RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer registratienummers: AWB 08/5277 en 08/5278 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van inzake [X], wonende te [Z], eiser, tegen de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding 09/5277: Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1995 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), aanslagnummer [000].H57, opgelegd ten bedrage van € 895 (fl. 1.974). Daarbij is tevens een boete (verhoging) opgelegd van 100% en is een bedrag van € 330 (fl. 729) aan heffingsrente in rekening gebracht. 09/5278: Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1996 een navorderingsaanslag vermogensbelasting (hierna: VB), aanslagnummer [000].K67, opgelegd ten bedrage van € 309 (fl. 683). Daarbij is tevens een boete (verhoging) opgelegd van 100% en is een bedrag van € 112 (fl. 246) aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 14 oktober 2008 de navorderingsaanslagen en de boetes gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 20 november 2008, ontvangen bij de rechtbank op 21 november 2008, in één geschrift beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Eiser heeft in de motivering van zijn beroepschrift verweerder verzocht om toezending aan de rechtbank van alle op de zaken betrekking hebbende stukken. Hij verzoekt daarbij in het bijzonder om overlegging van de navolgende stukken: • de Belgische aanbiedingsbrief en de daarbij behorende Nota met bijlagen, met name de rekeningstandenlijsten; • de gegevens die gebruikt zijn om de authenciteit en betrouwbaarheid van de rekeningstandenlijsten vast te stellen, te weten gegevens van meewerkende rekeninghouders uit andere projecten alsmede de uitslagen van de gehouden chikwadraattoets. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de navolgende - voor zover van belang - op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd: • een geschoonde versie van de aanbiedingsbrief van 18 februari 2005 uit België; • een geschoonde versie van de daarbij behorende Nota; • geschoonde versies van de eerste en laatste pagina, alsmede de pagina van het renseignement waarop eiser staat vermeld, van de bij de Nota behorende bijlagen B1, B2, B6 (hierna: geschoonde rekeningstandenlijsten B1, B2, B6) en bijlage B9 (hierna: de geschoonde adressenlijst); • geschoonde versies van de overige bij de Nota behorende bijlagen, B3, B4, B5, B7, B8, B10, B11 en B12 (van deze laatste bijlage een ongeschoonde versie); • een geschoonde versie van het draaiboek Bank Zonder Naam; • fotokopie van het proces-verbaal van identificatie inclusief de daarin genoemde bijlage (ongeschoond); • geschoonde versie van afschrift van de onderliggende stukken welke zijn gebruikt voor de berekening van de redelijke schatting; • een geschoonde versie van de brief van de bevoegde Belgische belastingautoriteiten d.d. 13 november 2007. Bij brief van 17 september 2009 heeft verweerder de navolgende stukken aan de rechtbank doen toekomen: • een proces-verbaal van 15 juni 2009 met betrekking tot het uitvoeren van de chikwadraattoets; • een toelichting bij kennisgeving navordering. De rechtbank heeft deze brief met de daarbij gevoegde stukken doorgezonden aan eiser. Op 17 september 2009 heeft verweerder een verzoek gedaan om beperkte kennisneming ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb ten aanzien van de navolgende op de zaak betrekking hebbende stukken en de ongeschoonde versies daarvan aan de rechtbank overgelegd: A. de Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005; B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief bijbehorende Nota; C. de eerste en laatste pagina van bij de Nota behorende bijlagen B1, B2, B6 en B9 (de rekeningstandenlijsten en de adressenlijsten) en de pagina van het renseignement waarop eiser staat vermeld; D. de overige bij de Nota behorende bijlagen B3, B4, B5, B7, B8, B10, B11; E. gegevens van meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten; F. gegevens met betrekking tot de chikwadraattoets; G. gegevens met betrekking tot de redelijke schatting; H. de gegevens met betrekking tot de verhouding meewerkers/weigeraars/ontkenners; I. het Draaiboek Bank Zonder Naam; J. memo identificatieproces van 24 november 2006; K. toelichting kennisgeving navordering van 5 november 2007; L. brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing. Bij dit verzoek heeft verweerder tevens geschoonde versies van de genoemde stukken gevoegd, zoals deze bij het verweerschrift en in aanvulling daarop bij brief van 17 september 2009 aan de rechtbank en aan eiser zijn verstrekt. De rechtbank heeft een afschrift van de brief van verweerder van 17 september 2009 en de geschoonde versies van de stukken doorgezonden aan eiser. Op 12 oktober 2009 heeft eiser gereageerd op de toegezonden stukken en zich in algemene bewoordingen op het standpunt gesteld dat de ongeschoonde versies van de stukken ook aan hem moeten worden verstrekt. Ten behoeve van het nemen van deze tussenbeslissing heeft de rechtbank kennisgenomen van de stukken in het procesdossier die aan beide partijen bekend waren. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de door verweerder overgelegde ongeschoonde stukken als hiervóór genoemd. De rechtbank heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie gelast. De comparitiezitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2010 te Arnhem. Namens eiser is daar verschenen mr. [de gemachtigde] (hierna: de gemachtigde). Namens verweerder zijn daar verschenen mr. [A], mr. [B] en [C]. De rechtbank heeft op 22 maart 2010 beslissing genomen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb (hierna: de beslissing). De beslissing is op 23 maart 2010, per aangetekend schrijven, aan partijen toegezonden. De gemachtigde heeft bij brief van 13 april 2010 op de beslissing gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 15 april 2001 gereageerd op de beslissing. De rechtbank heeft de zaak naar de meervoudige kamer verwezen. Verweerder heeft op 17 juni 2011 een nieuw verweerschrift bij de rechtbank ingediend. Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011 te Arnhem. Namens eiser is daar verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn daar verschenen mr. [A] en [C]. Beide beroepen zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. 2. Feiten Eiser (geboren op [geboortedatum]) is gehuwd met mevrouw [de echtgenote] (hierna: de echtgenote). In februari 2005 hebben de bevoegde Belgische belastingautoriteiten in het kader van de spontane uitwisseling van informatie op grond van de Richtlijn 77/799/ EEG van 19 december 1977 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (kortweg: de Bijstandsrichtlijn) gegevens verstrekt aan de FIOD/ECD team Internationaal. De gegevens bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen. De bijlagen behorende bij de Nota zijn genummerd als B1, B2, enzovoorts. B1, B2 en B6 zijn zogenoemde rekeningbestandenlijsten. B9 betreft een adressenlijst. In de Nota staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank Van Lanschot Bankiers Luxembourg (hierna: Van Lanschot). De gegevens zijn door het Belgische Parket in beslaggenomen bij een huiszoeking bij een verdachte. In maart 2007 is binnen de Belastingdienst het project “Bank Zonder Naam” (hierna: het Project) gestart. Doel van het Project was het op projectmatige wijze behandelen van de in 2005 van de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, ten einde de niet aangegeven inkomen- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken. Op 7 maart 2007 is ten behoeve van het Project een draaiboek opgesteld. Tijdens het proces van identificatie bleek dat de combinatie van de achternaam van eiser en zijn echtgenote slechts éénmaal in het geautomatiseerde systeem Beheer Van Relaties (BVR) voorkomt. In het BVR-systeem zijn alle namen van natuurlijke personen en rechtspersonen die in Nederland wonen of zijn gevestigd opgenomen. Via dit systeem zijn ook historische gegevens te raadplegen. Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed vanuit de gemeentelijke basisadministratie. Indien en voorzover uit de vergelijking met het systeem BVR slechts 1 persoon met exact dezelfde of, in andere bewoordingen, met de unieke combinatie (voorletters) achternaam-achternaam naar voren kwam, is deze persoon als rekeninghouder aangemerkt. Uit renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 volgt dat bij Van Lanschot een rekening werd gehouden op naam van [de echtgenote], met rekeningnummer [111]. Het saldo op deze rekening bedroeg op voornoemde data blijkens de renseignementen fl. 374,98, fl. 114.250,00 respectievelijk fl. 115.020,00. Eiser betwist de authenticiteit van deze renseignementen. Verweerder heeft eiser met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd. Bij de vragenbrief is een formulier “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: de verklaring) en een formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: het formulier) gevoegd. Verweerder heeft eiser verzocht de verklaring en het formulier ingevuld en ondertekend te retourneren. Op 14 maart 2007 heeft eiser de verklaring alsmede het formulier geretourneerd. De verklaring en het formulier zijn op 11 maart 2007 ondertekend door eiser. Op de verklaring heeft eiser verklaard dat hij na 31 december 1994 geen buitenlandse bankrekeningen heeft aangehouden. Op het formulier heeft eiser ingevuld “geen buitenlands vermogen e/o bankrekening”. Bij brief van 19 maart 2007 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de verklaring is ontvangen, maar dat volgens zijn gegevens de opgaaf niet volledig en juist is ingevuld. Eiser is in deze brief nogmaals gewezen op de verplichtingen van artikel 47, eerste lid, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Bij deze brief is nogmaals een verklaring gevoegd met het verzoek deze binnen twee werkdagen ingevuld en ondertekend te retourneren. Eiser heeft aan dit verzoek voldaan. Hij heeft (ook) op deze verklaring ingevuld dat hij na 31 december 1994 geen buitenlandse bankrekeningen heeft aangehouden. Verweerder heeft eiser op 5 juni 2007 een brief gestuurd, waarin is vermeld dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat eiser een of meerdere bankrekeningen heeft aangehouden in het buitenland, dat eiser niet heeft voldaan aan de informatieverplichting ex artikel 47 van de AWR en dat verweerder genoodzaakt is voor het opleggen van navorderingsaanslagen IB en/of VB uit te gaan van geschatte bedragen. Bij brief van 21 november 2007 is eiser op de hoogte gesteld van het voornemen van verweerder navorderingsaanslagen en boetes op te leggen. Eiser is tevens in de gelegenheid gesteld vóór 7 december 2007 schriftelijk te reageren op de voorgenomen navordering. In deze brief is voorts vermeld dat de rekening op naam van de echtgenote van eiser staat. Gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2007 gereageerd. In deze brief verzoekt hij verweerder informatie te verstrekken waaruit zou (kunnen) blijken dat eiser een bankrekening zou hebben (aangehouden) bij Van Lanschot. Bij brief van 13 december 2007 heeft verweerder gereageerd. De strekking van deze brief is dat verweerder, aan de hand van de jurisprudentie, van oordeel is dat er geen verplichting op hem rust gemachtigde de geëiste stukken ter inzage te verstrekken of te overhandigen. Daarbij verwijst verweerder naar het arrest van het Hof Amsterdam van 31 augustus 2006, LJN AY 9334; het arrest van het Hof Amsterdam van 6 december 2007, landelijk zaaknummer 200,000.148 en de uitspraak van de voorzieningenrechter Rechtbank Middelburg van 20 november 2007, LJN BB8561. Met dagtekening 31 december 2007 zijn de navorderingsaanslagen alsmede de boetes (verhogingen) aan eiser opgelegd. Bij brief van 8 januari 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 alsmede tegen de hem opgelegde boetes (verhogingen). Bij uitspraak op bezwaar zijn de navorderingsaanslagen alsmede de boetes (verhogingen) gehandhaafd. 3. Geschil In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen alsmede de boetes (verhogingen) terecht, en naar het juiste bedrag, aan eiser zijn opgelegd. Meer in het bijzonder zijn de volgende vragen in geschil: 1. Heeft verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? 2. Is de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR in strijd met het gemeenschapsrecht? 3. Is eiser en/of zijn echtgenote op correcte en juiste wijze als rekeninghouder geïndentificeerd? 4. Zijn de gegevens op rechtmatige wijze verkregen, op een zodanig wijze zoals een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht? 5. Heeft eiser voldaan aan zijn informatieverplichtingen ex artikel 47 AWR? Zo nee, is de bewijslast terecht omgekeerd en is er sprake van een redelijke schatting? 6. Zijn de boetes (verhogingen) terecht en tot de juiste bedragen opgelegd? Niet langer in geschil is de heffingsrente en de vraag of eiser het hoogste persoonlijk arbeidsinkomen had. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4. Beoordeling van het geschil Met betrekking tot de op de zaak betrekking hebbende stukken Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet naar behoren heeft voldaan aan de in 8:42 van de Awb vervatte verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Verweerder betwist dat er andere stukken zijn dan die al zijn overgelegd aan de rechtbank, al dan niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb. De rechtbank verwijst voor dit punt naar haar beslissing van 22 maart 2010 waarin is beslist over de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede voor welke van deze stukken met een beroep op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beperkte kennisneming gerechtvaardigd is geacht. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat er geen andere op de zaak betrekking hebbende stukken aanwezig zijn. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij in de gelegenheid moet zijn om te controleren of verweerders stelling dat 74% van de belastingplichtigen die zijn geïdentificeerd en navorderingsaanslagen hebben ontvangen, 'meewerkt', en dat de van hen afkomstige informatie overeenkomt met de gegevens op de rekeningstandenlijsten, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerders stelling dat het verzamelen van de cijfermatige gegevens van al deze personen fysiek vrijwel onmogelijk is, aangezien die gegevens vervat zijn in dossiers van over het gehele land verspreide inspecteurs, wordt onderschreven. De rechtbank onderschrijft eveneens verweerders stelling dat het selecteren van de gegevens van de betreffende groep belastingplichtigen uit de totale gegevens op de rekeningstandenlijsten alsmede het anonimiseren daarvan, een aanzienlijk tijdsbeslag vergt. Verstrekking van de ongeanonimiseerde afdrukken leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de daarop vermelde rekeninghouders en vormt om die reden geen bruikbaar alternatief. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat tussen enerzijds het belang van eiser bij kennisneming van de door de meewerkende belastingplichtingen verstrekte gegevens en de met betrekking tot deze personen op de rekeningstandenlijsten vermelde informatie en anderzijds de daaraan verbonden (praktische) bezwaren een zodanige wanverhouding bestaat dat eiser in redelijkheid geen aanspraak op kennisneming van deze gegevens kan maken. Met betrekking tot de verlengde navorderingstermijn Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruiken van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de AWR, en gesteld dat de navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie voor de Europese gemeenschappen van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, de volgende regels geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR: “2.1.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.” 2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.