← Nederland

ECLI:NL:RBARN:2011:BU9420

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 10/1518 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 20 december 2011 inzake [naam], eiser, wonende te [woonplaats], tegen het Dagelijks bestuur Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, verweerder.

  1. Aanduiding bestreden besluit I Besluit van verweerder van 10 maart 2010; II Besluit van verweerder van 26 september
  2. Procesverloop Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 24 augustus
  3. Eiser is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Diependaal en P. van Leeuwen. De rechtbank heeft op 31 augustus 2011 een tussenuitspraak gewezen. Verweerder heeft op 26 september 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen. De rechtbank heeft het onderzoek op 4 november 2011 gesloten.
  4. Overwegingen Bij mondelinge tussenuitspraak van 31 augustus 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit van 10 maart 2010 onvoldoende gemotiveerd is voor zover het de weigering tot openbaarmaking van bepaalde passages uit het verslag van het dagelijks bestuur van 9 juli 2009 betreft. Bij het besluit van 26 september 2011 heeft verweerder, gevolg gevend aan de tussenuitspraak, opnieuw beslist op het door eiser gemaakte bezwaar. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit van 10 maart
  5. De rechtbank zal het beroep tegen dit besluit dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Aangezien bij het nieuwe besluit niet geheel aan de bezwaren van eiser is tegemoetgekomen, wordt het beroep van eiser, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden. Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 26 september 2011 de in de tussenuitspraak aangeduide passages alsnog openbaar gemaakt. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het geconstateerde gebrek hersteld. Onder verwijzing naar hetgeen ten aanzien van de overige door eiser aangevoerde gronden is overwogen in de tussenuitspraak zal de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 september 2011 daarom ongegrond verklaren. Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder op te dragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
  6. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 10 maart 2010 niet-ontvankelijk; verklaart het beroep tegen het besluit van 26 september 2011 ongegrond; bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hem vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Kjellevold - Hoegee, griffier. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op 20 december
  7. Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Verzonden op: 20 december 2011

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.