RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer registratienummers: AWB 08/3119, AWB 08/3120, AWB 12/93, AWB 12/94, AWB 12/95, AWB 12/96, AWB 12/97, AWB 12/98, AWB 12/100, AWB 12/101, AWB 12/102, AWB 12/103, AWB 12/104, AWB 12/105, AWB 12/106 en AWB 12/107 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 29 maart 2012 inzake [X], wonende te [Z], eiser, tegen de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Nijmegen, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Met dagtekening 28 december 2007 heeft verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd: - navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1995 tot en met 2003 (aanslagnummers [000].H58 tot en met H38); - aanslagen IB/PVV voor de jaren 2004 en 2005 (aanslagnummers [000].H46 en H56) - navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1996 tot en met 2000 (aanslagnummers [000].K68 tot en met K08) Gelijktijdig met het vaststellen van de belastingaanslagen zijn aan eiser verhogingen/boetes van 100% opgelegd en is aan eiser bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 mei 2008 de belastingaanslagen, de boetes en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 2 juli 2008, ontvangen door de rechtbank op 4 juli 2008, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [A], mr. [B] en mr. [C]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [D] en mr. [E]. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota’s behorende bijlagen. 2. Feiten Eiser is geboren op 27 april 1939 en gehuwd met [X-Y], geboren op 19 juli 1944. Eiser geniet vanaf 2001 pensioen uit [F] BV. Op 13 november 2001 wordt door de bevoegde autoriteiten van Duitsland in het kader van spontane gegevensuitwisseling op basis van richtlijn 77/799/EEG aan de FIOD/ECD/team internationaal kantoor Haarlem gegevens verstrekt inzake Nederlandse ingezetenen die oprichter dan wel begunstiger zijn van een Liechtensteinse Stiftung. Deze gegevens bestaan uit authentieke fotokopieën van uitgedraaide data zoals deze vermeld staan op een CD-rom. Deze CD-rom is afkomstig uit de interne administratie van het, inmiddels voormalige, advocatenkantoor van [G] te [Q] in Liechtenstein. De CD-rom is in februari 2000 in anonimiteit afgegeven bij het openbaar ministerie in [R] (Duitsland). Bij de gegevens die door de Duitse autoriteiten zijn overgelegd bevinden zich: - een document getiteld “Reglement der [H] Stiftung, [Q]”, gedateerd maart 1992. De stichtingsraad van de [H] Stiftung bestaat uit: Prof. Dr. [G] Dir. [I] Dir. [J], werkzaam bij [K] Ag. In artikel 1 van het reglement staat vermeld dat [X], geboren op 27 april 1939, bij leven alle rechten toekomt aangaande het stichtingsvermogen en de opbrengsten daarvan. In artikel 2 staat vermeld dat na de dood van [X] zijn echtgenote [X-Y], geboren 19 juli 1944, alsmede zijn kinderen [L], geboren op 1 april 1971 en [M], geboren op 29 juni 1966 van rechtswege de opbrengst van het vermogen toekomt volgens de bestemming van artikel 3 en 4 van het reglement. - een document waaruit blijkt dat de [H] Stiftung op 31 maart 1997 is opgenomen in het geautomatiseerde systeem van kantoor [G]; Nader onderzoek van de FIOD-ECD heeft het vermoeden opgeleverd dat eiser houder is van een op de CD-rom vermelde Liechtensteinse Stiftung. Op grond van dit vermoeden en de samenhang met andere onderzoeken is op 21 juni 2004 bij eiser huiszoeking verricht en is eiser verhoord. Het Openbaar Ministerie heeft afgezien van stafrechtelijke vervolging met als sepotgrond “ andere dan strafrechtelijke afdoening geniet de voorkeur” . De FIOD-ECD heeft in oktober 2005 de gegevens aan de belastingdienst verstrekt ter verdere afdoening. Verweerder heeft bij brief van 7 februari 2006 aan eiser onder meer het volgende geschreven: “De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigd zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting en/of vennootschapsbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit. Uit dit onderzoek is gebleken dat u gerechtigd bent (geweest) tot vermogensbestanddelen in het buitenland. De gegevens hiervan kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing over de afgelopen twaalf jaren. Ik verzoek u daarom mij de gegevens en inlichtingen over die jaren te verstrekken, welke worden gevraagd op de ingesloten “Opgaaf Buitenlands vermogen”. Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat de gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigen aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.” In de daarop volgende correspondentie heeft eiser aangegeven dat hij op grond van artikel 6 EVRM niet gehouden is op een dergelijk verzoek om informatie te reageren. Bij brief van 14 november 2007 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1995 tot en met 2003 met een vergrijpboete op te leggen. Bij deze brief is een concept rapport boekenonderzoek gevoegd. In het rapport boekenonderzoek van 23 november 2007 staat het volgende: “:.. 3.1 Bevindingen strafrechtelijk onderzoek Fiod/ECD In juni 2004 heeft er een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden tegen belastingplichtige. Bevindingen onderzoek … Geconstateerd is dat het vermogen van de stichting, waarover belastingplichtige kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen is, niet is opgenomen in enigerlei aangifte. Bij doorzoeking op 21 juni 2004 in het woonhuis van belastingplichtige aan de [a-straat 1] te [Z] is in een koekjestrommel op de zolder een bedrag van € 73.550,- gevonden. Er is Zwitsers geld gevonden. Belastingplichtige verklaarde dat dit kasgeld betrof dat werd opgespaard tot ongeveer € 100.000,-, waarna het dan naar de bank werd gebracht. Met betrekking tot het Zwitsers geld werd het volgende verklaard: ‘Ik heb nog geld over van reizen. Ik ga vaak naar Italië in de buurt van [S]. Ik ga dan via Zwitserland naar Italië. Ik moet daarom voor eten e.d. over Zwitsers geld beschikken.’ Terzake van de Liechtensteinse stichting is bij de doorzoeking geen bewijs aangetroffen. Tijdens de verhoren heeft belastingplichtige een beroep gedaan op het zwijgrecht. Bij de doorzoeking zijn bescheiden aangetroffen met daarop de naam van dhr [J], één van de drie leden van de Stichtingsraad en directeur van de bank [K] in Zwitserland. De heer [J] is in 6 stiftungen lid van de Stiftiungsrat. Deze stiftungsrat draagt zorg voor het beheer van de stiftung. Aan de hand van de aangetroffen stukken is geconstateerd dat belastingplichtige een zakelijke relatie heeft via zijn vennootschap, [F] BV, met [N] BV. Deze laatste vennootschap is van de heer [J]. Uit voornoemde stukken bleek dat belastingplichtige en dhr [J], middels hun BV’s, hebben geïnvesteerd in een businesscenter in [T]. Eveneens zijn bij de huiszoekingen meerdere bescheiden aangetroffen waaruit afgeleid kan worden dat belastingplichtige betalingen via Zürich heeft gedaan. Uit voornoemde bescheiden blijkt dat er in ieder geval 3 betalingen in Zwitserland hebben plaatsgevonden - In het jaar 1998 een betaling van fl. 500.000,- - In het jaar 2000 een betaling van fl. 283.000,- - In het jaar 2001 een betaling van fl. 250.000,- Uit de stukken is af te leiden dat de betaling van fl. 283.000,- door dhr [J] van een bankrekening is afgeschreven. Dhr [J] is bankier in Zwitsereland. De bovenstaande aanwijzingen doen het vermoeden rijzen dat belastingplichtige een bankrekening heeft in Zwitserland bij [K], waartoe de heer [J] uit hoofde van zijn positie bij [K], in staat is bedragen af te schrijven. 3.2 …. 3.3 conclusies onderzoek Het volgende is geconstateerd: - Belastingplichtige is oprichter cq begunstigde van een in maart 1992 opgerichte Liechtensteinse stiftung; - Er hebben betalingen in Zwitserland plaatsgevonden voor in totaliteit fl. 1.033.000,-; - Er is een zakelijke relatie met dhr [J], directeur van een Zwitserse bank; - Er zijn duidelijk aanwijzingen dat belastingplichtige (heeft) beschikt over één of meer Zwitserse bankrekening(en). ….. 4 Redelijke schatting verschuldigde belasting Bij de tot nu toe afgesloten vergelijkbare onderzoeken in Duitsland is geconstateerd dat de hoogte van de kapitaalbeleggingen van de gecontroleerde stichtingen zich bewogen tussen DM 6.000.000 en DM 17.000.000. Uit een begeleidend schrijven van de stukken afkomstig van de Duitse autoriteiten blijkt dat men er van kan uitgaan dat er pas een interessant rendement mogelijk is bij een stichtingsvermogen van ongeveer 3.000.000 Zwitserse frank. Uitgaande van bovenstaande gegevens is besloten om het stichtingsvermogen bij oprichting in 1992 te bepalen op 3.000.000 Zwitserse frank. Aangenomen wordt dat het kapitaal belegd is in buitenlandse beleggingsmaatschappijen. Voor het bepalen van het rendement wordt aansluiting gezocht bij de fictief rendement regeling volgens artikel 29 a wet inkomstenbelasting 1964. Voor de omrekening naar Nederlandse valuta is uitgegaan van de onderstaande middenkoersen volgens het fidemecum. …. 4.1 correcties vermogensbelasting 1996 tot en met 2000 Dit leidt tot de volgende correcties voor de vermogensbelasting: 31-12-1995 31-12-1996 31-12-1997 vermogenscorrectie fl 5.072.042 fl 5.404.465 fl 5.646.085 31-12-1998 31-12-1999 vermogenscorrectie fl 6.087.577 fl 6.492.428 4.2 correcties inkomstenbelasting 1995 tot en met 2000 …. Dit leidt tot de volgende correcties 1995 1996 1999 inkomenscorrectie fl 281.390 fl. 304.323 fl 324.268 1998 1999 2000 inkomenscorrectie fl 338.765 fl 365.255 fl 389.546 4.3 correcties rendementsheffing 2001 tot en met 2005 Dit leidt tot de volgende correcties vermogen in Box 3: 2001 2002 2003 correctie rendementheffing € 3.359.140 € 3.663.669 € 3.880.213 2004 2005 correctie rendementheffing € 4.005.500 € 4.191.925 …” Met dagtekening 28 december 2007 heeft verweerder de onderhavige belastingaanslagen en beschikkingen opgelegd. Bij brief van 15 januari 2008 heeft de gemachtigde van eiser bezwaar gemaakt tegen de opgelegde belastingaanslagen, boeten en heffingsrente. 3. Geschil In geschil is het antwoord op de volgende vragen: 1. Is de hoorplicht van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geschonden? 2. Is artikel 10:3 van de Awb geschonden? 3. Zijn de belastingaanslagen terecht en tot de juiste hoogte opgelegd? 4. Voor de jaren tot en met 2001: Is het gebruik van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR toegestaan? 5. Zijn de boetes terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld? 6. Zijn de beschikkingen heffingsrente tot de juiste bedragen vastgesteld? Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4. Beoordeling van het geschil Ten aanzien van de hoorplicht Eiser heeft in beroep erover geklaagd dat hij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval de hoorplicht niet geschonden. Hierbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Op 26 maart 2008 heeft inzage in het dossier plaatsgevonden. Het op 8 april 2008 geplande hoorgesprek is op verzoek van de vorige gemachtigde van eiser verplaatst naar 22 april 2008. Op deze hoorzitting is de gemachtigde van eiser - zonder kennisgeving vooraf - niet verschenen. Verweerder heeft daarop telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiser, waarbij bleek dat deze het hoorgesprek bij brief van 21 april 2008 had afgezegd. Deze brief is later die dag op 22 april 2008 ontvangen door verweerder. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat een fax met hetzelfde bericht niet door hem is ontvangen. Verweerder heeft voorts gesteld dat in het telefoongesprek van 22 april 2008 is afgesproken dat een hoorzitting zou plaatsvinden op 29 mei 2008. Ook op deze hoorzitting is gemachtigde van eiser zonder bericht niet verschenen. Nadat verweerder wederom telefonisch contact heeft opgenomen met de gemachtigde heeft deze gesteld dat er sprake moet zijn van een communicatiestoornis omdat hij uitging van 5 juni 2008. Dit is door verweerder betwist. De uitnodiging van verweerder om die middag het hoorgesprek te houden heeft gemachtigde van eiser vervolgens afgewezen. Gelet op deze omstandigheden tezamen en in onderling verband bezien heeft verweerder de conclusie mogen trekken dat eiser geen gebruik wenste te maken van zijn recht om te worden gehoord. Reeds omdat verweerder na het niet verschijnen van eiser op een geplande hoorzitting eiser nog tweemaal opnieuw in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord is geen sprake van een situatie als aan de orde in het arrest van de HR van 15 mei 2009, nr. 08/00437, LJN: BI3751. Ten aanzien van artikel 10:3 van de Awb Eiser heeft gesteld dat het bezwaar in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb niet is behandeld door een ambtenaar die niet betrokken is geweest bij de aanslagregeling. Uit de stukken blijkt dat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd door de controlerend ambtenaar [O] in samenspraak met drs. [P]. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan door inspecteur mr. [a]. Hieruit blijkt dat is voldaan aan het vereiste van artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Hieraan doet niet af dat de eerste vragenbrieven afkomstig zijn van laatstgenoemde inspecteur, nu uit het dossier blijkt dat in augustus 2006, derhalve ruim voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen, deze zaak is overgenomen door haar collega [P] in verband met haar langdurige afwezigheid. Niet gebleken is dat zij daarna nog op enige wijze betrokken is geweest bij de aanslagregeling. Van schending van artikel 10:3, derde lid, van de Awb is derhalve geen sprake. Ten aanzien van de enkelvoudige belasting Betrokkenheid bij Stiftung/buitenlands vermogen De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de in het controlerapport genoemde gegevens en hetgeen verweerder daaraan ter zitting heeft toegevoegd vast staat dat eiser vanaf 1992 tot 2004 betrokken is geweest bij een Liechtensteinse Stiftung, de [H] Stiftung, en dat, mede gelet op de betalingen in Zwitserland, daaruit kan worden afgeleid dat hij daar over vermogen kon beschikken. Ten aanzien van het betoog van eiser dat uit het overgelegde reglement niet kan worden afgeleid dat de Stiftung daadwerkelijk is opgericht, nu een ondertekening ontbreekt, wijst de rechtbank erop dat uit de stukken blijkt dat de Stiftung op 31 maart 1997 in het geautomatiseerde systeem van kantoor [G] is opgenomen. Voorts heeft eiser zelf een brief van het Grundbuch und Öffentlichkeitsregisteeramt Fürstentum Liechtenstein van 21 juli 2009 overgelegd, waarin staat dat “ die Stiftung mit dem Namen “[H] Stiftung” mit Datum vom 08-06-2004 beëndet wurde” . Hieruit volgt eveneens dat deze [H] Stiftung ook daadwerkelijk is opgericht. Tevens blijkt uit deze brief dat de stichting tot 8 juni 2004 heeft bestaan. Verweerder heeft voorts aannemelijk gemaakt dat eiser de volledige beschikkingsmacht had over dat vermogen. Uit het reglement blijkt duidelijk dat eiser de begunstigde is van de [H] Stiftung. Na zijn overlijden gaan de rechten over op zijn echtgenote en na haar overlijden naar hun zoon en dochter. Ten overvloede wijst de rechtbank nog op het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 31 januari 2012, LJN: BV2696, waarin onder rechtsoverweging 4.1.2b de kenmerken van een Liechtensteinse Stiftung worden genoemd en waarin wordt geconstateerd dat de begunstigde degene is die de beschikkingsmacht over het vermogen heeft. Nu aannemelijk is dat het gaat om een aanzienlijk vermogen en eiser niets heeft gesteld omtrent de aanwending daarvan in de jaren na 2004, acht de rechtbank tevens aannemelijk dat eiser ook in 2005 over een aanzienlijk vermogen in het buitenland heeft beschikt. Navorderingsaanslag: nieuw feit/kwade trouw Aan eiser zijn over de jaren 1995 tot en met 2003 navorderingsaanslagen opgelegd. Op grond van artikel 16 van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw rust op de inspecteur. Naar het oordeel van de rechtbank is het bekend worden van de gegevens over de betrokkenheid van eiser bij een Liechtensteinse Stiftung een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat deze gegevens eerst in oktober 2005 door de FIOD/ECD zijn vrijgegeven. Op dat moment was uitsluitend de aangifte over 2003 nog niet geregeld. Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank echter bovendien aannemelijk dat eiser in alle jaren aanzienlijke bedragen aan inkomen danwel vermogen niet in zijn aangifte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.