beschikking RECHTBANK ARNHEM Wrakingskamer Zaaknummer: 12/92 Parketnummer: 05/502499-09 Beschikking van 19 januari 2012 inzake T.S.H. [verzoeker] wonende te Budapest (Hongarije), verzoeker tot wraking, en mrs. P.C. Quak, M.F. Gielissen en J.M. Klep, in hun hoedanigheid van rechter.
- De procedure 1.
- Bij schrijven van 17 januari 2012 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mrs. Quak, Gielissen en Klep. 1.
- Bij schrijven van 18 januari 2012 hebben mrs. Quak, Gielissen en Klep aangegeven niet in de wraking te berusten en hebben zij hun zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet. 1.
- Op 19 januari 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker is daar verschenen. Mrs. Quak, Gielissen en Klep hebben in genoemd schrijven van 18 januari 2012 te kennen gegeven geen prijs te stellen om te worden gehoord en aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling. 1.
- De wrakingskamer heeft het onderzoek ter zitting gesloten en mondeling uitspraak gedaan, waarbij het verzoek tot wraking is afgewezen. Hieraan is navolgende ten grondslag gelegd.
- Het wrakingsverzoek en het verweer 2.
- Verzoeker stelt dat zonder dat hij daarvan in kennis is gesteld een getuige ([getuige]) in zijn zaak is gehoord, waardoor hij in zijn rechten is geschaad. Tevens is daarmee de vooringenomenheid en partijdigheid van genoemde rechters vast komen te staan. 2.
- Mrs. Quak, Gielissen en Klep voeren verweer en stellen zich op het standpunt dat de getuige is gehoord in aanwezigheid van een kantoorgenoot van de raadsman van verzoeker. Verdere verhoren van getuigen staan niet gepland. Van rechterlijke partijdigheid of vooringenomenheid is geen sprake.
- De beoordeling 3.
- Gelet op artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
- Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM (en artikel 14 lid 1 IVBPR) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 3.3 Verzoeker stelt niet in kennis te zijn gesteld van het verhoor van getuige [getuige]. Uit het proces-verbaal van de zitting van 13 oktober 2011 blijkt echter dat tijdens die zitting, waarbij verzoeker aanwezig was, is besproken dat de zaak zal worden verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuige [getuige]. Ter zitting van de wrakingskamer is dit door verzoeker ook niet betwist. Hetgeen verzoeker op dit punt heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank derhalve onvoldoende om te veronderstellen dat dit getuigt van een dusdanige partijdigheid dat dit de vrees voor partijdigheid in de onderhavige zaak rechtvaardigt. 3.4 Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat hij niet in kennis is gesteld van de datum en het tijdstip van het verhoor en dat hij daardoor niet in de gelegenheid is geweest bij het verhoor aanwezig te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de planning en bekendmaking van de datum, tijdstip, locatie en wijze waarop een getuige wordt verhoord, behoort tot de verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris. Gesteld noch gebleken is dat mrs. Quak, Gielissen en Klep hiermee enige bemoeienis hebben gehad, zodat hierin geen feiten of omstandigheden kunnen worden gezien waaruit blijkt dat de rechterlijke onpartijdigheid schade heeft geleden. 3.
- De stelling van verzoeker dat de rechtbank hem ten onrechte een advocaat heeft toegewezen, leidt ook niet tot een ander oordeel, nu deze stelling, wat daar ook van zij, thans niet meer aan de orde kan zijn. Verzoeker voert deze grond eerst ter zitting van de wrakingskamer aan. De rechtbank heeft reeds in augustus 2011 aan verzoeker een advocaat toegewezen. Verzoeker is hiervan destijds al op de hoogte gesteld c.q. gekomen. Verzoeker had, voor zover hij dit als grond voor wraking ziet, deze grond dan ook eerder in de procedure kunnen en moeten aanvoeren. Een dergelijk laat ingediende wrakingsgrond kan enkel tot een niet-ontvankelijkverklaring leiden. 3.
- Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen. 3.
- Ten overvloede wordt aan verzoeker meegegeven dat indien hij zich niet door de toegewezen advocaat wil laten vertegenwoordigen, hij dit nogmaals uitdrukkelijk bij de betreffende advocaat en de rechtbank moet aangeven.
- De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot wraking af. Deze beschikking is gegeven door mrs. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter, C. van Linschoten en G.A. van der Straaten in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.M.B. van Eeten en in het openbaar uitgesproken op 19 januari
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.