnosticeerd en beoordeeld valt volgens Van Marle buiten zijn competentie als psychiater. 2.13. De rechtbank is van oordeel dat bij deze stand van zaken RVS een redelijk belang heeft bij een neurologische expertise, zoals zij in het tegelijkertijd met dit deelgeschil behandelde verzoek om een voorlopig deskundigenbericht heeft verzocht. Aangezien het voorlopig deskundigenbericht zal worden toegewezen, dient het deelgeschil te worden afgewezen. Tegen de achtergrond van het voorgaande kan op voorhand immers niet worden geoordeeld dat de verdere schaderegeling uitsluitend op basis van de rapporten van Van Marle dient plaats te vinden. 2.14. De rechtbank zal evenmin bepalen dat het voor de hand ligt dat partijen Van Marle zullen verzoeken om een psychiatrisch eindonderzoek te verrichten. Het ligt meer voor de hand dat na de rapportage door de neuroloog wordt beoordeeld welke stappen mogelijk nog meer nodig zijn. Ook het sub
- b)bedoelde verzoek is derhalve niet toewijsbaar. 2.15. Ter zake van de kostenbegroting op de voet van artikel 1019aa Rv geldt het vol¬gende. Het betreft hier de redelijke kosten van [verzoekster] bij de behandeling van het verzoek. Dat de werkzaamheden ter zake van het verzoek van [verzoekster] mede dienstig kunnen zijn geweest aan het verweer van [verzoekster] in de verzoekschriftprocedure die RVS heeft geëntameerd (zaaknum¬mer / rekestnummer: 215295 / HA RK 11-122) levert, anders dan RVS meent, geen grond op voor matiging van de begroting. Het betekent immers niet dat het onredelijk van [verzoekster] was om deze kosten te maken bij de behandeling van haar verzoek. Daar komt nog bij dat het verzoek tot het beslechten van deelgeschil eerder bij de rechtbank is binnengekomen dan het verzoek tot het gelasten van het voorlopige deskundigenbericht. 2.16. [verzoekster] geeft aan dat haar advocaat een uurtarief hanteert van € 290,00, exclusief BTW. RVS acht dit uurtarief onredelijk hoog. [verzoekster] heeft niet toegelicht waarom zij het door haar advocaat gehanteerde uurtarief, dat relatief hoog is, redelijk acht. Mede gelet daarop komt de rechtbank in deze zaak een uurtarief van € 200,00 exclusief BTW redelijk voor. 2.17. [verzoekster] wenst in totaal 17 uur begroot te zien. RVS heeft hiertegen geen bezwaren geuit. Daarom zal het aantal uren op 17 worden begroot. 2.18. Onbetwist is dat ook de kosten vanwege de inschakeling van een medisch adviseur ad € 2.742,50 (€ 892,10 + € 1.850,00), de kosten van aanvullende expertise door Van Marle ad € 1.160,25 en het betaalde griffierecht ad € 258,00 kunnen worden begroot. De kosten zullen gelet op het voorgaande worden begroot op € 8.206,75 (€ 200,00 x 17 + 19% + € 2.742,50 + € 1.160,25 + € 258,00). [verzoekster] heeft tevens verzocht RVS in de buitenge¬rechtelijke kosten te veroordelen. Dat verzoek is als zodanig niet bestreden en zal worden toegewezen als hierna vermeld. 2.19. Het zelfstandig verzoek is gedaan subsidiair aan het primaire verzoek van RVS om [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen. Nu het verzoek van [verzoekster] zal worden afgewezen wordt derhalve aan het zelfstandig verzoek niet toegekomen. 3. De beslissing De rechtbank wijst de verzoeken af, begroot de buitengerechtelijke kosten aan de zijde van [verzoekster] op de voet van artikel 1019aa Rv op € 8.206,75 en veroordeelt RVS tot betaling daarvan. Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2011.